Vrede / Kalligrafie Salah Al-Moussawy

Ali Khedher

Leestijd 7 — 10 minuten

De Arabische cultuur of… De parabel van de olifant

Het jaarlijkse Open Forum van IETM (Informal European Theatre Meeting) vond in november 1994 plaats in Brussel. Tijdens zijn openingstoespraak had Ali Khedher, directeur van het Centre Arabe d’Art et de Littérature, het over het eigene van cultuur. Dat die andere wetmatigheden volgt dan politiek, verklaart volgens hem het feit dat de Westerse noch de Arabische macht baat hebben bij het voortbestaan van de Arabische cultuur.

Cultuur en Politiek zijn als twee parallel lopende treinrails: een bedrieglijk perspectief zou ons kunnen doen geloven dat zij elkaar op de horizon kruisen, maar de realiteit leert ons dat dat niet het geval is.

De geschiedenis van de Politiek is een geschiedenis van Macht. Welke ook het levensbeschouwelijke, filosofische of ideologische kader van die Macht was of is, het verhaal van zijn vestiging is dat van een permanente ineenstorting.

De geschiedenis van de Cultuur is een lang proces van bewustwording van het Universum, waarin de mens zich beweegt of zich droomt alnaargelang het gekozen gezichtspunt. De cultuurmens die van zijn tijdperk getuigt of de kennis verrijkt, of de zintuiglijke ervaring van het heden vergroot, verliest zijn kunst als hij zich laat inlijven in de wereld van precisie en stiptheid of in de wanhoop van de financiële wereld; als de cultuurmens een machtsmens wordt, houdt hij op een cultuurmens te zijn. En toch heeft de wereld van de politiek doorheen de eeuwen nooit opgehouden de wereld van de cultuur te gebruiken als bewijs voor het eigen futiele bestaan, voor de eigen continuïteit zonder enige andere samenhang. De Macht heeft zich altijd meester gemaakt van de Cultuur, heeft haar gevangen gezet, verplicht tewerkgesteld, haar ontwikkeling tegengehouden door middel van terreur, censuur of uitsluiting uit de nationale budgetten. Hoewel het parcours van de Cultuur haaks staat op dat van de historische ervaring van de politiek, heeft de Macht, gediscrediteerd door genocides, foltering, vervuiling, morele en materiële degradatie van volkeren, deze Cultuur nodig om geaccepteerd, herkend en geliefd te worden.

De politicus accepteert eender welke oplossing, eender welk compromis, zelfs ten koste van de door hem geprezen ideeën. Terwijl de artiest steeds op zoek is naar het onmogelijke dat de mens groter maakt. Tussen de onwetendheid van de politicus en het verlangen naar een begin van waarheid bij de cultuurmens, is er geen dialoog mogelijk: de culturele handeling is per definitie geen machtshandeling. Zodra ze zich inschrijft in een economische of politieke medeplichtigheid, denkend zo te kunnen overleven, valt ze uiteen.

Ethiek, cultuur, macht

Om redenen van ethiek willen de cultuurmensen geen macht; zij die er zich meester van maken zijn zij die hun bestaan enkel rechtvaardigen door die macht, door luiheid of door onvermogen om verder te gaan. Terugkerend naar het beeld van de rails, kunnen we ons afvragen of in die omstandigheden de rail van de Cultuur, vanwege het misprijzen door de Politiek, zich niet zal ingraven, en de trein van de maatschappij niet zal ontsporen?

Zolang de Cultuur meehelpt om een aspect van de Macht te vergulden, wordt haar enige importantie toegekend. Bijvoorbeeld: zolang het Westen de westerse cultuur kon gebruiken tegen het socialistische blok dat zijn socialistische cultuur moest tonen, werden de creaties vreemd genoeg aangemoedigd… Tegenwoordig, onnodig om te blijven veinzen, lijken de westerse machten toe te geven dat de subcultuur die zij voortbrengen ruim voldoende is om de Derde Wereld te verblinden en te overtuigen, en dat als hun eigen wereld al voldoende problemen heeft met werkloosheid, inflatie en vervuiling, de anderen hen niet komen lastig vallen met toestanden van kunstenaars en denkers.

Het echte probleem is dus een probleem van middelmatigheid. Mannen en vrouwen van de Macht, die een gefragmenteerd en middelmatig beeld van de werkelijkheid hebben, hebben niet de intentie mensen die meer ontwikkeld zijn dan zijzelf te helpen of te dienen. Ze zijn dusdanig begaan met het verdedigen van hun eigen kleine ‘persoonlijkheid’, of met de ‘nationale persoonlijkheid’ dat zij met een grote zucht van opluchting het woord ‘cultuur’ in handen geven van sociologen en antropologen of van psychiaters, als zij het al niet doodeenvoudig aan hun inlichtingendiensten overlaten.

