Marianne Van Kerkhoven

Leestijd 7 — 10 minuten

De Glamour en Glitter van het Vlaamse Theater

Theater bestaat o.a. uit voorstellingen, maar ook uit toeschouwers. Verschillende Vlaamse produkties verwierven dit seizoen heel wat bijval. Marianne Van Kerkhoven plaatst enkele kanttekeningen bij succes.

Het voorbije seizoen in het Vlaamse theater heeft een hele reeks voorstellingen opgeleverd, die op heel wat bijval van publiek en/of pers konden rekenen. (Ook in het eerste “Nederlandstalige theatertreffen” – zie elders in dit nummer – werden vijf Vlaamse voorstellingen bekroond, zij het niet steeds op dezelfde gronden of vanuit dezelfde motiveringen). We denken hier b.v. aan Othello van Blauwe Maandag, aan Peter Pan en Koning Lear van het N.T.G., aan Le Diable au Corps en Virginia Woolf van de Witte Kraai, aan De Bacchanten van Akt/Vertikaal, aan de Hamlet van het Raamteater, aan De Getemde Feeks van Malpertuis, aan Ghetto van K.N.S., enzovoort.

Een onderzoek naar een gemeenschappelijke artistieke noemer lijkt niet makkelijk; een omschrijving van de redenen van hun succes evenmin. Toch willen we omtrent dit laatste enkele bedenkingen formuleren. Etcetera heeft al veel over voorstellingen geschreven, maar weinig over de toeschouwers van die voorstellingen ; de ”ongrijpbaarheid” van het publiek als onderzoeksobject speelt hierin zeer zeker een rol, maar er is méér dan dat.

Op het laatste festival van Cannes werd door de jury eenparig een niet eenvoudig te beantwoorden film bekroond (Sous le Soleil de Satan van Maurice Pialat – in de pers bedacht met adjectieven als “literair”, “topzwaar”…), terwijl deze keuze door het publiek op gejouw werd onthaald. Enkele weken geleden verklaarde Hugo Claus in een interview in Humo dat moderne theatermakers geen rekening meer houden met het publiek: “maar zij doen iets wat veel erger is: zij houden rekening met de progressieve recensent van Etcetera of met hun vriendjes in ‘t café”. Claus stelt een aantal symptomen vast die hij afwijst, zonder in te gaan op hun oorzaken. Het komt vandaag inderdaad méér en méér voor dat de door de kritiek of door een minderheid (elite?) van toeschouwers belangrijk geachte voorstellingen (belangrijk t.a.v. de tijdsgeest en de ontwikkelingen in de theaterkunst) voor lege zalen spelen; terwijl andere, door diezelfden als triviaal omschreven produkties, wekenlang een groot publiek trekken.

Marginaliteit

De vraag naar het gelijk in deze materie is zeer complex, omdat ook de vraag naar de plaats die het theater vandaag in de samenleving inneemt valt. Goed: het theater is vandaag tot een marginale kunst geworden. Maar is het dat niet altijd geweest en zo niet wanneer en hoe is het dan in zijn isolement terechtgekomen? Het theater van Epidauros had misschien – we doen een gok – 30 000 zitplaatsen; onze oudste schouwburgzalen daterend uit de 19de eeuw (b.v. De Munt) hebben er een dikke duizend: dat is misschien nóg veel, maar alleszins zéér weinig in vergelijking met de miljoenen kijkers die vandaag door film of televisie bereikt worden. Ook Jan Oscar De Gruyter speelde in K.N.S. in de jaren twintig zijn verzorgde voorstellingen van belangrijke teksten uit de wereldliteratuur voor bijna lege zalen… die weer volliepen wanneer hij – noodgedwongen – een Duitse Posse programmeerde. De problematiek is dus niet nieuw, maar de laatste tijd is de verhouding tussen het theater en zijn entourage, d.w.z. de andere media, dusdanig gewijzigd dat hieruit ook gewijzigde taken voor het theater voortvloeien. De mentale structuren die de televisie ons oplegt zijn door zowat iedereen – ook door de niet-verstokte kijkers – verinnerlijkt: het ritme en de intensiteit waarmee we vandaag beelden, van welke oorsprong ook, verwerken, wordt bepaald door de wijze waarop de televisie met beeldmateriaal omspringt. Peter Sellars: “Het T.V.-formaat betekent (…) dat 30″ genoeg zijn voor de mate waarin we met iets te maken willen hebben.” Aandacht, interesse voor details, het ondergaan van een tijdsduur, nuancering, verveling zelfs… kennen we niet meer binnen ons televisie-kijkgedrag; de beelden wisselen zo snel dat enkel (over)verzadiging het gevolg kan zijn.

