Steven Engels

Leestijd 16 — 19 minuten

Claude Mauriac en Le temps immobile

Beknopte bijsluiter bij een levensproject

De Franse schrijver Claude Mauriac – zoon van – schreef een autobiografie van 14 delen. Hij werkte er bijna driekwart eeuw aan. Steven Engels over een fascinerend project.

De autobiograaf is vaak een veelschrijver. Zelden stelt hij zich tevreden met het werk dat hij net voltooide. Jean-Jacques Rousseau bijvoorbeeld (volgens velen nog steeds de vader van de moderne autobiografie) wist van geen ophouden. Meteen na de voltooiing van Les confessions – een werk dat op zich al zes jaar in beslag nam – wijdde hij zich aan Rousseau juge de Jean-Jacques, kort daarop gevolgd door Les rêveries du promeneur solitaire die hij, op het moment van zijn dood, onvoltooid achterliet. Hoewel niet elke autobiograaf schrijft tot op het sterfbed, is Rousseau als recidivist onder de autobiografen geenszins een uitzondering. Op zich is dat ook niet verwonderlijk. Vaak komt het er voor de autobiograaf op aan het eigen leven in zijn totaliteit te overschouwen en betekenis te verlenen. Meestal wordt deze geïnterioriseerde ‘genrewet’ door de schrijver erg letterlijk begrepen: het eigen leven in zijn totaliteit betekent dan het eigen leven tot en met de dood. Gebeurtenissen uit het verleden krijgen immers pas betekenis wanneer ze in retrospect worden belicht vanuit een meer actueel perspectief. Nu dienen zich tijdens het schrijfproces niet alleen steeds nieuwe gebeurtenissen aan die op hun beurt moeten worden ingepast in het geheel, bovendien verschuift ook steeds het perspectief van de auteur zodat de reeds geïnterpreteerde delen van het eigen verleden plotseling voor herinterpretatie vatbaar worden in het licht van hun meest recente nawerkingen. De definitieve voltooiing van de autobiografie wordt op die manier steeds verder uitgesteld tot de dood van de autobiograaf, als onmogelijkheid van elke mogelijke voltooiing, aan dit uitstel een einde maakt. Kortom, als afgerond levensproject lijkt de autobiografie onmogelijk, ook al getuigen de talloze Voltooide autobiografieën’ die ieder jaar in de boekhandel verschijnen op het eerste gezicht van het tegendeel.

Louter formeel beschouwd lijkt het dagboek diametraal tegenovergesteld aan de autobiografie. Hier is geen sprake van een min of meer organisch geheel van post factum begrepen gebeurtenissen, maar van een discontinue opeenvolging van fragmenten. Nu en dan noteert de dagboekschrijver wat impressies of ideeën, beschrijft hij wat hij die dag heeft gedaan of laat hij zijn dagboek weten dat hij niets te vertellen heeft. Ook hier spelen een aantal genrewetten’ mee die de voltooiing van het werk principieel onmogelijk maken. In tegenstelling tot de autobiograaf, die terugblikt op het eigen leven, onderwerpt de dagboekschrijver zich gedwee aan de chronologie van de kalender. Of hij nu dagelijks schrijft of eerder sporadisch naar zijn dagboek terugkeert, of hij de ingangen in het journaal wel of niet dateert, speelt niet eens zo’n grote rol. Belangrijk is vooral dat elk nieuw tekstfragment automatisch een volgend oproept. Een dagboekfragment is nooit een afgerond en autonoom geheel zoals het essay, maar krijgt pas betekenis in de opeenvolging waarin het zich inschrijft. Die opeenvolging is lineair juxtaposerend eerder dan organisch. Van een zoektocht naar een ultiem perspectief van waaruit de totaliteit van het leven kan worden overzien is hier geen sprake. Streeft de autobiografie naar een onmogelijke geslotenheid, het dagboek blijft per definitie open, het berust in de eigen onvoltooidheid en kan telkens opnieuw weer worden geopend.

