Democratisch fascisme
Redactioneel Etcetera 183
Floris Baeke
Louis Janssens, Desire © Sofie Knijff
Mannelijke vriendschappen hebben het moeilijk — in de Angelsaksische wereld spreekt men zelfs over een ‘friendship recession’. Steeds meer mannen getuigen over het vervagen of wegvallen van hun amicale relaties, en een op de zes geeft aan geen dichte vrienden (meer) te hebben, een vijfvoud tegenover dertig jaar geleden. De problematiek wordt veelvuldig aangesneden in lifestylemagazines, maar Daan Borloo ziet dat ook Vlaamse theatermakers steeds vaker gestalte geven aan mannenvriendschappen. Kunnen ze de clichés overstijgen?
SPOILER ALERT: deze tekst bevat inhoudelijke spoilers over Once upon a Time… in Hollywood, The Banshees of Inisherin, Le otto montagne, Once upon a Time in de Westhoek, De miskenden en Desire.
Een tijd geleden ging ik naar de housewarming van mijn jongste zus. Toen ik op haar nieuwe appartement toekwam, was haar vriendengroep in twee gesplitst: de jongens zaten in de zetel, de meisjes aan de keukentafel. Ik ging aan de keukentafel zitten, tussen mijn zus en haar vriendinnen. Het duurde niet lang of ik was volledig opgenomen in hun diepgravende gesprekken over leven en werk. Iemand vertelde dat haar vriendje — die dus gewoon wat verderop in de zetel zat — onlangs met zijn beste maten op wandelvakantie was geweest. Een van hen was verwikkeld in een heftige relatiebreuk, dus ze had haar vriendje bij thuiskomst meteen gevraagd hoe het met die maat gesteld was. Kwam hij de breuk te boven? En waarom waren hij en zijn lief precies uiteengegaan? Tot haar grote ongeloof kon haar vriendje daar geen antwoord op geven: ‘Daar hebben we het eigenlijk niet echt over gehad.’ ‘Kun je je dat voorstellen’, vroeg ze verbijsterd aan de volledige tafel, ‘dan ben je een volle week met je maten op reis, en weet je na afloop niet eens hoe het met hen gáát.’
De anekdote illustreert het huizenhoge (en binaire) cliché dat mannen onderling niet graag en/of gemakkelijk over hun gevoelens praten, zelfs niet met hun dichtste vrienden, terwijl dat voor vrouwen vaak essentieel is om überhaupt van een vriendschappelijke band te kunnen spreken. Sociologen beweren dan ook grofweg dat vrouwelijke vriend- schappen veeleer gebouwd zijn op een diepe emotionele connectie, terwijl mannelijke vriendschappen vaker steunen op een gedeelde interesse. Vrouwen gaan uit brunchen en babbelen, mannen gaan biken en bier drinken. Of ze vertrekken dus op wandelvakantie, schouder aan schouder, zonder de nood te voelen—of uit te spreken?—om behalve de stafkaart ook hun hart op tafel te leggen. Bij mannenvriendschappen lijkt een gezamen- lijke activiteit niet louter een vehikel, maar het fundament van hun relatie. Psycholoog Robin Dunbar omschrijft het in The Guardian als volgt: ‘Men’s friendhips are more clubby, and in some sense anonymous — it matters more what you are than who you are. In other words, do you belong to my club? If you do, that qualifies you to be a friend, and anybody who ticks that box can be substituted in if you don’t turn up or go off to Thailand for ever, or whatever. A lot of men’s friendships seem to be built around activities.’
Het is een idee dat door fictie veelvuldig wordt opgepikt en gevoed. De jarenlange bromance tussen Rick Dalton en Cliff Booth in Once upon a Time… in Hollywood (Quentin Tarantino, 2019) steunt op zo’n gedeelde activiteit, namelijk films maken: Rick als acteur, Cliff als zijn stuntman. Stoppen ze daarmee, dan is meteen ook de bestaansreden van hun vriendschap verdwenen. ‘We’ve reached the end of the trail, Cliff’, zegt Rick terwijl hij in een bruine kroeg van zijn sigaret trekt. Cliff geeft geen kik, en nipt onverdroten aan zijn koffie. In het volgende shot zie je ze allebei in het vliegtuig zitten, op weg naar huis. ‘Tonight, Rick and Cliff will have a good old-fashioned drunk’, verkondigt de verteller. ‘When you come to the end of the line with a buddy who is more than a brother and a little less than a wife, getting blind drunk together is really the only way to say farewell.’ Rick en Cliff lijken zich argeloos neer te leggen bij de onderlinge inwisselbaarheid van mannelijke vrienden die ook Dunbar aanhaalt. Wat in hemelsnaam kan hen nog binden als buddy’s nu ze samen geen films meer gaan maken?