Op deze situatie worden er vandaag binnen het theater verschillende antwoorden gegeven: er zijn theatermakers die zich aansluiten bij deze inflatoire produktie van beelden; door op een gelijkaardige wijze te werken als de televisie, hopen zij opnieuw een – relatief – groter publiek te bereiken. Maar blijft het theater precies door zijn eigenheid, door zijn hier-en-nu karakter, door zijn werk “op mensenmaat” niet altijd gesloten voor een werkelijk massale deelneming? Een andere groep van theatermakers kiest voor de eigenzinnigheid in de artistieke oplossingen zonder zich nog te bekommeren om zijn publiek en verzeilt hierdoor – bewust of onbewust – in de marginaliteit.

Geen van beide situaties is bevredigend. In feite blijft als uitweg slechts de keuze van die derde groep over, die, zonder de artistieke opties te compromitteren, tegelijkertijd ook bouwt aan een nieuw, een eigen publiek: dit vraagt tijd en voorbeelden uit de internationale theatergeschiedenis hebben uitgewezen dat vaak eerst een “oud publiek” moest worden “weggejaagd” vooraleer men een nieuw kon bereiken. Bij opvoeringen van de eerste werken van Pina Bausch b.v. verlieten heel wat toeschouwers de zaal, terwijl nu vaak om tickets wordt gevochten en er bij die “zaalverlaters” waarschijnlijk slechts een kleine minderheid is, die daarna nog is teruggekomen.

Het hermetisme dat we vandaag in heel wat produkties terugvinden en waardoor een groter publiek wordt afgeschrikt, kan bijgevolg niet altijd verklaard worden door of geïnterpreteerd worden als een zucht naar elitarisme of snobisme van de betrokken kunstenaars of zelfs als een vorm van minachting t.o.v. het publiek; dit fenomeen dient óók begrepen te worden als een poging om aan de druk te weerstaan die door andere media én vanuit andere regionen van het theater wordt uitgeoefend en die door Jean-Marie Piemme in Le Souffleur inquiet zo treffend werd omschreven als “l’appel à la normalité”: “Soyez plus simples (…). Ecrivez (of: jouez, mettez en scène enz. – nvdr) un peu comme tout le monde”. De keuze tussen de finaliteit van het publiek of die van de kunstenaar kan niet opgelost worden door een compromis, door een of andere gulden middenweg.

Mag het theater vandaag dan niet meer lichthartig en simpel zijn? Misschien moeten we – Brecht parafrazerend – hierop antwoorden met een nieuwe vraag: wat zijn dit voor tijden waarin het maken van populair theater al bij voorbaat verdacht lijkt?

Het theater heeft zich in het verleden permanent aangepast aan veranderde maatschappelijke omstandigheden, ook aan wijzigingen in de eigen rangen. Het repertoiretheater b.v. dat voorheen door zijn 30-40 produkties per seizoen een trouwe bezoeker in een paar jaar tijd wérkelijk kon laten kennismaken met een doorsnede van het wereldrepertoire, zag zijn taken grondig dooreen geschud bij het ontstaan van een hele reeks kleine theaters die eventueel uit ditzelfde repertoire gingen putten én door het reduceren van zijn eigen produkties tot een 8-tal per seizoen: in plaats van nog het “elk wat wils”-principe te kunnen huldigen, dient een repertoiretheater vandaag dan ook duidelijke keuzen te maken.

Een steeds groter wordend deel van de cultuur gaat vandaag binnen commerciële mechanismen functioneren; kunstprodukten worden in een dergelijk kader alleen nog “geconsumeerd”. Als de overgrote meerderheid van de toeschouwers/toehoorders enz. bijna verzuipt in een overvloed van produkten die allemaal verstrooiing en ontspanning beogen, moet het theater – dat met zijn handjevol middelen hiertegen tóch niet kan concurreren – dan zo nodig ook nog eens hetzelfde doen? Hebben wij een theater nodig dat in feite enkel een – in levende lijve – veredelde versie van een T.V.-feuilleton is? Heeft een theater nut, dat op zijn beurt beelden gaat produceren die vrijblijvend zijn of zonder zin? Het is tegen deze achtergrond dat wij een aantal van de aangehaalde produkties uit het voorbije seizoen willen plaatsen en enkele kanttekeningen willen zetten bij hun misschien al te snel en al te gemakkelijk verworven succes.