Hoewel ze beiden tot de categorie van de egodocumenten worden gerekend, verschillen de autobiografie en het dagboek fundamenteel van mekaar wat betreft hun interne structuur, zozeer zelfs dat slechts weinig auteurs zich aan beide registers tegelijkertijd hebben gewaagd. Immers, zoveel is intussen duidelijk, het dagboek veronderstelt een heel andere houding ten aanzien van het eigen ik dan de autobiografie. Natuurlijk zijn ook op deze regel uitzonderingen. André Gide bijvoorbeeld, auteur van het overbekende Journal, maar ook van Si le grain ne meurt. In het geval van Gide blijven de beide genres nog strikt gescheiden en is er van wederzijdse bevruchting hoegenaamd geen sprake. In het geval van Claude Mauriac echter liggen de zaken heel anders. In het tiendelige Le temps immobile brengt hij beide genres met elkaar in aanraking wat leidt tot een enigszins bevreemdend, maar daarom juist fascinerend autobiografisch levensproject waar net geen driekwart eeuw aan is gewerkt. Een levensproject in de meest letterlijke zin van het woord dus.

Een leven

Geboren in 1914 als zoon van François Mauriac en Jeanne Lafon, staat Claude Mauriacs adolescentie helemaal in het teken van de twee grote passies die hij van thuis uit meekreeg: de politiek en de literatuur. Gefascineerd door zijn vaders succes, droomt hij van een carrière als romancier. Intussen studeert hij rechten, maar concentreert hij zich vooral op het schrijven van essays en studies over de meest uiteenlopende figuren uit de literaire wereld. Zijn allereerste publicatie over de surrealistische dichter Jouhandeau verschijnt in 1938.

Tijdens de oorlog kiest Claude, net als zijn vader, de kant van het verzet, hoewel hij er veel minder actief bij was betrokken dan François. Meteen na de oorlog wordt hij benoemd als privé-secretaris van Charles de Gaulle. Twee jaar lang verzorgt hij van dag tot dag de persoonlijke correspondentie van het kersverse staatshoofd voor wie hij een grote bewondering koestert. Ook na het aftreden van De Gaulle in 1946, blijft Claude goede contacten met hem onderhouden. Als hoofdredacteur van het gaullistische tijdschrift Liberté de l’esprit blijft hij  actief in het politieke veld en steunt ten volle het Rassemblement du peuple français (RPF) dat hoopt op de terugkeer van de generaal. Naast zijn politieke engagement blijft Claude ook actief als literair essayist. In de twee jaar onmiddellijk na de oorlog publiceert hij vier verschillende monografieën die een erg brede interesse verraden (Jean Cocteau ou la Vérité du mensonge, Aimer Balzac, La trahison d’un clerc (over Julien Benda) en André Malraux ou le Mal du héros). Hij verdient intussen de kost met het schrijven van een schier eindeloze reeks voorwoorden bij pocketuitgaven van de meest uiteenlopende auteurs en daarnaast ook als filmrecensent bij de traditioneel rechtse krant le Figaro, waar ook zijn vader medewerker van was.

Vanaf het begin van de jaren vijftig loopt Claude Mauriac warm voor de vernieuwingsbeweging in de literatuur die bekend staat als le Nouveau Roman. Hij draagt zijn steentje bij als essayist; met een aantal korte essays over o.m. Nathalie Sarraute, Alain Robbe-Grillet en Michel Butor die in 1958 voor het eerst worden gebundeld onder de titel L’allitérature contemporaine. Intussen hoopt Claude nog steeds op een carrière als romancier. Pas in 1957 publiceert hij zijn debuut, Toutes les femmes sont fatales. Het wordt het eerste deel van een cyclus van vier, met als titel Le dialogue intérieur. Het boek geniet slechts een matige belangstelling vanwege de critici. Het tweede deel van de cyclus, Le dîner en ville, kent heel wat meer succes en wordt in 1959 bekroond met de Prix Médicis. Ondanks die prijs blijft het voor Mauriac wachten op de grote doorbraak, een doorbraak die er nooit echt zal komen. In de periode 1966- 1992 verschijnt een tweede cyclus onder de titel Les infiltrations de l’invisible die dit keer uit zeven verschillende delen bestaat. Intussen leverde hij ook een aantal korte theaterstukken af, die al evenmin op een ruime belangstelling kunnen rekenen.

