Geert Opsomer

Leestijd 6 — 9 minuten

Brandstof voor toneelschrijvers

De nieuwe creatiepremies

Na de afschaffing van het NVT brak een hongerperiode aan voor de Vlaamse toneelauteur. Af en toe een ereteken of een symbolische prijs, maar geen structurele plaats in het theaterproces en geen financiële stimuli van de overheid. Met het nieuwe systeem van creatiepremies komt daar nu drastisch verandering in. Maar welke criteria worden daarbij gehanteerd? Geert Opsomer blikt even achterom en geeft dan commentaar.

Vlaamse toneelschrijvers? Een klaagmuur in een vergeten straat! Overheid en theaters investeren niet, omdat er geen kwaliteit is. En er is geen kwaliteit omdat er niet geïnvesteerd wordt, zeggen de auteurs. De patsituatie is algemeen bekend.

Nu gebeurde er natuurlijk wel iets. De toneelsectie van de Lettercommissie kende jaarlijks creatiepremies toe aan originele Vlaamse toneelstukken die voor het eerst gespeeld werden. Kleine bedragen (b.v. 20.000 fr.).

Daarnaast is er ook de driejaarlijkse Staatsprijs voor Toneel. In 1988 ging die nog naar P. Koeck voor Aardemakers, een sociaal-allegorisch spel, gecreëerd door het MMT. Zo’n prijs is natuurlijk geen actief beleidsmiddel, eerder een ereteken na de oorlog. De prijs ging in het verleden meestal naar een gereputeerd stuk en dito auteur. Slechts uitzonderlijk werd de prijs gebruikt om een kwalitatieve lijn aan te duiden, b.v. een nieuwe evolutie van een minder bekend auteur (R. Verheezen in 1985, P. Sterckx in 1958).

De provinciale prijzen voor toneel (b.v. de De Montprijs van Oost-Vlaanderen) en de vele privé-initiatie-ven zijn ook niet in staat gebleken om de kwaliteit van de toneelschrijverij te stimuleren. De evaluatiecriteria van de Visser-Neerlandiaprijzen, de E. Hustinxprijs en de Van Peene-Miry-prijzen moeten dringend aangepast worden aan het levende theater.

Het is trouwens niet de taak van de privé-sector maar van de overheid, om een actief auteursbeleid te voeren dat er op gericht is de kwaliteit van de teksten te verbeteren.

Er is ooit wel een actief auteursbeleid geweest. De jonge liberaal-katholieke staat moest een eigen theater hebben en daartoe werd het premiestelsel opgezet (1861-1926). De bedoelingen waren kwantitatief: zo vlug mogelijk zo veel mogelijk Vlaamse stukken. Er werd gesubsidieerd per bedrijf. Wie vijf bedrijven bij mekaar kreeg, kreeg driemaal zoveel als iemand die twee of drie bedrijven schreef. Kwalitatief stelde het allemaal niet zo veel voor, maar dat was geen punt voor de staat om te investeren in de auteur, toen nog de paus van het theaterdom.

Tussen 1930 en 1980 daalde de investeringswaarde van de auteur gevoelig. Zijn rol als initiatiefnemer werd overgenomen door de regisseur en later door het acteurscollectief. Tijdens de jaren zeventig sloop de auteur langs een achterpoortje het theater weer binnen als dramaturg, huisschrijver,… In de jaren tachtig werd hij opnieuw een volwaardig gesprekspartner als leverancier van “weerspannig tekstmateriaal voor het theater” (H. Muller) of “brandstof voor de voorstelling” (G. Rijnders). Functie, vorm en inhoud van de tekst zijn ondertussen compleet veranderd. Deze historische evolutie van de toneeltekst en van de rol van de auteur had weerspiegeld moeten worden door de veranderende criteria van het auteursbeleid. Wat niet gebeurd is.

Toch wist De Morgen onlangs een doorbraak te melden. Tussen de nieuwjaarswensen van de minister zaten 12 creatiepremies om “de Vlaamse Toneelschrijfkunst aan te moedigen” voor een totaal bedrag van vier miljoen.

Hoe dit systeem van creatiepremies nu in de praktijk functioneert, volgens welke criteria, procedure en timing de creatiepremies toegekend worden, blijft op dit moment onduidelijk. Een beetje ‘glasnost’ van de initiatiefnemers, vooral naar de auteurs toe, zou niet misplaatst zijn.

