Een groep medici maakt zich klaar om met hun materiaal getransporteerd te worden naar het speciaal voor SARSpatiënten gebouwde ziekenhuis Xiaotangshan, in de noordelijke buitenwijken van Beijing, hoofdstad van China, mei 2003. Dit ziekenhuis slaagde erin te voorkomen dat het ziekenhuispersoneel niet besmet raakte door de SARS-patiënten. AP Photo/Xinhua Wang Jianmin

Critical Art Ensemble

Leestijd 9 — 12 minuten

Bioverzet

In de voorbije jaren heeft het Critical Art Ensemble (CAE) de wereld rond gereisd om performances te maken die de voorstellingen, producten en regels bekritiseren die samenhangen met de opkomst van de biotechnologieën.

Bij deze transgene projecten stelt men ons meestal dezelfde vraag: ‘of CAE nu voor of tegen genetisch gemanipuleerde organismen is’ (GMO’s: genetically modified organisms). Het antwoord van de groepsleden is altijd hetzelfde: we hebben hier geen algemeen antwoord op. Elk product of proces moet op zijn eigen uitgangspunten worden afgetoetst. Sommige lijken desastreus (vooral voor het milieu), maar andere dan weer doordacht en nuttig. De echte vraag rond GMO’s is hoe we modellen kunnen creëren om het risico in te schatten dat ermee gepaard gaat. Modellen die toegankelijk zijn voor iedereen, ook zonder de hulp van een biologische opleiding, zodat ieder voor zich het verschil zou kunnen maken tussen producten die weinig meer zijn dan vervuilers met een louter winstoogmerk, en praktische of wenselijke alternatieven, die geen negatieve invloed uitoefenen op het milieu. Het maken van dit onderscheid wordt nog bemoeilijkt door een algemeen gebrek aan kennis aangaande de procedures om de veiligheid van deze producten te testen. Zonder wetenschappelijke achtergrond lijkt de vraag naar wat nu precies wetenschappelijke rechtlijnigheid inhoudt, een mysterie, en een studie lezen over de veiligheid van transgene producten een onmogelijke opgave. Het bezorgde publiek kan dus overdonderd worden door vakjargon. En het resultaat is dat individuen achterblijven met de onuitgesproken verplichting om gewoon te vertrouwen op de wetenschappers, de overheid en de bedrijfsautoriteiten die zogezegd altijd handelen met het publieke belang voor ogen.

De opvatting dat wetenschap te moeilijk te begrijpen is voor niet-specialisten, wordt sociaal ingelepeld bij iedereen die in het alledaagse leven niet tot deze discipline behoort. De muren tussen de verschillende arbeidsdomeinen lijken ondoordringbaar. De sarcastische Engelse uitdrukking ‘it’s not rocket science‘, die gewoonlijk wordt gebruikt wanneer iemand een disproportioneel probleem heeft met een relatief eenvoudige opdracht, is maar één voorbeeld van het publieke ontzag voor de intellectuele moeilijkheid van de wetenschappen en hun gescheiden status van het alledaagse leven.