Maar welke zijn dan de implicaties van een culturele constructie dat zij de machthebbers zoveel schrik bezorgen?

Terwijl Hallaj (een moslim mysticus, gemarteld in de 9de eeuw) uitroept: ‘Ik ben de creatieve Waarheid’, realiseert hij zich dat hij niet het centrum van de wereld is; en zijn kleine ‘ik’ lost zich op in een oneindig geluk. Daar ligt een sleutel: als klein onderdeel van de mensengemeenschap, ben ik ook medeverantwoordelijk voor haar realisatie, medeverantwoordelijk voor de te nemen weg, voor de uitvinding van het heden, voor de permanente creatie van de wereld! En de wereld raakt bezield, in de eigenlijke betekenis van het woord: ‘hij krijgt een ziel’.

Vitaliteit

De Cultuur, een woord dat voortdurend opgeëist wordt door de glorierijke onwetendheid, is een constante adaptatie van elementen die deel uitmaken van de

culturele traditie, verrijkt met de ontdekking, de aandacht voor het heden. Het is het geheel van creaties en hun verspreiding, de produkten van een veeltal van kunstenaars uit eenzelfde groep (etnisch, religieus, ideologisch of sociaal) die de publieke verworvenheid van het cultureel patrimonium wordt.

Men zou ook kunnen zeggen dat de cultuur de notatie, de permanente registratie (in al zijn vormen) is van de artistieke creaties, van de proposities van het denken en van de praktische kennis. Het eigene van een cultuur is zijn vitaliteit. De cultuur groeit altijd uit de culturele traditie om haar verder te zetten of te verwerpen. Het oeuvre keert naar de tijd en de traditie terug om een ander oeuvre te creëren in het heden. De produktie-omstandigheden zijn niet vaak die van de vrijheid, maar een oeuvre die naam waardig impliceert altijd een veeleisender notie van de vrijheid. En is het niet aan deze vrijheidseis dat we, net als in de liefde, de authenticiteit van het oeuvre herkennen. Elk kunstwerk is een uitnodiging aan de vrijheid, maar doet naargelang het niveau van zijn conceptie een beroep op verschillende uitdrukkingen van die vrijheid.

In de mate dat de ‘poëtische droom’ van de mens een representatie is van de concrete en actieve ontdekking van zijn zintuiglijkheid en van de daadwerkelijke weg die hij hierdoor kan afleggen, zou men kunnen zeggen dat de creaties van de mens waarachtiger en solider zijn dan de mens zelf. En dat de poëtische droom van deze creaties waarachtiger en solider is dan de creaties die zelf vergankelijk zijn, maar waarvan het bestaan niet kan uitgewist worden? En wel omdat iedere creatie door het Een en het Al, het Binnen en het Buiten, het Zeggen en het Luisteren, het Intelligente en het Sensibele in zich te verenigen, tijdloos wordt?

Iedere nieuwe creatie is een vertaling in een concrete taal van de abstractie waarin zich het menselijke bewustzijn beweegt. De kunstenaar, die de motor is van dit bewustzijn, verdwijnt achter zijn oeuvre.

Deze Cultuur, universeel menselijk in haar concretisering van de herinnering, in haar tegenwoordigstelling, functioneert en reproduceert zich buiten de Macht, buiten het systeem om. Een religie kan een keurslijf opleggen en de stroom van de creativiteit verplichten te meanderen, en het resultaat kan briljant zijn, zoals de christelijke schilderkunst of de arabische calligrafie het aantonen, maar een religie kan een cultuur niet volledig wurgen als ze er een nieuwe wil uit creëren. Een fascistische ideologie daarentegen kan door een aanval op de energie zelf van de creator, door een nivellering van onderaf, een cultuur bedreigen en vernietigen.

