Ankers, bomen en gelouterde liefde
Reflecties over vaderschap na Fatherload, Zo gaat het verder en Ik ben een boom
Pieter Martens
© Véronique Bruyneel
Sterven is de grote gelijkmaker: ooit overkomt het ons allemaal. Maar hoe ga je met die grote onbekende om als je tien, dertig of bijna tachtig bent? In De Clash, een participatieve coproductie van de Kortrijkse gezelschappen Antigone en Unie der Zorgelozen, blijken de generaties verrassend gelijkgestemd. Hun open nieuwsgierigheid naar de dood maakt er zowaar een levenslustige voorstelling van.
De dood als personage, het is een creatieve truc die al werkt van de veerman over de Styx bij de oude Grieken tot Pietje met zijn zeis in de middeleeuwen; van de schaakmeester in Ingmar Bergmans laatste film Het zevende zegel tot de zwijgende clown die Danny Ronaldo vertolkt in de ontroerende voorstelling Doe de groeten aan de ganzen van De Nwe Tijd. Wanneer de dood een gezicht krijgt, maakt hem dat niet noodzakelijk minzamer of minder mysterieus, maar wel hanteerbaarder. Misschien niet menselijker, maar wel meer van ons. De dood personifiëren is een eeuwenoud copingmechanisme om te kunnen dealen met ons aangeboren controleverlies.
De Clash kiest een boeiende tussenweg. Ook hier is de Dood een extra figuur op de bühne, maar wel een zonder gezicht. Als nieuwe buur is hij – opnieuw blijkt de Dood een man – zopas ingetrokken in een huisje aan het einde van de straat. Bewust koos hij voor West-Vlaanderen als thuisbasis, zo komen twee jongens van negen en dertien (Josse Corne en Atharvv Modak) ons in hun ontwapenende intro vertellen: de dood zit hier nu eenmaal al ingebakken in de taal. West-Vlaanderen, dat is dé plek op aarde vol ‘doodbroave’ mensen, die hun tv kunnen uitzetten door hem ‘dood’ te doen en elkaar soms ‘doodgeirn’ zien. Daar voelt de Dood zich vanzelf welgekomen. En dat is ook nodig, want sinds de komst van de mensheid in de kosmos blijkt hij danig overwerkt. Hier in Vlaanderen zoekt hij rust, privacy, anonimiteit. Een voorstelling lang laat de Dood zich dan ook niet zien. Alleen de rook uit zijn schouw getuigt van zijn reële aanwezigheid.
Meteen is het register van de voorstelling helder: regisseur Axelle Verkempinck zoekt de balans tussen een existentieel sprookje en een volkse documentaire. De verhalende toon van de introductie, even mythisch als alledaags mededeelzaam, verdubbelt zich in de feeërieke stijl van het huisje dat het scènebeeld beheerst. Alice D’hondt ontwierp in bruin karton een peperkoeken cottage met lichtgevende raampjes, knus en gezellig als uit een geïllustreerd kinderboek. Er staat een gerieflijke houten zitbank voor. De Dood is onder ons komen huizen als in een romantische fabel. Er is hoegenaamd niets kil aan.
“Regisseur Axelle Verkempinck zoekt de balans tussen een existentieel sprookje en een volkse documentaire.”
Tegelijk fungeert het besloten huisje met zijn grote onbekende bewoner als het perfecte projectiescherm voor alle ideeën over leven en dood die Verkempinck distilleerde uit haar gesprekken met tien Kortrijkse spelers van negen tot bijna tachtig jaar. Allemaal komen zij uit de kringen van Antigone en De Unie, die elk al ruim twintig jaar een sociaal-artistieke werking hebben, maar hier voor het eerst samenwerken. Initieel zou hun ‘clash’ over de strijd der generaties gaan, maar blijkbaar had die toch een concreet onderwerp nodig – precies zoals de dood zelf zoveel handzamer wordt als personage. Kijkt een kind anders naar sterven of reïncarnatie dan iemand aan het andere uiteinde van het leven?