Met dezelfde argeloosheid zet Colm een streep onder zijn decennialange vriendschap met Padraic in The Banshees of Inisherin (Martin McDonagh, 2022). Van de ene op de andere dag verzaakt hij aan hun dagelijkse routine om kort na de middag naar de pub af te zakken en er hun tijd te slijten met wat Padraic ‘good, normal chatting’ noemt. Colm legt uit dat hij voortaan gewoon andere dingen wil doen, zoals viool spelen. ‘I have this tremendous sense of time slipping away on me, Padraic. And I think I need to spend the time I have left thinking and composing. Trying not to listen to any more of the dull things that you have to say for yourself. (…) The other night, two hours you spent talking to me about the things you found in your little donkey’s shite that day. (…) None of it helps me, do you understand?’ Met die welgemikte schimpscheut is voor Colm de kous af, maar voor zijn voormalige drinkebroer valt met hun dagelijkse chitchat ook zijn hele zingeving weg. Padraic probeert hem nog te overtuigen, zegt dat ze gerust ook over andere dingen kunnen praten, maar tevergeefs. Voor Colm volstaat het niet langer, de idee dat het een wezenskenmerk van mannenvriendschappen is dat je het over niets wezenlijks hoeft te hebben.
“Bij mannenvriendschappen lijkt een gezamenlijke activiteit niet louter een vehikel, maar
het fundament van hun relatie.”
Beduidend minder dull zijn de ingetogen conversaties tussen boezemvrienden Pietro en Bruno in Le otto montagne (Felix van Groeningen en Charlotte Vandermeersch, 2022), maar ook hun relatie steunt onweerlegbaar op een gezamenlijke daad. Nadat ze elkaar twintig jaar lang niet hebben gezien, consolideren de prille dertigers hun jeugdvriendschap door eigenhandig een zomerhuis te bouwen op de plek waarop Pietro’s overleden vader een oogje had laten vallen. Het zomerhuis wordt de ankerplaats van hun verbondenheid, het decor van hun schaarse maar diepgaande gesprekken. Wanneer een harde winterstorm het huis onder een laag sneeuw bedekt en reddingswerkers een gat in het dak maken omdat ze vermoeden dat Bruno binnen vastzit, voel je als kijker hoe ook de kern van hun vriendschap wordt geraakt. Bruno blijkt onder de sneeuw te zijn bezweken, zij het een eindje verderop, waarop Pietro hun verhaal afhecht in een ontroerende voice-over: ‘Ik vroeg me af of iemand anders dan ik hem had gekend en of iemand mij kende, behalve Bruno. Als wat we gedeeld hadden alleen van ons was, wat bleef er dan van over nu een van ons er niet meer was? Toen bedacht ik me dat er een huis op een berg stond met een gat in het dak en dat het niet lang zou overleven. En ik voelde dat het nergens meer toe diende.’
Naast Hollywood veroveren, tooghangen en zomerhuizen bouwen lijkt ook theater maken een solide basis om mannenvriendschappen op te bouwen en te onderhouden. Wie er het recente podiumaanbod in Vlaanderen en Nederland op naslaat, ontwaart heel wat voorstellingen die ontsproten lijken aan de amicale band tussen mannelijke makers. Ik denk daarbij spontaan aan het werk van Jonas Vermeulen en Boris Van Severen (The Great Downhill Journey of Little Tommy, The Only Way Is UP), het collectief FRANKIE, Kuno Bakker en Mokhallad Rasem (De verse tijd, Homemade, Looking for Habibi), Senne Vanderschelden en Marius Lefever (Two Peasants Looking Up, Silly Symphonies), Benno Steinegger en Jovial Mbenga (The Chance to Find Yourself ), Joeri Happel en Lucas van der Vegt (Joeri’s verjaardagsweekend), Arend Peeters en Ferre Vuye (The Butterpie Effect),…

Once upon a Time in de Westhoek © Kurt Van der Elst
Niet alleen contextueel, maar ook tekstueel krijgt mannelijke vriendschap op het podium vorm. Op het moment van schrijven toeren drie theatervoorstellingen over (fictieve) mannelijke vrienden die al dan niet aan de hand van een gedeelde activiteit hun onderlinge relatie en identiteit construeren. Zowel in Once upon a Time in de Westhoek (Compagnie Cecilia, 2022), De miskenden (Stefaan Van Brabandt en Lazarus, 2024) als Desire (Louis Janssens, 2023) is een bepaald bondgenootschap de belangrijkste bouwsteen van het narratief en van hoe de personages zich aan het publiek presenteren.