Timing en procedure

De creatiepremies voor 1989-’90 werden begin 1989 toegekend. De aanvraag moest al voor 1 oktober 1988 binnen. Concreet betekent dit dat de gezelschappen een jaar van tevoren moeten weten welke stukken ze op het repertoire zetten. De maatregel is misschien een haalbare kaart voor de grote theaters, maar niet voor het experimentele theater. Zo komt b.v. een interessant schrijfproject als de startopdrachten van OH Stekelbees niet in aanmerking voor een creatiepremie, omdat de evaluatie van de stukken (en de beslissing over contract en opvoering) pas later gebeurt.

De procedure voor de creatiepremies is gecopieerd van de projectsubsidies. Het geld komt trouwens voorlopig ook nog uit de zg. ‘projectenpot’.

Bij het begin van het seizoen sturen de gezelschappen en niét de auteurs een aanvraag op voor de stukken, die het seizoen daarna gecreëerd zullen worden. De premie komt dus niet langer als bekroning NA het kunstfeit, maar er VOOR. Hierdoor wordt de creatiepremie een actief beleidsmiddel. D.m.v. de premie kan men voor het eerst ook het resultaat helpen stimuleren.

De auteur beschikt bij de aanvraag meestal nog niet over de volledige tekst en de beoordeling gebeurt dan ook op basis van een uitvoerige omschrijving en motivering van het schrijfproject. Hij kan evt. een aantal bladzijden bij de projectomschrijving voegen ter illustratie. Bij de documenten moet ook een contract tussen auteur en gezelschap gevoegd worden. De beslissing om te subsidiëren wordt genomen door een ad hoc-commissie samengesteld uit twee leden van de RAT (R. Verreth en J. De Caluwe), twee leden van de Commissie Letteren, sectie Toneel (J. Lampo en C. Hasaert) en de voorzitter van de RAT (H. Meert).

Deze commissie probeert een consensus te bereiken over de toekenning van de premies.

Een openbare discussie is pas zinvol als men weet op basis van welke criteria de toekenning gebeurt. Een reden om ze expliciet te maken.

Evaluatiecriteria

1. Oorspronkelijk Vlaams werk. Geen bewerkingen. Het criterium is achterhaald nu de intertextuele theorieën burgerrecht verworven hebben. Waar trek je overigens de grens tussen een bewerking en een origineel werk? Is Oedipus van Claus een bewerking? En Blindeman? En Jessica? Erg consequent wordt dit criterium trouwens niet nageleefd. Hoe verklaar je anders dat titels als Rozalie Niemand en Roodkapje en de boze wolf een creatiepremie krijgen?

Rozalie Niemand is natuurlijk een succesrijk boek. Maar waarom E. Marain 400.000 fr. geven om deze stof in dialogen om te zetten? Om de toneelschrijfkunst vooruit te helpen of om mee te doen in het enorme halo-effect rond dit literaire werk? In de loop van 1988-’89 werd dit werk trouwens al bewerkt voor NTG door Jan De Vuyst. Zijn bewerking kwam echter niet in aanmerking omdat het een monoloog is (cf. infra); het NTG al een creatiepremie voor 1988-’89 kreeg; en… omdat commissielid R. Verreth het daaropvolgende jaar nog de bewerking van E. Marain moest creëren in het MMT.

2. Bij voorkeur dialogen. Geen monologen. De zin van dit criterium ontgaat me. Zo’n formeel criterium beperkt de artistieke vrijheid en doet een beetje denken aan negentiende-eeuwse ongerijmdheden als de subsidie per bedrijf en per genre.

3. Auteurs die op de loonlijst van een gezelschap staan komen niet in aanmerking. Zo werd b.v. een stuk van Josse De Pauw afgewezen omdat hij op de loonlijst van Kaaiteater staat. Wat dan weer geen bezwaar was om een stuk van M. Felix op te nemen.

Deze maatregel remt een kwalitatief auteursbeleid af en vermindert de kans op levend theater. De interessante auteurs debuteren toch allemaal vanuit een of ander gezelschap:

Strauss in Duitsland, Rijnders in Nederland,…

Ook het idee van een resident dramatist, vaak gehoord in het grijze verleden van de cultuurkabinetten, wordt hierdoor resoluut afgewezen. De creatiepremies zijn er toch niet voor kamer-auteurs?