Sinds het ogenschijnlijk definitieve vertrek van De Gaulle in 1953 is Claude Mauriac de facto politiek dakloos. Al zijn energie gaat naar het eigen creatieve werk, hoewel hij geïnteresseerd zijn vaders politieke bemoeienissen volgt aan de zijde van Pierre Mendès-France en als woordvoerder van France-Maghreb. Wanneer De Gaulle vijf jaar na het failliet van het rpf opnieuw het politieke forum betreedt, is Mauriac aanvankelijk erg enthousiast. Al snel echter neemt hij meer afstand van een regime dat hevig wordt bekritiseerd door progressief links. Mauriac twijfelt heel lang en herevalueert voortdurend de eigen plaats in het politieke spectrum. Tijdens de gebeurtenissen van mei ’68 kiest hij resoluut de kant van de contesterende studenten en gaat daarmee in tegen zijn vader en tegen andere gaullisten van het eerste uur zoals Raymond Aron.

De breuk met het regime is definitief. Vanaf het begin van de jaren zeventig engageert Mauriac zich volop in het gauchistische milieu met o.m. Jean Genet, Jean-Paul Sartre en de talloze ultralinkse groupuscules die sinds ’68 de straten van Parijs veroverden. Zijn intellectuele engagement neemt de vorm aan van een reeks punctuele interventies in erg diverse kwesties, meestal aan de zijde van Michel Foucault, in wie hij een nieuw type geëngageerde intellectueel’ herkent. Met deze laatste is Mauriac onder meer actief betrokken bij de Groupement des informations sur les prisons (GIP) die de levensomstandigheden in de Franse gevangenissen aanklaagt. Typisch voor deze generatie Franse intellectuelen is de internationale dimensie die hun politiek en sociaal engagement aanneemt. Dat geldt ook voor Mauriac die in 1978 zijn steunt betuigt aan de Vietnamese bootvluchtelingen en deelneemt aan de acties van het comité Un bateau pour le Vietnam waarvan onder meer Bernard Kouchner (in 1971 medeoprichter van Médécins sans Frontières) en André Glucksmann de initiatiefnemers waren. Eerder al reisde Mauriac, met Foucault, af naar het Franquistische Spanje om er te protesteren tegen het uitvoeren van de doodstraf.

Naarmate de gauchistische groeperingen, aan wiens zijde Mauriac sinds 1971 actie voert, afglijden naar steeds extremere en steeds gewelddadigere vormen van protest, neemt hij er meer en meer afstand van, vanuit de overtuiging dat geen enkel doel zo verheven is dat het alle middelen heiligt. De gewetenscrisis zo kenmerkend voor een hele generatie Franse intellectuelen aan het einde van de jaren zeventig, vertaalt zich in het geval van Mauriac in een definitief afscheid van het collectieve engagement. Hoewel hij als journalist nog steeds op zoek gaat naar het ‘ontoelaatbare daar waar het zich verbergt’, treedt hij min of meer terug uit de publieke sfeer om zich integraal te wijden aan Le temps immobile.(1)

