Carlos Tindemans

Leestijd 3 — 6 minuten

Carlos Tindemans

Bij open doek

Stanislawskij was in lichamelijk acteursgedrag slechts geïnteresseerd in de mate waarin het de functie verwierf karakter te reveleren. Gestiek bezit nu juist het vermogen menselijke betekenis uit te drukken los van de individuele persoon. Als een acteur acteert, is enkel zijn lichamelijk gedrag reëel, niet zijn karakter, zijn personage. Zijn lichamelijk gedrag plus de dingen om hem heen op de scène. Als deze realiteit in patronen geschikt wordt, in de taligheid van de speeltekst geïntegreerd, dan wordt complexe be-teken-ing haalbaar.

Het moderne theater tracht op de lineaire voortgang, de verhalende logica van de dramatische actie de dubbele bodem van de metafoor te enten; het rechtlijnige drama wordt stukgebroken en er ontstaat iets soepelers, flexibelers. Modern theater is polyfoon en complex, vooral nog polyseem, veel-betekenend in hetzelfde moment, en ambigu, meer-betekenend in hetzelfde moment. Het dramatische gebeuren bestaat niet meer los van de ensceneringsmodus; het heeft niet eens recht op bestaan tenzij als resultaat van een regieconcept.

Nu blijft de speeltekst op de brochurebladzijde doorgaans afhankelijk van een lineaire logica. De opdracht van de regisseur luidt dan ook binnen de speeltekst enige structurele noodzaak aan het licht te brengen. Dergelijke verhouding is tegelijk ook een kritische opstelling; ze stoelt op overwegingen die niet expliciet in de speeltekst terug te vinden zijn maar die thuishoren in de matrix van de opvoering en interpretatiegegevens vormen uit politieke, filosofische, ideologische en esthetische contexten.

Bij deze benadering bevat een speeltekst meer dan acteurs en ontwerpers op hun respectieve eentje in staat zijn over te dragen. De tekst moet aan het licht gebracht worden; hij valt niet meer samen met herkenbare werkelijkheid. Daarom schrijft vandaag de dramaturg de tekst, elke tekst principieel bij en om; hij doorkruist de auteurstekst met een nieuwe schriftuur. Daarmee geeft hij aan hoe een speeltekst kan ‘gelezen’ worden. In de voorstelling zelf vormt de ‘lectuur’ op ieder ogenblik de maatstaf voor het bewustzijn van de relatie tussen de originele schrijfwijze en de nieuwe schriftuur. De auteur legt een tekst uit zijn eigen tijd vast, de regisseur schrijft hem in zijn eigen tijd in, de schriftuur plaatst ons oog in oog met ons eigen tijdsbewustzijn. Elke voorstelling wordt daardoor fundamenteel; de regisseur ziet in dat bepaalde teksten tot het verleden behoren, in het heden omgebouwd moeten worden met en vanuit een zin van de implicaties voor wat nog op ons toekomt.

Dit theater plaatst een kunstopvatting voorop waarvan de verantwoording bestaat in de transactie tussen toeschouwer en theatermaker. Hier wordt de tijdgenoot zichtbaar gemaakt, ertoe gebracht zich te meten met de (historische) auteur vanuit de nieuwe functies als schriftuurontwerper, commentator, presentator, als opvoeringsauteur wat de uiteindelijke bestemming van ieder toeschouwer is. Dit theater is geen kopie des dagelijkschen levens; het neemt een denkbare, projecteerbare wereld tot thema en dwingt ons – uitvoerenden op de scène, voltooiers in de zaal – ernaar te kijken om ons van onze wijze van existentiële aanwezigheid bewust te worden.

Dergelijk theater biedt een visie op de samenleving aan. Niet bij middel van (toevallig-)actuele thematiek waarvoor het theater als artistiek medium enkel fungeert als transportband. Theaterarbeid (het schikken van beelden tot spektakel waarin de toeschouwers, een groep van tijdgenoten, zichzelf als groep kunnen ontmoeten en erachter komen dat de opvoering met hun eigen gedragszin en -praktijk vandoen heeft) is gemeenschapszin omdat het theater ons loskoppelt van de verslaving aan de vereenzamende kracht van het geschreven woord, de autoriteit van de pre-text, de vooraf voltooide en in respectvolle volledigheid gereproduceerde theatrale zingeving. De strijd tussen autoriteit (vooraf vastgelegd, normatief) en gemeenschapszin (constant beweeglijk, aleatorisch) is de kern van de theaterervaring.

Je vertrouwen uitspreken in voltooide speelteksten en afgeronde acteerbeurten is geloof hechten aan de bijna-metafysische hoop dat de dingen blijven bestaan en doorleven; in het theater geloven is wel beter weten. Je operationele bestaan als theatermaker verankeren in de voorlopigheid, de virtualiteit van het voorstellingscomplex is ervan uitgaan dat alles beweegt en verandert, dat geen autoriteit deze stroming kan stoppen. Iedere opvoering verdwijnt ‘s avonds laat in de geschiedenistabellen; alleen de idee van de voorstelling blijft (eventueel) hangen, in het geheugen en in de verbeelding van een (publieksfragment van de) samenleving waarbinnen de voorstelling werd bedacht en uitgevoerd, een samenleving die bovendien geproduceerd wordt door de voorstelling zelf. Het bewustzijn hiervan maakt de professionele verantwoording van de theaterkunstenaar uit. Met de vrijblijvendheid van de theaterkunst is het dan definitief voorbij.

column
Leestijd 3 — 6 minuten

#4

15.09.1983

14.12.1983

Carlos Tindemans

column