Op het podium vertaalt zich die insteek in een vlotte afwisseling tussen collectieve scènes rond het huisje en eerder intimistische en meer persoonlijke dialogen tussen afzonderlijke spelers. De groepsmomenten klinken als een dorps koor van meningen, roddels en veronderstellingen over de vreemde gast – alsof de Dood net zo goed een nieuwkomer zou kunnen zijn. Karolien Delaere benadert zijn woning met een ruiker bloemen ter verwelkoming; de veel oudere Christine Van de Voorde met een bivakmuts en een molotovcocktail die ze niet in de fik krijgt. Lichte humor is nooit ver weg, maar altijd – of net daardoor – met een dubbele laag. De Clash heeft iets van preventief rouwen.
Ook filosoferen gebeurt bijna tussen de soep en de patatten: licht en toch diep. Stuk voor stuk komen de spelers existentiële vragen op het huisje afvuren, nadat de Dood daar met een briefje onder de voordeur zelf toe heeft uitgenodigd – om er daarna van af te zijn. ‘Heb ik de middelste dag van mijn leven al geleefd?’ wil Marte Tamsin weten. ‘Ik vraag gewoon een teken. Een teken dat ik nog tijd heb. Om te evolueren. Te groeien. Te veranderen.’
“De Clash ademt van alles, maar vooral vitalisme. Het is een ‘memento mori’ dat zich steeds meer ontvouwt als een ‘carpe diem’.”
Het meeste treffen de minst vanzelfsprekende benaderingen van de dood. Zo deelt Volseta Pashai invitaties uit voor haar eigen uitvaart over een week, waarvan ze wil dat het een vrolijk feestje wordt. Ze is niet bang om naar ergens anders te verhuizen, zegt ze. Dat heeft ze al zo vaak gedaan. Yehor Skorokhodko oefent dan weer voor zijn begrafenis met een afscheidsspeech aan zichzelf. ‘Je hebt veel gedaan, maar al die tijd was je bang om jezelf te zijn, om buiten de lijntjes te kleuren, om beoordeeld te worden.’ En Veronica Schmalz danst met een lange lege jas een roerende solo over een heel leven, van de eerste amoureuze omhelzing tot het afscheid aan het graf. Wanneer ze de jas stil weer opvouwt, vat dat de hele voorstelling samen: de dood wordt hier omarmd om meer uit het leven te halen. De Clash ademt van alles, maar vooral vitalisme. Het is een ‘memento mori’ dat zich steeds meer ontvouwt als een ‘carpe diem’.
Veel heeft te maken met het spelplezier dat Verkempinck heeft weten aan te spreken bij haar bonte verzameling spelers. Ze hebben het voor elkaar en voor wat ze staan te doen. Dat maakt er bijna vanzelf iets monters van. Na Schemerland bij KOPERGIETERY en Once upon a time in the eyes of Hollywood, twee andere sterke participatieve producties die Verkempinck dit voorjaar realiseerde, blijkt spelregie opnieuw haar grote kracht.
“Verkempinck beheerst de kunde om haar spelers te doen stralen in hun eigen vel.”
Anders dan de generatie sociaal-artistieke makers vóór haar vormt niet zozeer de politieke mededeling het fundament van haar werk, wel de intermenselijke mayonaise tussen wat spelers met verschillende visies en achtergronden er zelf over willen zeggen. Dankzij een helder fictioneel kader en af en toe een uitgesproken beeld worden al die verschillen toch opgediend als één samenhangende flow, met (veel) tekst als vaste onderlegger. Verkempinck beheerst de kunde om haar spelers te doen stralen in hun eigen vel.
Zelfs de symbolische dood van Sakina Pashaj, het jongste meisje op het podium, verandert zo uiteindelijk niets aan de genereuze instelling van de voorstelling tegenover de dood in ons midden. ‘Door hem denken we niet meer aan morgen’, verdedigt de thuisverpleegster die ineens uit het huisje van de Dood is komen opduiken. ‘We denken alleen nog aan vandaag. Aan iedereen die we graag zien, die we koesteren. Aan de mensen die we ver bij hem vandaan wil houden.’
Alle verschillende leeftijden op de bühne lijken daar finaal niet fundamenteel anders over te denken, hoe vief de bijna tachtigjarige Christine ook in verzet blijft gaan tegen de onvatbare inhaligheid van de dood. De voorstelling zelf vertelt iets anders: de dood valt te danken voor de extra waarde die hij aan het leven geeft. En voor alle krachtige gemeenschapsvormende voorstellingen die hij daarmee blijft uitlokken. Tot in de eeuwigheid, amen.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.