Een project

Het schrijven zat Claude Mauriac reeds van jongsaf in het bloed. Sinds 1922 – Mauriac is op dat moment acht jaar – hield hij trouw een dagboek bij. Wat aanvankelijk niet meer was dan een onschuldig spel, groeit al snel uit tot een volwaardige en zelfs enigszins obsessionele activiteit. Haast dagelijks vult hij één of meer pagina’s in wat zal uitgroeien tot een monumentaal journaal. Vanaf het begin van de jaren zestig reeds speelt hij reeds met de idee om met deze enorme stapel papier ook daadwerkelijk iets aan te vangen.(2) Uiteindelijk zal het nog meer dan tien jaar duren voor Mauriac zijn plannen ook daadwerkelijk begint te realiseren. Wat in 1974 onder de titel Le temps immobile verschijnt is niet zomaar een dagboek zoals er zovele zijn maar eentje dat grondig is bewerkt door de auteur. Terugblikkend op zijn leven herschikt Mauriac de verschillende fragmenten van zijn journaal en tracht zo een andere – niet chronologische – ordening aan te brengen in het geheel. Aan de tekst van het dagboek zelf wordt, als we de auteur mogen geloven, niet geraakt. Door een alternatieve ordening aan te brengen in het geheel ontstaat een op het eerste gezicht erg chaotische ‘reorkestratie’ van het oorspronkelijke werk, die jaar na jaar wordt aangevuld en uiteindelijk tien boekdelen zal beslaan, gepubliceerd tussen 1974 en 1988. Tijdens het herschikken becommentarieert Mauriac voortdurend de eigen activiteit, wat dan weer zorgvuldig gedateerde fragmenten oplevert die inzicht verschaffen in de niet altijd even consequente drijfveren van de auteur. Bovendien houdt hij eraan in het eigen werk een veelheid aan fragmenten op te nemen afkomstig uit andere dagboeken en memoires van auteurs als Stendhal, Gustave Flaubert, Eugène Ionesco, Julien Green en vooral van zijn vader, François Mauriac. Op die manier ontstaat een erg polyfonisch geheel waarin de verschillende stemmen nu eens samen klinken en dan weer mekaar tegenspreken.

Voor wie enigszins vertrouwd is met de Franse intellectuele geschiedenis van de laatste driekwart eeuw vormt Le temps immobile fascinerende lectuur. Gezien Mauriacs levenswandel is dat ook niet verwonderlijk. Hoewel hij zelf nooit echt een hoofdrol vertolkte op de publieke scène, kruisten de meest uiteenlopende figuren uit het intellectuele en het artistieke veld vaak voor een langere periode zijn pad. Hierboven werden er reeds een aantal genoemd: François Mauriac, André Gide, Charles de Gaulle, Jean-Paul Sartre en Michel Foucault. Deze en nog heel wat andere figuren uit het Franse artistieke en/of politieke leven spelen in Le temps immobile een belangrijke rol. Ik noem er nog een paar, willekeurig geplukt uit een lange lijst: André Malraux, Louis Aragon, Georges Pompidou, François Mitterrand,… Zelfs zonder lichte overdrijving kan worden gesteld dat Claude Mauriac één van de meest bevoorrechte getuigen is geweest van de laatste 75 jaar van de Franse geschiedenis. Zijn dagboek kon dan ook rekenen op de belangstelling van een aantal biografen en historici, vooral dan omdat Mauriac, veel meer dan bijvoorbeeld André Gide, tijdens het schrijven van zijn dagelijkse journaal aandacht besteedde aan de hem omringende werkelijkheid eerder dan aan het eigen ik. Le temps immobile laat zich lezen als het relaas van honderd en één ontmoetingen en gesprekken over de Franse literaire en politieke milieus van de Académie tot de Champs Elysées.