Hoewel deze opvattingen voor een groot deel gefundeerd zijn, zijn ze toch ook behoorlijk overdreven. In zeer korte tijd kan iedereen die enigzins geletterd is de fundamenten van wetenschappelijk onderzoek en ethiek onder de knie krijgen. Om een voorbeeld te geven van een begrijpelijk wetenschappelijk vraagstuk, moet je je het volgende inbeelden. Wetenschappelijke onderzoeken moeten verschillende keren worden overgedaan, niet door één enkel laboratorium, maar in samenwerking met andere labo’s, om te zien of dezelfde of zeer gelijkende resultaten op een consistente wijze terugkeren. Als elk laboratorium dezelfde resultaten oplevert wordt de hypothese of de theorie waarop de testen gebaseerd zijn, als geloofwaardig gelabeld. Geloofwaardigheid is een sleutelbegrip in de geldigheid van de test. Tot op het moment dat deze geloofwaardigheid is getest, is een behaald resultaat dus verdacht. Het is bijgevolg duidelijk, en daar hoef je geen wetenschapper voor te zijn, dat indien een studie niet is herhaald door onafhankelijke partners, de resultaten betwijfelbaar blijven. Als de steekproeven enkel uitgevoerd worden door het laboratorium zelf (meestal is dit een bedrijfslab, maar ook de academische laboratoria zijn verdacht), dat financiële belangen heeft bij de uitkomst van de proeven, moet je geen doctor in ethiek zijn om te weten dat dit een overtreding is van de wetenschappelijke gedragscodes, omdat hier een belangenconflict speelt dat de interpretatie van de data –of zelfs de data zelf– radicaal zou kunnen beïnvloeden. Op dit ogenblik zijn de biotechnische ondernemingen de voornaamste – indien niet de enige – aanvoerders van data voor de Environmental Protection Agency en het United States Department of Agriculture voor de commerciële exploitatiepermissies van de GMO’s. Dit zou erop kunnen wijzen dat de amateur wel degelijk een stem dient te claimen in het transgene debat, omdat sommige onderzoeksniveaus wel degelijk door niet-experten kunnen worden geïnterpreteerd. De inzet is te hoog om de veiligheidstesten op producten enkel over te laten aan de ondernemingen of wetenschappelijke experten.

Transgene representaties worstelen met een diepe tegenstelling, die voortkomt uit de imperialistische en/of bedrijfscultuur. Het spektakel van de transgene producten neigt er gewoonlijk toe consequent winst­initiatieven te ondersteunen en het idee te promoten dat de ‘vrije’ markt altijd het publieke welzijn voorstaat door ons te beschermen tegen milieuproblemen, gezondheidsrisico’s en bevolkingsrampen. Spijtig genoeg voor de bedrijfscultuur, botsen de historisch gegroeide regels voor sociale zuiverheid en vervuiling met de utopische voorstelling van transgene producten. Terwijl de ene aandringt op het behoud van natuurlijke zuiverheid, en beweert dat het niet verstandig is, of zelfs catastrofaal, om zich te meten met de motor van de schepping, stelt de andere zienswijze een wereld van moleculaire uitwisseling voor waar iedereen beter van zal worden. Deze tweede positie slaagt niet echt in haar poging om het publiek te overtuigen dat genetische manipulatie een goed idee is. Het blijkt niet zo makkelijk om ideologische imperatieven, die sinds 3000 jaar diep in het klassieke en racistische idee van uitsluiting verankerd zitten, te ontwrichten. Deze ideologische contradictie wordt nog moeilijker te slechten omdat het kapitaal de effecten van precies deze uitsluiting die de koloniale en endokoloniale initiatieven bevorderen, niet wil verstoren. Daardoor is een dubbelzinnig denken nodig waarin het vermengen van de natuurlijke categorieën de ene keer goed wordt bevonden, en de andere niet. Terwijl de manier waarop deze regels geconcipieerd worden enkel te maken heeft met winstmaximalisatie. Maar dat kan natuurlijk niet worden gezegd. Dus moet deze tegenstelling op de één of andere manier naar een mythisch niveau worden getild en genormaliseerd door de filter van het ‘natuurlijke’.

Biotechnische bedrijven zijn er niet in geslaagd dit probleem op te lossen. En terwijl ze nog steeds een hoop PR-campagnes de wereld in sturen, bestaat hun eigenlijke strategie er gewoon in zoveel mogelijk te produceren en daarenboven de transgene producten te produceren die het meeste kans maken om winst te leveren. Intussen proberen ze het dilemma niet al te zeer te benadrukken en hopen ze dat de consumenten mettertijd gewoonteassociaties aan het product zullen koppelen, die het probleem van de publieke ‘hysterie’ zullen opheffen.

