C’est du chinois, Edit Kaldor © Tom Croes

Leestijd 3 — 6 minuten

Dagdagelijkse vertaaloefeningen

In de economie van ons dagelijks leven zorgen babylonische spraakverwarringen voor chaos, onbegrip en verlies van kostbare tijd. Maar in het theater gelden andere wetten, volgens theatermaker en -schrijver Joachim Robbrecht.

‘起きて. お腹が空いた’ Japans is vaak het eerste wat ik ’s ochtends hoor, een taal die ik nauwelijks spreek maar waar mijn partner en dochter het liefst in converseren. Aangezien ik op het kruispunt tussen de Europese wijk en Matongé woon, hoor ik tijdens een korte wandeling naar de school van onze dochter al een dozijn Afrikaanse en Europese talen. Op het schoolplein hoor ik Farsi, Arabisch, Spaans, Frans, Russisch, Pools, Duits en meer. Als ik me dan naar de masteropleiding waar ik werk begeef, hebben de meeste studenten elk een andere moedertaal. Wanneer ik naar het Flageyplein loop, staat langs de ene kant een standbeeld ter nagedachtenis van schrijver Charles De Coster, die in het Frans het flamingantisme beleed, en aan de andere kant een beeld van Fernando Pessoa met het opschrift ‘Minha Patria é a lingua portuguesa’.

“Een extreme vertaaloefening voert ons volgens filosoof Vilém Flusser ‘naar de grenzen van het Zelf’.”

Dat statement onder het beeld van Pessoa roept bij mij de vraag op welke taal mijn thuisland is. En of ik überhaupt zo’n statement zou kunnen maken, gezien de veeltalige omgeving waar ik meestal in vertoef. Eerlijk gezegd is het Nederlands waarin ik ben opge­groeid behoorlijk geërodeerd. In 2010 vertaalde ik The Golden Boy van Clifford Odets naar het Vlaams. De tekst zit vol dialectische uitdrukkingen en zegswijzen die vandaag niet meer tot mijn repertoire behoren. Ik zou niet meer in staat zijn de tekst op deze manier te vertalen. En toch is mijn Gentse tongval nog steeds flink hoorbaar. Maar ook mijn Noord­-Nederlandse accent en een boel Duitse woorden die in mijn woordenschat zijn geslopen kan ik niet meer verbergen omdat ik in die landen zo lang heb gewoond.

In 2010 maakte ik de voorstelling Rosto in Turansureishon in het Japans. Op basis van Sofia Coppola’s film Lost in Translation bedacht ik een scenario waarin twee Japanse toeristen door het Nederland van 2028 zouden dwalen. We speelden de voorstelling ooit in Istanbul en ik bediende zelf de boventiteling die de Japanse dialoog naar het Turks vertaalde. Ik bemiddelde tussen twee talen die ik niet begreep, louter op basis van klanken, ritme, gestes van de acteurs. In de zaal zat een bescheiden publiek van Nederlands-­, Japans-­ en Turkstaligen, maar waarschijnlijk niemand die alles ‘begreep’. Deze en andere voorvallen, waarin talige communicatie plotseling voorbij de binaire tegenstelling ‘begrijpelijk­-onbegrijpelijk’ een absurde poëtische ervaring wordt, ervaar ik op het toneel steeds weer als hoogtepunt.

Een dergelijk hoogtepunt was bijvoorbeeld ook de voorstelling C’est du chinois (2010) van Edit Kaldor, waarin een (fictieve) Chinese familie het publiek Mandarijn aanleert. Als toeschouwer dreunen we luidop de aangeleerde frases na en worden we zo uitgedaagd ons met het Mandarijn en met hun verhaal te verbinden. De hele voorstelling is een lange nagenoeg onmogelijke vertaaloefening waarin het publiek, dat het Mandarijn niet machtig is, tast naar referentiepunten en begrip.

“In het theater creëert talige verwarring spanning, en vormt ze een poort naar het niets dat
het maatschappelijke gesprek omringt.”

Zo’n extreme vertaaloefening voert ons volgens filosoof Vilém Flusser ‘naar de grenzen van het Zelf’1. Wanneer Franstaligen bijvoorbeeld de titel ‘C’est du chinois’ naar het Engels vertalen, moeten zij absurd genoeg zeggen: ‘It’s Greek to me!’ In zijn werk De filosofie van de taal toont Flusser theoretisch aan dat wie vertaalt ‘het Zelf moedwillig moet elimi­neren’2. De vertaaloefening verlegt de focus van taal als thuisland naar taal als relatie.

Het doet ons beseffen dat eindeloos vertalen tussen het ik en de ander ons lot is. Maar het gaat er in dit theater van de vertaling mijns inziens niet zozeer om uiteindelijk thuis te komen of tot begrip te komen. Het gaat, ook volgens Flusser, juist om de grenservaring, het spannende gevoel dat we aan de grens van onszelf en aan de grens van de mogelijke communicatie komen. We openen ons ‘voor het Niets dat onze conversatie omringt’3. ‘Language no problem’ valt af en toe in het programmaboekje van een theater te lezen. Meestal duidt het op de complete afwezigheid van gesproken taal in een voorstelling, en het suggereert dat ‘de problemen’ daarmee van de baan zijn. Als je die redenering door­trekt is paradoxaal genoeg de meest probleemloze taal een taal zonder woorden.

In zijn boek The Uprising, On Poetry and Finance, beschrijft Franco ‘Bifo’ Berardi hoe het leven ons vaak als een aaneenschakeling van transacties wordt gepresenteerd, waarbij de taal vooral dienstbaar en dus helder en duidelijk moet zijn. De mogelijkheid tot onbegrip of babylonische spraakverwarring vormt binnen zo’n maatschappelijk regime een bedrei­ging4. Maar in het theater creëert die verwarring spanning, en vormt ze een poort naar het niets dat het maatschappelijke gesprek omringt. Juist uit dat niets kan iets van een nieuwe wereld opdoemen waar letterlijk andere en speelsere wetten gelden. Taal in het theater moet zich daarom voor mij juist wel als probleem of uitdaging opstellen. Ze moet ons uitnodigen tot vertalen, in letterlijke of figuurlijke zin. Daarom mag taal op scène wat mij betreft unheimlich zijn, om maar eens een onvertaalbaar woord te gebruiken waarin de stam van het woord Heimat resoneert, de Duitse vertaling van Pessoa’s patria.

1Flüsser, V. (2016). Philosophy of Language. Minneapolis: Univocal, p. 70 (eigen vertaling uit de Engelse vertaling van Rodrigo Maltez Novaes)2Flüsser, V. (2016). Ibid. p.703Flüsser, V. (2016). Ibid. p.754Berardi, F. (2012). The Uprising. On Poetry and Finance. Cambridge: Semiotext(e)

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#169

15.09.2022

14.12.2022

Joachim Robbrecht

Joachim Robbrecht is lid van de kleine redactie van Etcetera. Hij schrijft en maakt toneel en werkt onder meer samen met Sarah Moeremans en Enkidu Khaled. Daarnaast is hij betrokken bij de masteropleiding DAS Theatre (Amsterdam).

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!