In Once upon a Time in de Westhoek, waaraan ik als dramaturg meewerkte, spelen Wouter Bruneel en Sebastien Dewaele respectievelijk ‘Phase’ en ‘Neutre’, twee gewezen elektriciens uit het Zuid-West-Vlaamse dorp Gijverinkhove, waar beide acteurs (ten dele) geworteld zijn. Volgens de overlevering weet niemand hoe die mannen echt heetten; hun bijnamen ontlenen ze aan het beroep dat ze samen uitoefenden en aan de botsende natuur van hun karakters. Phase — genoemd naar de bruine elektriciteitsdraad, waar spanning op zit — is explosief en wantrouwig, Neutre — genoemd naar de blauwe elektriciteitsdraad, die spanning afvoert — eerder goedgelovig en conflictvermijdend. Als zakenpartners houden ze elkaar in evenwicht en scheren ze hoge toppen, maar zodra hun gedeelde werkzaamheid wegvalt is het vet van de soep en verzandt hun relatie in eindeloos gekijf en gekibbel. Toch voel je dat hun levenslange vriendschap nooit écht in het gedrang komt: Phase en Neutre kunnen niet met, maar bovenal niet zónder elkaar leven. Tussen de chronologisch geordende scènes van hun verbeelde leven door reflecteren Bruneel en Dewaele op die complexe wisselspanning tussen twee mannen die tot elkaar veroordeeld zijn, en houden daarbij ook hun eigen inborst en geschiedenis tegen het licht. Hoe komt het dat twee boezemvrienden in zo’n eeuwige strijd verzeild kunnen raken?
“Ook dit is een vorm van vriendschap, zij het misschien niet de gezondste: je niet laten isoleren door je cynisme, maar daarin een metgezel zoeken en vinden.”
— Over De miskenden
Wanneer een ruzie tussen Phase en Neutre totaal ontspoort en we Phase in zijn meest demonische gedaante zien tekeergaan, vertelt Bruneel in een ontroerende aparté een traumatische anekdote uit Phases jeugd die zijn explosieve en wantrouwige karakter verklaart. Als kind redde hij het leven van zijn pasgeboren zusje door zich halsstarrig te verzetten tegen het vreselijke lot dat haar leek te zijn toebedeeld. Hij leerde dan en daar dat ‘het leven een stalen staaf kan zijn, die je met je blote handen moet zien te plooien’. Maar die rebelse ‘doendigheid’ heeft ook een schaduwzijde — wat als verzet ontaardt in pure agressie? ‘Ga ik ook ooit zo worden’, vraagt Bruneel zich angstvallig af, wetende dat Phase zijn grootnonkel was en hij met zijn personage dus genetisch materiaal deelt. ‘Een nukkige buk, ambetant op alles en iedereen, die alles wat schoon is kapot schiet omdat hij vindt dat hij alles beter zelf doet. Dat zit in mij, ik heb daar schrik voor!’ Niet veel later richt Dewaele zich frontaal tot het publiek. Met een parlando waarin hij geleidelijk switcht tussen de stem van Neutre en die van zichzelf, geeft hij uiting aan wat zich onder de oppervlakte van Neutres passieve houding afspeelt. ‘De mensen zeggen dat vriendschap breekt als je haar te veel plooit. Maar de mensen zeggen zoveel. Een vriendschap zoals die van ons begrepen ze nooit. (…) Wanneer ik al ons geld had opgezopen en in de goot lag te vorten, was ie daar: mijn beste maat. En ja, hij had verdriet. Ja, hij was kwaad. Maar zoiets vergeet je niet.’