Als een culturele bron voor artistieke creatie zijn de transgene wetenschappen een trendy en uiterst exploiteerbaar onderwerp geworden voor uitgeslapen, carrièregerichte cultuurproducenten. Niet dat dit een nieuw fenomeen is. Telkens wanneer visionaire technologieën de kop opsteken, of minder begoede specialistische domeinen (zoals de kunstproductie) er eindelijk toegang toe krijgen, zullen er altijd mensen zijn die onmiddellijk hun kans grijpen om nieuwe esthetische mogelijkheden uit te buiten. Het lijkt redelijk om aan te nemen dat op dit eigenste moment enkele artiesten hun webcamera’s inruilen voor elektronische microscopen. En nu heeft de ‘kunstwereld’ het licht gezien in werk dat afgeleid is van de moleculaire biologie en dat recht uit het laboratorium in cultuurcentra wordt gedropt. Met de vision-tech-explosie nog maar nauwelijks twee decennia achter ons, lijkt wat vóór ons ligt relatief voorspelbaar: monumentale moleculaire landschappen die de paradox van de schaal en de kleurige schoonheid van de micro-wereld benadrukken. En de volgende stap is een levende sculptuur, de uitdrukking van een frankenstei­niaans verlangen in de vorm van eigenhandig gefabriceerde levensvormen (zoals fluorescerende ratten en proteïnen die tekstpatronen vormen). Uiteraard zullen deze projecten in al hun technologische en/of vormelijke vernieuwing deze keer nog deprimerender zijn, omdat zoveel van het hoogst zichtbare zo apolitiek mogelijk zal zijn (of zijn politiek standpunt verdoezelt) en enkel ontworpen om de culturele markt van nieuwigheden te voorzien.

Op het vlak van politieke economie, helpt dit soort werk wel om het publiek te onderwijzen, maar het functioneert ook in de schoot van de bedrijfscultuur, die het publiek scepticisme wil sussen door het bio-imago uit de politieke debatsarena te sleuren en het te versterken in de spectaculaire en gespecialiseerde bunker van de esthetisering. Bedrijfs- en staatscultuur konden geen betere public relations-medewerkers hebben gekozen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ze maar al te bereid zijn om hoogwaardige culturele events als Ars Electronica te sponsoren, of de museale extravaganza’s in het Whitney Museum of American Art of het San Francisco Museum of Modern Art.

Tenslotte is het probeem van het beleid eigenlijk al ready-made. De ontwikkelaars van transgene producten zullen het pad volgen van alle goederen en diensten onder het kapitaal – ze zullen zelden in het publieke belang handelen. Het pankapitalistische beleid voedt, versterkt en breidt de winstmachine uit. De moleculaire invasie en de controle erop wordt al heel snel getransformeerd in nieuwe vormen van koloniale en endokoloniale controle. De nadruk lijkt te liggen op de controle van de voedselketen: van zijn moleculaire structuur tot het inpakproces. Door de ontwikkeling van soorten beter in de hand te houden, hebben bedrijven een betere kans dan ooit tevoren om de afhankelijkheid van hele naties aan de westerse bedrijfseconomie te bestendigen. Voedsel moet ofwel gekocht worden bij de voedselleveranciers van de ondernemingen, of je kan de nodige organische en chemische materialen aanschaffen. Wat je ook kiest, de grondstoffen worden gecontroleerd door westers kapitaal. De boeren kunnen gedwongen worden om ofwel winstgevende gewassen als katoen te telen, ofwel elke combinatie die het meest voordelig is voor de kolonisator. Dit plan bestaat al sinds het begin van de industriële boerenteelt. Nu hebben de producenten van voedselgrondstoffen enkel een ander krachtig wapen in handen gekregen dat perfect past in de huidige overheersingsstructuur.