Elite

Zonder extreme voorbeelden aan te halen, kan opgemerkt worden dat voor eender welke politicus een theater, een concertzaal, een galerie of een opera geprivilegieerde plaatsen voor een elite zijn (terwijl de gebouwen waarin de bureaucraten zich ophopen in zijn ogen de echte plaatsen van het volk zijn). Ja, de politici spreken allemaal over ‘elite’, over ‘academische cultuur’ om haar te promoten in kleine cirkels of om haar uit de dagelijkse werkelijkheid te bannen met het onaanvaardbare voorwendsel dat ze niet ‘voor het volk’ is. Twee houdingen die bijdragen tot het opzettelijke verlies van deze cultuur. Voor de cultuurmens zijn deze plaatsen prioriteiten die voor iedereen open moeten staan. Wanneer men spreekt over een democratische cultuur, dan gaat het niet om de verarming, de uitwissing of de vernietiging van een cultuur, maar wel om het vergemakkelijken van de toegang tot die cultuur, in al haar finesses, in al haar grootsheid, voor de minst bedeelden onder ons. Uiteraard zal dat hen doen ontwaken en zullen zij niet meer zo gedurig hun vernederende levensomstandigheden van onwetenden en verschoppelingen ondergaan… Ieder moreel of sociaal organisme dat zich de poging ontzegt om door middel van verbeelding tot organisatie van de chaos en peiling van het onbekende te komen, aanvaardt daadwerkelijk de fataliteiten die de mens inperken en zijn onderwerping in het algemeen, hetzij aan een concept, een geloof of een macht.

Of het nu gaat om degene die schrijft of degene die leest, degene die schildert of degene die kijkt, degene die de maat slaat of degene die danst, degene die een smaak ontwikkelt of degene die het oeuvre opeet, dit opgaan van het mentale in een geprivilegieerd vitaal element, deze communicatie van een fragment van het menselijk bewustzijn met zijn reservoir, drager van een diepgang in de tijd, van een dichtheid in de huidige ruimte, een kort moment vol licht, een intieme gemeenschap met het Al van onze essentie, legt aan de ethiek de plicht op om ‘meer te zijn’, om vrij te zijn.

De gedragingen ten gevolge van sociale verdrukking of uitsluiting hebben uit zichzelf niet de waarde van uitwisseling, zijn geen dragers van ‘interculturaliteit’. Men zou kunnen zeggen dat de kwaliteit van de cultuur om universeel te worden en tegelijk geworteld te blijven in de eigen traditie, zeer precies de grens aangeeft tussen het respect voor de andere in haar oeuvres en het demagogisch misprijzen dat het gebrek toejuicht.

En de Arabische Cultuur? Zij bestaat, zij bestaat door hen die haar voortbrengen en door hen die haar gastvrijheid aanbieden, wat de economische, politieke, ideologische contradicties ook mogen zijn van wat men ondanks alles, en dat is veelbetekenend, de ‘Arabische Wereld’ noemt. Zij bestaat, in afwachting van de dageraad van haar executie. De Westerse Machten hebben geen enkel belang bij het in stand houden van wat onmiddellijk zou kunnen functioneren als gist, als een tegenkracht, in een Arabische wereld om af te slachten of te plunderen al naargelang de meningen. En de Macht in de Arabische wereld staat volledig ten dienste van de Westerse Macht. Zal het ook deze keer de universele gemeenschap van de cultuurmensen niet zijn die de inzet redt? Zal het niet in dit Europa zijn, waar het vuur van de beschaving nog brandend gehouden wordt, dat er een bewustwording zal plaatsvinden?

Een parabel van Rumi, een Perzisch dichter uit de 13de eeuw, vertelt het volgende:

De parabel van de olifant

Geschil naar aanleiding van zijn beschrijving en zijn vorm.

De Hindoes hadden een olifant meegebracht; zij stelden hem tentoon in een donker huis.

Talrijke personen kwamen binnen, een na een, in het donker om hem te bekijken.

Omdat ze hem niet konden zien, betastten zij hem met de hand.

De ene legde zijn hand op de slurf; hij zei: ‘Dit schepsel is als een waterslang.’

De andere raakte een oor aan; het deed hem denken aan een waaier.

Een derde greep hem bij een poot en verklaarde: ‘De olifant heeft de vorm van een zuil.’

Na hem de hand op de rug te hebben gelegd, zei een volgende: ‘Om de waarheid te zeggen, deze olifant is als een troon.’

Iedere keer als iemand een beschrijving van de olifant hoorde, begreep hij die beschrijving naargelang het deel dat hij had aangeraakt.

Hun bevestigingen varieerden naargelang hetgeen zij hadden gezien: de ene noemde hem dal, de andere alif.

Indien ieder van hen een kaars had gehad, dan zouden hun beschrijvingen niet van elkaar hebben verschild.

Wanneer een cultuur onbekend – is, hebben de personen die haar benaderen, zoals de personen die de olifant in het donker betasten zonder er een beeld van te hebben, de neiging om er zich een vastomlijnd idee van te vormen, verdergaand op wat ze ervan kunnen begrijpen: ‘De ene noemde haar dal, de andere alif’.

Zouden bescheidenheid en licht de sleutels zijn voor het ontdekken ervan?

O dierbaar menselijk patrimonium!

Vertaling Erwin Jans

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#48

15.02.1995

14.05.1995

Ali Khedher

artikel