4. Auteurs die ruim gesubsidieerd worden door de Letterencommissie komen ook niet in aanmerking. Een goede maatregel als men er door wil voorkomen dat gereputeerde auteurs als Claus en Van Den Broeck alle premies komen wegkapen. Een slechte maatregel als men de ‘gebuisden’ voor de letterensubsidies hier wil heropvissen.

Waarom moet P. Koeck trouwens op twee jaar tijd 883.200 fr. toneelsubsidie krijgen? Geen enkele toneelauteur, ook Claus niet, verkeerde ooit tevoren in zo’n luxepositie. Koeck mag dan wel een kraan zijn als literator en scenarioschrijver, op theater-vlak wordt zijn autoriteit fel betwist. Ook het met de staatsprijs bekroonde Aardemakers is niet van die aard om van Koeckmeteen de nieuwe toneelpaus te maken. De brouwsels van de jongste auteurslichting zijn veel interessanter: Roofthooft, Pourveur, Thomas, De Pauw, Sierens, Perceval, Joosten, Decorte… maar dat blijkt helaas niet uit de creatiepremies.

5. Er wordt rekening gehouden met de reputatie van de schrijver, maar ook debuten en interessante projecten worden gestimuleerd. Jan Misselyn, J. Roets, J. Maillard, W. de Wit, B. van Broeckhoven… danken hun premie wellicht niet aan hun reputatie. De resp. produkties zullen moeten uitwijzen of de jury met reden in hun teksten een waarborg vond voor kwaliteitstheater.

6. Het gezelschap moet een traditie hebben in het creëren van Vlaamse auteurs. Een bittere pil voor de erfgenamen van het vijf jaar geleden opgedoekte NVT. Het criterium speelt ongetwijfeld in het voordeel van een gezelschap als het MMT en is nadelig voor theaters die experimenten belangrijker vinden dan tradities.

7. Het stuk moet speelbaar zijn. Eindelijk een kwalitatief criterium. Maar het is zo vaag geformuleerd dat het de commissieleden tot niets bindt. Speelbaar is het equivalent van leesbaar in de literatuur. Het wil zoveel zeggen als ‘geschikt voor een voorstelling’ of ‘aanvaardbaar binnen een spelconcept’. Terwijl er vandaag minstens evenveel voorstellingsconcepten als theateropvattingen zijn. Het zevende gebod blijft stom.

8. Men krijgt niet meer geld dan men aanvraagt.

9. Er wordt slechts één stuk per auteur bekroond. Zo werd Congo van Pourveur verkozen boven Parade, het stuk dat hij schreef voor OH Stekelbees.

Voorlopige conclusies

1. De evaluatiecriteria blijven even veilig en formeel als die van het decreet. Zo voert men geen kwaliteitsbeleid. Misschien moet de discussie over de rol en de kwaliteit van toneelteksten op een openbaar forum gehouden worden en niet in besloten kamerruimtes.

We moeten natuurlijk niet overdrijven. De ad hoc-commissie heeft toch wel blijk gegeven van een kritische benadering. Men had de creatiepremies ook kunnen cadeau doen aan volkse en commerciële stukken, die antichambreren voor een VTM-optreden.

2. De déontologie van instellingen als de RAT en een ad hoc-commissie als deze moet opnieuw bekeken worden. Hoe is het mogelijk dat theaterdirecteurs hun eigen produkties kunnen subsidiëren. Zou het Mechelse theater zonder de aanwezigheid van R. Verreth er wel in geslaagd zijn 20 % van de creatiepremies voor 1989-’90 binnen te rijven?

3. Ten slotte is het huidige systeem geen krachtig beleidsmiddel, zolang men de kwalitatieve intenties en de speelbaarheid niet aan de praktijk kan toetsen. Misschien is het niet slecht om een controlemoment in te bouwen.

De auteur zou b.v. 3/4 kunnen krijgen voor de schrijfopdracht en het resterende gedeelte na de beoordeling van de uiteindelijke tekst, een voorstelling of een try-out door de jury.

Maar dan moet de betaling wel stipt gebeuren! Op dit ogenblik kijken de auteurs nog altijd uit naar de eerste sporen van de creatiepremies op hun rekening.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

Geert Opsomer

artikel