Tot nog toe echter werd Mauriacs cyclus zelden of nooit als een literair project gelezen. Dat heeft wellicht te maken met de omvang (meer dan 6000 pagina’s), maar vooral ook met de geringe toegankelijkheid van het werk. Dagboeken zijn op zich al moeilijk leesbaar. In zijn journaal noteert de dagboekschrijver meestal wat hem zopas is overkomen; de voor hem erg actuele gebeurtenissen behoeven geen duiding en worden dan ook vaak in een erg elliptische vorm aan het papier toevertrouwd. Voor de lezer echter maakt dat de interpretatiearbeid geenszins eenvoudiger. In de meeste gevallen volstaat het eenvoudigweg verder te lezen om te begrijpen waar het allemaal om draait: de onmiddellijke context helpt bij het ontcijferen van het fragment in kwestie. Wanneer deze onmiddellijke context evenwel niet onmiddellijk voorhanden blijkt, zoals in Mauriacs reorkestratie, liggen de zaken heel wat moeilijker: vaak is het lang zoeken naar het ontbrekende stukje in de puzzel dat duidelijk maakt over wie of wat het nu precies gaat. Daarmee is de kous nog lang niet af: het volstaat niet te weten naar welke gebeurtenis elk fragment verwijst; het pure ontcijferen van Mauriacs dagboek is enkel het begin van een echte lectuur. Wie Le temps immobile ernstig wil nemen als een literair project, moet trachten Mauriacs autobiografische summa te begrijpen als een poging vanwege de auteur om de eigen geschiedenis te herschrijven en een nieuwe betekenis te verlenen. Dat vereist een soepele lectuurstrategie die rekening houdt zowel met de interne compositie van het werk als met de context(en) waarin het zich inschrijft.

Fase 1: het dagboek

Het dagboek, zo zeiden we hierboven reeds, onderscheidt zich van de autobiografie door zijn discontinue karakter. Hoewel ook de autobiografie zelden in één ruk wordt geschreven, wordt de tijd die aan het schrijven is besteed haast nooit tot thema van het werk zelf: vaak worden alle sporen die ze naliet zorgvuldig uitgewist, zodat de indruk ontstaat van een min of meer coherent geheel. Bij het dagboek ligt dat anders. Hier zet de auteur zijn activiteit op gezette tijdstippen verder (dagelijks, wekelijks of met erg onregelmatige tussenpozen). Of hij de verschillende fragmenten dateert of niet is van minder belang; belangrijk is dat de dagboekschrijver de act van betekenisgeving toevertrouwt aan het gestaag voortschrijden van de tijd. Benieuwd naar wat hem te wachten staat, onderwerpt hij zich aan het ritme van de kalender. Misschien kan het dagboek nog het best begrepen worden als een hermeneutisch of existentieel project waarin de auteur op zoek gaat naar de eigen plaats in de werkelijkheid die hem omringt: in de confrontatie met de objectieve tijd van de kalender onderzoekt de auteur zijn eigen plaats in de geschiedenis en analyseert hij van dag tot dag de eigen positie ten aanzien van anderen. Zo opgevat laat het dagboek zich lezen als de geschiedenis van een dagelijks herhaalde geste met haar eigen structurerende beginselen. Deze laatste echter liggen niet eens en voor altijd vast, maar zijn afhankelijk van de houding die de auteur aanneemt ten aanzien van het eigen schrijven. Sommige dagboekschrijvers hebben, wanneer ze hun journaal aanvatten, een duidelijk doel voor ogen. André Gide bijvoorbeeld beschouwde het dagelijkse schrijven als een continu herhaalde ‘morele oefening’.(3) Anders dan bij Gide ligt de finaliteit van Mauriacs dagboek niet van meet af aan vast. Toen hij als achtjarige voor het eerst besloot zich aan zijn journaal toe te vertrouwen, had hij daarmee geen duidelijk doel voor ogen. Pas gaandeweg tracht hij betekenis te verlenen aan datgene wat intussen een haast obsessionele routine is geworden. Wat daarbij opvalt is dat die betrachting haast gedoemd lijkt om te falen: Mauriac slaagt er niet altijd in inzicht te verkrijgen in de betekenis van de eigen activiteit die zich als het ware buiten zijn wil om voltrekt. Hoewel hij dit op bepaalde momenten zelf ook inziet, kan hij er zich maar moeilijk bij neerleggen: tegen elke prijs tracht hij de eigen activiteit te rechtvaardigen en neemt daarbij wisselende poses aan. Een eerste analyse van het dagboek levert dan ook de geschiedenis op van een project dat zichzelf voortdurend herformuleert; het is de geschiedenis van een subject dat zich steeds op een andere manier verhoudt tot de tirannieke structuur van het dagelijkse schrijven waar hij geen afstand kan van nemen.