Daar bovenop kan elke vorm van moleculair kapitaal nu ook worden toegeëigend: het is een open deur. Net zoals met alle gelabelde en gecontroleerde objecten, kunnen nu ook genomen, enzymes, biochemische processen, enzovoort geprivatiseerd worden. Wat eens gemeenschappelijk was en gecontroleerd werd door de traditionele autoriteiten en het gezond verstand, wordt nu geüsurpeerd door de scheiding van de moleculaire of chemische waarde van zijn volledige fenotypische waarde. Bijvoorbeeld: een plant die gebruikt werd in de traditionele geneeskunde had een algemene (economische, politieke, spirituele) waarde, maar kan nu getransformeerd worden in iets dat enkel een economische waarde heeft, als chemische samenstelling. Deze samenstelling kan worden gepatenteerd, en terwijl de plant nog altijd gebruikt kan worden, kan dit actieve element niet langer worden ingezet, waardoor de plant effectief geen deel meer uitmaakt van de gemeenschappelijke middelen. Op een onbewaakt moment van eco-piraterij vermomd als Lockeaanse eigendomsrechten, wordt elke holistische functie of gedeeld bezit weggeveegd door de opdeling van de plant in verschillende micro-eigendommen.

Het standaard argument om elk spoor van het gemeenschappelijke te vernietigen is te zeggen dat gedeeld bezit een inefficiënte manier is om middelen te beheren. Als de efficiëntie wordt verhoogd, zijn er meer middelen ter beschikking, en krijgt iedereen meer voor minder. Na twee eeuwen van kapitaalbeleid weten we al dat de enigen die meer krijgen de eigenaars zijn, terwijl de armen en behoeftigen het kleine beetje van de middelen waar ze toegang toe hadden verliezen. De veronderstelling dat efficiëntie een algemeen goed is, is niks meer dan een onsmakelijk voorbeeld van de particuliere waarden van het machtige iets dat wordt voorgesteld en geïnternaliseerd als universeel.

Efficiëntie steekt ook op andere domeinen de kop op. De verwaarlozing, vervuiling en exploitatie van het mileu in functie van de transgene ondernemingen, vinden allemaal plaats onder het mom van efficiëntie. Het kapitaal in de Verenigde Staten is geobsedeerd met snelheid in het algemeen, maar in dit geval in het dichten van de kloof tussen het moment waarop een product wordt ontwikkeld en het moment waarop het op de markt komt. Efficiëntie betekent in dit geval winst. Eens een product functioneert, is het klaar voor distributie. Transgene producten worden zo snel mogelijk ter beschikking gesteld om een sterke positie op de markt te verzekeren. Op dit moment weet niemand hoe transgene producten het milieu zullen beïnvloeden. De prognose is meestal positief op korte termijn, maar verder weet niemand meer. Er zijn geen langetermijnstudies uitgevoerd op nieuwe gewastypes of levende wezens, en dat kan ook niet, want daarvoor is de technologie nog veel te nieuw. Men zou hopen dat de producenten van zulke producten zich enige voorzichtigheid zouden toemeten, en een paar decennia zouden wachten alvorens genetisch gemanipuleerde organismen op de markt te brengen, zodat er op een reguliere manier aan langetermijnonderzoek kan worden gedaan. Maar voor het grootste deel is het al veel te laat. De vooruitgangsmotor (winst) is uit de blokken geschoten, terwijl het grote publiek zich nog niets eens bewust was van zijn vertrek. Als er in de toekomst moeilijkheden zouden opduiken, zullen de eerste verdelers van GMO’s waarschijnlijk niet eens verantwoordelijk worden gesteld om de brokken op te ruimen. Bijkomstige risico’s horen gewoon bij de risico’s van het zakendoen.