De Miskenden, Lazarus / Günther Lesage, Greg Timmermans en Stefaan Van Brabandt © Raymond Mallentjer
Het is opvallend dat deze twee inzichten, die de relatie tussen Phase en Neutre gevoelig uitdiepen, enkel en alleen met het publiek worden gedeeld, en niet tussen de personages onderling worden uitgesproken. Je kunt er vast van op aan dat Phase en Neutre, althans binnen de fictieve realiteit, nog nooit een diepgaand verlangen of een onderliggende beweegreden met elkaar hebben gedeeld en dat ze tegenover de ander ook nooit zullen zeggen wat er zich onder de waterlijn van hun woorden afspeelt. Wanneer Neutre, tegen het einde van de voorstelling, aan het sterfbed van Phase zit, verzoekt die laatste of hij nog één iets mag vragen. ‘Dat is het moment’, vertelt Dewaele, die uit zijn rol is gestapt, ‘waarop mensen vragen om vergiffenis. Waarop ze sorry zeggen voor alles wat er gebeurd is, en waarop de tegenpartij kan zeggen dat het allemaal oké is.’ Eenmaal weer in character peilt hij verwachtingsvol naar wat Phase wil vragen, zo in het aanschijn van de dood. Met een afgestreken gezicht vraagt die of er fruit is en of Neutre dat voor hem wil halen. Het stuk eindigt als dusdanig met dezelfde dialoog als waarmee het was begonnen, maar de lading en de uitkomst zijn compleet veranderd. Waar een banaal gesprek over fruit in het begin van het stuk de aanhef was voor een spetterende ruzie om de twistzieke dynamiek tussen Phase en Neutre te illustreren, is ze nu een uiting van innige liefde en begrip van twee mannen die het nooit kregen aangeleerd om expliciet over gevoelens te praten.
In tegenstelling tot de zwijgzame en discrete Phase en Neutre laten de twee personages in De miskenden hun diepste zielenroerselen wel de vrije loop. Mislukt kunstenaar Kris D’Hondt (Greg Timmermans) en zijn oud-docent Mark Vanneste (Günther Lesage) komen maandelijks samen om elkaar te bevestigen in hun gedeelde afkeer van middelmatigheid en middenklassengeleuter, het alomtegenwoordige snobisme in de kunstwereld en het feit dat hun lichaam begint af te takelen. Hun vriendschap steunt niet zozeer op een gedeelde activiteit, behalve elke maand hetzelfde in misantropie en frustratie gedrenkte gesprek voeren, en daarvan genieten. Maar ook al gaan ze daarbij geen enkel taboe uit de weg—de moeilijke verhouding tot de eigen afkomst, de haperende prostaat, het gefaalde kunstenaarschap –, ook zij spreken voornamelijk frontaal richting het publiek en presenteren hun zogenaamde dialoog als een opeenvolging van minimonologen. Het is een slimme vorm die je de vraag doet stellen of Kris en Mark, als de zelfverklaarde harts- vrienden die ze zijn, wel echt naar elkaar (kunnen) luisteren.
Bij het begin van de voorstelling geven ze grif toe dat ze eigenlijk het liefst alleen zijn. ‘Pour vivre heureux, vivons cachés’, zegt Mark, waarmee Kris instemt. ‘Ik verlang nooit naar gezelschap, want als ik alleen ben bevind ik mij al in het beste gezelschap. De beste gesprekken voer ik met mezelf’, vervolgt hij, terwijl Kris nog steeds bevestigend zit te knikken. ‘Enfin, behalve met u, hè, Kris’, verbetert Mark zich daarna. ‘Hoe graag ik ook alleen ben, ik heb toch ook altijd verlangd naar een vriend. Een woord dat ik niet lichtzinnig gebruik, hè, ‘vriend’. Ja, ik heb er altijd van gedroomd om een vriend te hebben met wie ik kan praten, en door wie ik me begrepen voel.’ Kris haast zich om Mark bij te treden:
‘Dat is geheel wederzijds, natuurlijk, dat weet ge wel!’ Maar al snel wordt duidelijk dat de nood van beide mannen om zich begrepen te voelen een oprechte empathie ten opzichte van de ander lijkt te overvleugelen—de verhouding tussen Kris en Mark is een codependent relationship, waarbij ze elkaars ego voeden en op elkaar leunen om niet om te vallen door de vele teleurstellingen van het leven. Hoe ongefilterd ze ook met elkaar beweren te kunnen praten, hun band lijkt nooit zo onvoorwaardelijk als die tussen gesloten boeken als Phase en Neutre. En toch is ook dit een vorm van vriendschap, zij het misschien niet de gezondste: je niet laten isoleren door je cynisme, maar daarin een metgezel zoeken en vinden. Het is wat Robin Dunbar het ‘clubby’ karakter van mannelijke vriendschappen noemt: Kris en Mark bouwen hun club op een gedeeld gevoel van miskenning.