Aanvankelijk neemt het dagboek de vorm aan van een familiekroniek en is de toon eerder intimistisch en anekdotisch. Na de dood van zijn neef Bertrand die Mauriac hevig heeft aangegrepen (hij komt er nog herhaaldelijk op terug, tot zelfs vijftig jaar na de feiten), sluipen langzaam maar zeker tentatieve metafysische beschouwingen omtrent de tijd en de menselijke eindigheid in het journaal. Het dagboek verliest plots veel van zijn vrijblijvendheid: het lijkt alsof Mauriac de gebeurtenissen uit zijn jonge leven wil vasthouden in het besef dat ze weldra tot het verleden zullen behoren. Vanaf het begin van de jaren dertig reeds, maakt hij kennis met de politieke werkelijkheid. Mauriac noteert zorgvuldig de hoofdlijnen van het nieuws en de commentaar die daarbij door o.m. zijn vader wordt geleverd. De dagboekauteur heeft een registrerende functie: de auteur baant zich een weg door de veelheid van informatie die op hem afkomt, maar heeft voorlopig nog geen eigen stem. Die komt er kort daarna: vanaf het midden van de jaren dertig neemt het journaal de vorm aan van een continu gewetensonderzoek. Mauriac neemt de eigen situatie onder de loep, wordt zich bewust van de eigen klassegebondenheid en tracht zich tot die eigen klasse op een constructieve manier te verhouden. Tijdens de oorlogsjaren verdwijnt het politieke paradoxaal genoeg op de achtergrond naarmate de dagboekauteur het mondaine Parijse leven ontdekt. Gedurende een korte periode staat het intieme ik opnieuw centraal om plots weer te verdwijnen na de bevrijding. Wanneer Mauriac zich engageert aan de zijde van De Gaulle is hij ervan overtuigd de geschiedenis te beleven daar waar ze gemaakt wordt. Zonder enig onderscheid noteert hij zorgvuldig alles wat door De Gaulle en zijn onmiddellijke medewerkers wordt gezegd en gedaan. Het bijhouden van het dagboek wordt een uitputtende activiteit die hij, niettegenstaande de erg drukke dagindeling, consequent tracht vol te houden. Tevergeefs: voor het eerst loopt Mauriac achter op de kalender; herhaaldelijk ziet hij zich genoodzaakt een aantal dagen terug te keren in de tijd om de eigen notities van deze of gene dag aan te vullen en uit te schrijven. Voor een persoonlijke verhouding tot het eigen ik is er hoegenaamd geen plaats meer: de buitenwereld lijkt de intieme sfeer integraal te hebben opgeslokt. Vanaf het begin van de jaren vijftig wordt het voor Mauriac weer wat rustig, wat hem de tijd geeft terug te blikken en zich te bezinnen over het door hem afgelegde traject. Hij doorbladert zijn dagboek en raakt ontmoedigd door wat hij leest: de eigen geschiedenis komt hem voor als een aaneenschakeling van banaliteiten en onrealistische, ja zelfs puberale ambities. Toch wordt het dagelijkse schrijven niet gestaakt.

Integendeel, langzaam rijpt de idee met de dagelijkse notities een nieuw project op te starten. Vanaf het begin van de jaren zestig raakt Mauriac ervan overtuigd dat de eigen aantekeningen, precies omdat ze in zijn ogen vaak zo teleurstellend weinig origineel zijn, een nieuw licht kunnen werpen op de menselijke conditie in al haar banaliteit: ‘Mais si ma vie ne présente rien de remarquable, la vie, tel qu’ un journal longtemps continué en porte témoignage, n’importe quelle vie, donc la mienne est passionnante’, zo schrijft hij op 10 mei 1962. Hij raakt gefascineerd door het eigen verleden en stelt vast dat hij eigenlijk, ondanks alle omwentelingen in de buitenwereld, niets is veranderd. Deze continuïteit van het eigen ik, wordt het grote thema van Le temps immobile.