Radicaliteit

Een eerste kanttekening betreft een verheugend feit. Meer dan in vorige seizoenen kan vastgesteld worden dat binnen het Vlaamse theater vandaag met de theatrale middelen wordt omgesprongen vanuit een verworven meesterschap over een vormentaal. In dramaturgie, scenografie, acteerstijl enz. werden stappen gezet die verwijzen naar een zorg, een doordacht-zijn, een consequentie, een coherentie… die we voorheen zelden te zien kregen. Meteen loert hier wel het gevaar om de hoek, dat er zich een visie op theatermaken gaat ontwikkelen, die technische vaardigheid loskoppelt van inhoudelijke controle. Een tweede kanttekening betreft de gehanteerde beeldentaal. Over het produceren van beelden-om-de-beelden in Othello en Koning Lear schreven we reeds in Etcetera 17. De inhaligheid t.o.v. het publiek van De Getemde Feeks en het compromis tussen cynisme en onderhoudendheid van Hamlet werden reeds besproken in Etcetera 16.

In de Virginia Woolf-voorstelling, een vrij gesimplifieerde en getrivialiseerde versie van Albees drama, worden bewust kitsch-beelden aangewend; ze krijgen in deze produktie een pseudo-diepzinnig karakter waar bij nader toekijken niet zoveel achter steekt. Het gebruik van schlagers b.v. is binnen het moderne theater al zo vaak aangewend, dat dit onderhand tot een cliché is geworden. De hele voorstelling geeft de indruk iets te willen afbreken dat al afgebroken is: als procédé niet zo boeiend; inhoudelijk gezien komt men er dan ook met honger buiten.

In Ghetto wordt een verbluffend en verblindend gebruik gemaakt van de grote scenische middelen van het K.N.S.-plateau. Maar de vraag of die wel Sobols inhoud dienden bleef uit. Als de trein die de scène oprolt en die symbool staat voor de treinen van het mensentransport naar de concentratiekampen “een open doekje krijgt”, “omdat het zo’n mooi beeld is”, voel ik me bepaald ongemakkelijk; de valse pathetiek in het spel van een aantal acteurs versterkte nog die wrange smaak omtrent de discrepantie tussen de gebruikte vormen en wat-zij-dan-wel-willen-verbeelden.

Ondanks de grote coherentie in de gebruikte visuele taal – o.a. dank zij de mooie scenografie- lijkt De Bacchanten van Akt/Vertikaal die voorstelling uit dit seizoen waar de leegheid van en de misleiding door beelden het sterkst aanwezig is. De belangrijkste tegenstelling in dit stuk tussen rationaliteit en irrationaliteit en andere aspecten van de filosofische fundering – uitvoerig besproken en aangekondigd in het programmaboekje – vind je in de voorstelling nergens terug. De koppeling tussen hysterie en vrouw-zijn en die tussen man en macht wordt er bijzonder eenduidig en “gemakkelijk” in uitgewerkt. De vrouw van vandaag met heel haar voelen en denken is uit de voorstelling weggeveegd. (Wanneer wordt dit stuk, waarin de problematiek van het vrouw-zijn zo centraal staat, eens door een vrouw geregisseerd?) Bovendien worden de kitsch (o.a. het slotbeeld van het eerste deel: twee naakte meisjes in de sneeuw of kerstmis in het aards paradijs) en de spectaculaire beelden (o.a. het witte kleed van Agave) hier au sérieux genomen en als “schoonheid” aan het publiek verkocht.

Wanneer we deze twee kanttekeningen verbinden met de vraagstelling omtrent de taken van het theater vandaag moeten er ook bij de bijval van deze produkties enkele bedenkingen worden geplaatst. Succes, eenmaal verworven, verschaft maar al te vaak aan kunstenaars het alibi om “op de ingeslagen weg verder te gaan” en zich geen vragen meer te stellen. Succes wordt dan een finaliteit op zich; onder druk van een grote publieke belangstelling verwatert technische vaardigheid maar al te gauw tot maakwerk.

Meer dan ooit heeft het theater vandaag de taak zijn relatie met zijn publiek permanent te bevragen m.b.t. haar inhoud. (Wat is b.v. de inhoud van de grote bijval die het Vlaamse theater op dit moment in Nederland geniet?). Meer dan ooit ook lijkt een theater dat géén gevecht levert mét zijn middelen en mét zijn publiek oninteressant. Wat het Vlaamse theater vandaag aan theatraliteit gewonnen heeft, mag daarom niet verworden tot een lege vormentaal. T.o. de nivellerende druk van commercieel geëxploiteerde media kan het theater als cultureel eilandje slechts één antwoord geven, nl. een antwoord van radicaliteit op alle niveaus: radicaliteit in zijn artistieke keuzen, in zijn organisatievormen en óók in zijn relatie tot het publiek. Succes? Graag, maar niet op verkeerde gronden en niet tegen elke prijs.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#18

15.06.1987

14.09.1987

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).

artikel