Wat kunnen we doen om deze situatie te veranderen? Het antwoord is zo duidelijk als de pankapitalistische machine zelf: verstoor de winststroom. Natuurlijk is het gebruik van traditionele en elektronische methodes van verzet bijzonder bruikbaar, maar hoe kan het nieuwe moleculaire/biochemische veld worden ingezet als een middel om de winstmaximalisatie te doorbreken? Dit is een compleet ondergetheoretiseerd gebied, en het is het onderwerp van de ‘contestational biology‘ of verzetsbiologie. Twee hindernissen die meteen moeten worden aangepakt zijn de verbinding van bioverzet met geweld, en de neiging van het verzet om zich te beperken tot de stad. Gezien het gaat om levende organismen, zal het afremmen van het winstsysteem waarschijnlijk gepaard gaan met de beschadiging van genetisch gemanipuleerd leven. De industriële cultuur heeft het milieu al decennia lang in een houdgreep (in sommige streken zelfs al langer), dus stelt CAE voor om terug te vechten. De regels van participatie zijn vrij duidelijk. Als je ervan uitgaat dat bioverzet alleen naar geweld grijpt als allerlaatste toevlucht, en enkel in de mate die nodig is om effectief te zijn, bieden er zich een aantal mogelijkheden aan die niet recht naar de gevangenis leiden. De bedrijfscultuur heeft altijd volgehouden dat geweld dat een gevolg is in tweede graad, niet kan worden toegeschreven aan een individuele actor of instituut. Bijvoorbeeld, als een productieproces zure regen veroorzaakt, is de producent niet verantwoordelijk voor het negatieve effect op fauna, flora of andere milieu-elementen, en hoeft hij dus niet op te draaien voor enige vorm van schoonmaak. Als de weerstand zich in hetzelfde wollige veld kan verbergen, kan ze terugvechten op een legale, hinderlijke en effectieve manier.

Het tweede probleem betreft de manier waarop deze verzetshaarden moeten geherorganiseerd worden. Op dit moment concentreert het gros van de activiteiten zich in stadsgebieden. Alleen de groene beweging heeft methodes ontwikkeld voor landelijke en natuurgebieden. De manier waarop het kapitaal van deze gebieden kan worden ingezet voor verzetsdoeleinden is slechts gedeeltelijk theoretisch onderbouwd. Bioweerstand wacht nog steeds op de dag dat een demonstratie van 20.000 mensen op de been wordt gebracht aan een Monsanto testsite in Alabama of wanneer boerderijen zullen ontstaan die zich toeleggen op het ontwikkelen van weerstandige soorten. Dit logistieke probleem en de nood aan herorganisatie geeft het nomadische kapitaal een behoorlijke voorsprong in termen van het behoud van zijn macht in gebieden waar de sociale en politieke frictie minimaal is.

In de voorbeelden die volgen onderzoekt CAE hoe de voorstellingen van het kapitaal kunnen omgebogen worden tot bewustzijn, en hoe een model voor een mogelijke verzetsbiologie kan worden geconcipieerd. Hun werk wil een nuttige bijdrage vormen tot de ontwikkeling van steeds complexere methodes en manieren om de moleculaire invasie te vertragen, af te leiden, te subverteren en te verstoren. En daarvoor dringt zich de radicale toeëigening op van kennissystemen en van de producten en processen die ontwikkeld worden door de heersende machten.

Vertaling Elke Van Campenhout

http:// critical-art.net

artikel
Leestijd 9 — 12 minuten

#100

15.02.2006

14.05.2006

Critical Art Ensemble

Het Critical Art Ensemble werkt de laatste zes jaar vooral rond biotechnologie. De groep probeert de essentiële problemen binnen het bio-ethische veld aan te kaarten en publieke discussie aan te moedigen tegen de huidige autoriteitspolitiek in. In de afgelopen jaren verwezenlijkten ze vijf theaterprojecten die deze speciefieke problematiek aankaarten: 1) eugenetische sporen in de reproductieve technologieën (Flesh Machine); 2) extreme medische interventies in de voortplanting en de dood van de seksualiteit (Society for Reproductive Anachronisms); 3) de toeëigening van fysiek materiaal (Intelligent Sperm On-line); 4) de utopische retorische uitwerking van het Human Genome Project (Cult of the New Eve); en 5) het transgene en biologische milieubeleid en zijn relatie tot de ideologie van de angst (GenTerra). Door deze projecten hoopt het Critical Art Ensemble de algemene angst en ontwetendheid te vervangen door kritische tools en de publieke onmacht ongedaan te maken met middelen voor directe actie.

artikel