Fase 2: de reorkestratie

Via de ‘reorchestratie’ van zijn dagboekfragmenten, tracht Mauriac inzicht te verkrijgen in het eigen verleden. Net als zovele Franse intellectuelen kampt ook hij, vanaf het midden van de jaren zeventig, met een onmiskenbare identiteitscrisis nu de zekerheden van weleer steeds meer en meer als ficties worden ontmaskerd. Vanaf het einde van de Koude Oorlog reeds, wijdden een groot aantal geëngageerde auteurs zich aan de reconstructie van het eigen leven in een poging de betekenis ervan te vatten en vruchtbare perspectieven te openen op de toekomst. De definitieve breuk met de communistische partij vormde voor mensen als Edgar Morin (Autocritique, 1959) en Henri Lefebvre (La somme et le reste, 1959) de aanleiding voor een grondige bevraging van het eigen engagement in het licht van de veranderende samenleving. Vanaf het begin van de jaren zeventig laat de noodzaak tot bezinning over de plaats van de geëngageerde intellectueel zich steeds sterker gevoelen nu de ideologische tegenstellingen die vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog het intellectuele veld structureerden, steeds meer en meer hun zelfevident karakter lijken te verliezen. Op de Franse markt verschijnen in die periode heel wat memoires en autobiografieën van intellectuelen en schrijvers zoals o.m. Claude Roy (Moi je, nous en somme toute, 1969-1976) en Dominique Desanti (Les staliniens: une expérience politique 1944-56,1975) en Henri Massis die zich ooit volledig engageerden binnen de communistische partij die sindsdien, terugblikkend, peilen naar de betekenis van het eigen engagement. Ook aan de andere kant van het politieke spectrum verschijnen gelijkaardige publicaties, waaronder de Mémoires van Raymond Aron en Le temps immobile van Mauriac. Vanaf het begin van de jaren tachtig wordt deze veelheid aan autobiografische publicaties vergezeld door een aantal meer theoretische vertogen (van auteurs als Lyotard, Derrida, Bourdieu en Foucault) die, elk op hun eigen manier, de oude notie van de ‘totale intellectueel’ ter discussie stellen. Het is in deze hybride constellatie van vertogen dat Mauriacs levensproject zich, op een erg eigenzinnige manier, inschrijft.

Op het eerste zicht wordt in Le temps immobile een erg traditioneel subjectbegrip gehanteerd. Door het herschikken van de verschillende fragmenten uit het dagboek tracht Mauriac zijn eigen onveranderlijke essentie op het spoor te komen die hij in één oogopslag hoopt te overschouwen. Deze pogingen hebben iets paradoxaals. Het is alsof Mauriac wraak wil nemen op de erg tumultueuze Franse geschiedenis, door haar effecten op het eigen leven te minimaliseren. Zijn eigen project echter keert zich tegen hem. De dagboekfragmenten, zelfs al worden ze behoedzaam ‘gereorkestreerd’, verraden een bewogen geschiedenis die de auteur, ook al beweert hij voortdurend het tegendeel, wel degelijk ingrijpend heeft veranderd. De aandachtige lezer merkt al gauw dat, ook op het meest intieme niveau, de jonge Mauriac grondig verschilt van de oudere: zijn houding ten aanzien van de sociale werkelijkheid, ten aanzien van de literatuur, ten aanzien van zijn eigen vader, niets is nog helemaal hetzelfde. Mauriac zelf geeft dit op bepaalde plaatsen ook toe, ook al haast hij zich daarna weer de werking van de tijd te ontkennen.