“Het niet-luisteren wordt ontmaskerd als een niet-oordelen. Het niet ingaan op elkaars wensen getuigt dan ook niet van desinteresse, maar van respect.” — Over Desire
Ook in Desire, de recentste voorstelling van Louis Janssens, leunen de personages op elkaar. Figuurlijk, maar ook letterlijk: ze hebben alle vier hun handen in elkaar gevlochten of liefdevol rond elkaars schouders gelegd. Uit de inleiding bij de voorstelling leer ik dat het vier eenzame zielen betreft die na een feest toevallig bijeengewaaid zijn tijdens het zogenaamde ‘blauwe uur’. Maar ik lees hun relatie graag als vriendschap, al was het vriendschap voor één nacht—daarvan getuigt onmiskenbaar hun tedere verstrengeling. Terwijl ze vanaf een klein platform strak voor zich uit kijken, delen de vier vrienden — zoals de titel aangeeft — hun (ogenschijnlijk ongeredigeerde) verlangens. Opnieuw doen ze dit frontaal richting het publiek en, zoals in De miskenden, volgens een nevengeschikte logica: zelden gaat iemand in op het verlangen van iemand anders, maar poneert daarentegen meteen een nieuwe, vaak totaal ongerelateerde verzuchting. Ook Desire lijkt dus op het eerste gezicht een reeks aaneenge- regen minimonologen te zijn waarbij de verschillende personages een grote urgentie voelen om te spreken — zo waanzinnig groot dat het lijkt op te wegen tegen een aandachtige luisterhouding. Ondanks hun fysieke intimiteit bewegen ze zich vooral in hun eigen droomwereld.

Louis Janssens, Desire © Sofie Knijff
Maar in het tweede deel verandert er iets. Waar in de eerste helft van de voorstelling de karrenvracht aan geformuleerde wensdromen steevast beginnen met ‘ik wil…’, beginnen ze in de tweede helft met ‘ik wil niet…’. De verlangens die worden uitgesproken getuigen plots van diepe wondes. De anekdotiek wordt verruild voor trauma, zonder dat de toon van het stuk echt verandert. ‘Ik wil mijn vader niet troosten / voor hem moeten zorgen / ik wil niet ongerust zijn / bang zijn dat hij dood is. Ik wil niet dat hij te veel drinkt / en steeds opnieuw hervalt’, zegt het personage Louis, nog steeds met dezelfde strakke blik en schijnbaar onbewogen. ‘Ik wil niet dat als ik ’s nachts alleen naar huis loop / en enkel mijn eigen voetstappen hoor / dat ik dan heel snel ga lopen. Ik wil niet bang zijn van alle mannen die ik zie / bang dat ze mij zouden slaan / dat ze op mij spugen / mij beroven / mij uitlachen’, vult Mourad aan, nog steeds zonder (duidelijk) acht te slaan op wat Louis zonet heeft gedeeld. Het niet-luisteren wordt daarbij ontmaskerd als een niet-oordelen. Het niet ingaan op elkaars wensen getuigt in Desire dan ook niet van desinteresse, maar van respect. Het kleine vierkante platform waarop de vier figuren bijeengeveegd staan, tegelijk kwetsbaar en sterk, ontplooit zich als een safe space: een plek waar je vrijuit kunt spreken zonder dat je woorden meteen worden geredigeerd of uitgebeend. De club van De miskenden is gebouwd op miskenning, die van Desire op erkenning.
Als sociologen beweren dat een gedeelde activiteit het fundament is van de mannenvriendschap, slagen Once upon a Time in de Westhoek, De miskenden en Desire er naar mijn gevoel in om dat fundament op te rekken tot een ruimere vorm van verbinding. Phase en Neutre blijven elkaar vinden onder de waterlijn van de woorden, ook lang nadat aan hun gezamenlijke activiteit als elektriciens een einde is gekomen. In De miskenden en Desire is van een gedeelde activiteit zelfs hoegenaamd geen sprake. Kris D’Hondt en Mark Vanneste bouwen hun verbond op een gedeeld gevoel van miskenning, de vier personages in Desire aan de hand van een gedeelde safe space voor (queer) verlangen en verdriet.
In alle drie de voorstellingen tekent de manier waarop de geportretteerde vrienden hun diepste gedachten en gevoelens al dan niet met elkaar delen, en in welke mate ze die van elkaar aanhoren, hun onderlinge relaties en, in het verlengde daarvan, ook hun eigen identiteit. Vanuit heel diverse perspectieven en narratieven leggen ze bloot hoe mannenvriendschappen veel fijnmaziger en complexer kunnen zijn dan de clichés soms doen vermoeden. Wat mij betreft is het precies deze verbreding in verbeelding die de teloorgaande mannenvriendschap uit het slop kan halen.
Luister hier naar de audioversie van dit artikel.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.