Volume na volume volgen de verschillende delen van Le temps immobile mekaar op. Langzaam maar zeker verandert de teneur van het hele project. De auteur geeft zich meer en meer rekenschap van de interne contradicties ervan en speelt er meer bewust op in. Hij geeft zich als het ware over aan de eigen autobiografische constructie die hij aanvankelijk nog hoopte te beheersen: terwijl hij in het eerste deel nog herhaaldelijk wees op de noodzakelijkheid van de ‘reorkestratie’, raakt hij later meer en meer doordrongen van haar arbitraire karakter. Andere juxtaposities, zo geeft hij grif toe, zijn evengoed mogelijk; het werk is nooit af, de lezer kan zelf aan de slag, elk dagboekfragment kan in verband worden gebracht met tientallen andere.

De tijdstroom staat bovendien ook nooit stil: terwijl hij als een bezetene verder werkt aan Le temps immobile, vindt Mauriac nog de tijd zich verder te engageren op de publieke scène. Tijdens de eerste helft van de jaren zeventig, zo schreef ik hierboven al, engageert hij zich volop in het gauchistische milieu. Ook die ervaringen vinden uiteindelijk hun plaats in Le temps immobile. Het derde volume bijvoorbeeld is haast integraal gewijd aan zijn politieke bemoeienissen, eerst aan de zijde van De Gaulle en het RTPF, later met Foucault en zovele andere links-radicalen. Het spreekt voor zich dat de juxtapositie van beide periodes, die bovendien nog wordt onderbroken door meer intieme taferelen met zijn vader in de hoofdrol, interessante kruisbestuivingen oplevert.

De pogingen om de tijd te ontkennen leiden uiteindelijk tot de bevestiging van haar macht. Al heel vroeg ziet Mauriac in dat ook de pogingen om het eigen leven in één oogopslag te overschouwen gedoemd zijn om te mislukken. Even lijkt hij te overwegen ermee te stoppen: ‘L’impossibilité où je suis de tenir sous un seul regard intérieur (…) cela même [de mon Journal] que j’en ai démonté et remonté ici, entre pour beaucoup dans le découragement qui me fait souvent abandonner’, zo schrijft hij op 18 juni 1973. Maar ook dat blijkt niet langer mogelijk. Het tweede, het derde en het vierde deel kondigen zich telkens aan als het laatste uit de reeks. Uiteindelijk worden het er tien, gevolgd door een tweede cyclus van vier met de veelbetekende titel Le temps accompli (4) waarvan het laatste deel, Travaillez quand vous avez encore la lumière (ook al een veelzeggende titel), postuum is uitgegeven, onmiddellijk na Mauriacs dood in 1996.

1 In tien delen gepubliceerd bij Bernard Grasset, tussen 1974 en 1988.

2 Eerder al, had hij delen van zijn dagboek uitgegeven telkens hij ervan overtuigd was dat de neerslag van zijn persoonlijke leven en ontmoetingen iets kon bijdragen tot een beter begrip van de actualiteit. Zo verscheen in 1951, onmiddellijk na de dood van Gide, een volume onder de titel Conversations avec André Gide. Later volgden nog een volume over zijn relatie met Jean Cocteau (Jean Cocteau ou une amitié contrariée, 1970), eentje over de samenwerking met Charles de Gaulle (Un autre de Gaulle, 1970) in de jaren na de bevrijding en eentje over de naweeën van mei ’68 (Une certaine rage, 1977)

3 Volgens Eric Marty (L’écriture du jour. Le journal d’André Gide, Paris, Seuil, 1985) laat Gides dagboek zich lezen als de poging om een authentieke relatie aan te gaan met de eigen tijdelijkheid. In zijn fenomenologisch aandoende analyse van het Journal toont hij overtuigend aan dat Gide, als dagboekschrijver, zich de gebeurtenissen van die dag tracht toe te eigenen door ze te ‘herhalen’ en te zuiveren van hun ‘mondaine’ betekenis. Op die manier wordt een ideële ruimte gecreëerd waarin het subject zich dagelijks afzondert om te bezinnen over de eigen plaats in de geschiedenis.

4 Uitgegeven, net als de eerste cyclus, bij Bernard Grasset, tussen 1991 en 1996.

 

boeken
Leestijd 16 — 19 minuten

Steven Engels

boeken