Links: ‘Het huis van Bemarda Alba’ (KVS) – Foto A. Wilsens. Rechts: ‘Romeo en Julia’ (KVS) – Foto A. Wilsens.

Klaas Tindemans

Leestijd 3 — 6 minuten

Beleidsmakers

Van een theaterbeleid voor nederlandstalig Brussel kan nauwelijks gesproken worden, al was het maar omdat de beslissingsniveaus zo hopeloos versnipperd zijn. Elke beleidsverantwoordelijke heeft zo wel zijn redenen om zich niet over kunsten uit te laten. Voor de Minister van Binnenlandse Zaken zijn de zgn. bi-communautaire instellingen (Munt, Paleis voor Schone Kunsten, enz.) slechts een bijkomstige bijvoegdheid (“ik ben geen nationaal cultuurminister”, dixit Tobback). De voormalige schepen van Schone Kunsten van de stad Brussel kon zijn terughoudendheid rechtvaardigen vanuit het Vlaamse karakter van de KVS – ‘zijn’ gebouw, hij was ook voorzitter van de beheerraad – waar hij zich, als franstalige, niet mee wilde moeien. Dié Brusselse instelling, die zich theoretisch het best als beleidsmaker kan profileren, namelijk de Nederlandse Commissie voor Cultuur van de Brusselse Agglomeratie, is politiek uitgeblust en financieel machteloos. De NCC, sinds 1971 bemand door dezelfde mandatarissen, wordt in juni vervangen door de ‘Vlaamse Gemeenschapscommissie’, onderdeel van de nieuwe Hoofdstedelijke Raad. Het beschikbare budget van de NCC – en dat zal niet verbeteren bij haar opvolger – voor toelagen aan artistieke activiteiten is relatief bescheiden: symbolische steun aan de Brusselse gezelschappen (KVS, BKT, Dito’Dito), een sporadische creatiepremie (bv. Willy Thomas’ Duiven en Schoenen), gelegenheidssubsidies (Kaaitheater, de Kinderzondagen van de Beursschouwburg, Bruzzle – ex-Mallemunt -,…) en logistieke steun via de Dienst voor Cultuurpromotie. Het beleid van de NCC is veel meer gericht op de socio-culturele sector, via de gemeentelijke Trefcentra – gebouwen van de Vlaamse Gemeenschap, personeel en werking zijn betaald door de NCC – die een lokale functie hebben. In de Trefcentra wordt, enkele uitzonderingen niet te na gesproken, de typisch Vlaamse cultuurpolitiek – cultuur is volksopvoeding, waarbij kunst een bescheiden plaats inneemt – gekoppeld aan de strijdvaardigheid van de Brusselse Vlamingen, tot nader order een bedreigde minderheid. Wat niet belet dat deze Trefcentra, lokaal bekeken, meer dan zinvol werk leveren. Het theateraanbod is de laatste jaren sterk verschraald in Brussel, en daar is het beleid mede verantwoordelijk voor: het beleid van de Vlaamse Gemeenschap met name, van cultuurminister Dewael, bijgestaan door zijn Raad van Advies. Het Brialmonttheater verdween, na achterbakse kuiperijen, Jan Decortes HTP werd geschrapt, uit puur onbegrip, het Kaaitheater kan zich, na jaren van overtuigende prestaties, zowel receptief als produktief, niet ontwikkelen, het dreigt zelfs ten onder te gaan aan zijn schuldenlast. De Vlaamse Gemeenschap blijft wel, eerder plichtmatig, de KVS en het BKT subsidiëren. Het BKT werd door de R.A.T. negatief geadvizeerd, maar een Brusselse lobby zorgde voor een ‘positieve’ beslissing. De KVS is een geval apart: een A-gezelschap, met groot repertoire, dat bijzondere bescherming geniet van de stad Brussel — de Schepen van Schone Kunsten is voorzitter van de beheerraad, en er is een belangrijke extra-subsidie van de stad. Op receptief gebied is het landschap iets meer geschakeerd: Beursschouwburg en Ancienne Belgique, gebouwen van de Vlaamse Gemeenschap, worden gesubsideerd door de dienst Volksontwikkeling van de Vlaamse Gemeenschap — net als de v.z.w. Paleis, de Vlaamse vereniging in het Paleis voor Schone Kunsten — en daarnaast opereren er (Vlaamse) receptieve organisaties in de gemeentelijke culturele centra, het meest opvallend in Sint-Pieters-Woluwe. Maar dé concurrentie voor de Brusselse theaters komt uit de rand: de grote, strijdvaardige (‘waar Vlamingen thuis zijn..’) culturele centra van Dilbeek, Strombeek-Bever, Overijse. Zelfs het nieuwe cc. van Aalst, “De Werf”, snoept Brussels publiek af, en de nieuwe Vlaamse regering voorziet nieuwe centra in faciliteitengemeenten als Drogenbos en Linkebeek. Op die manier, voorzover het niet tot een zinvolle taakverdeling komt betreffende de artistieke programmatie, bloedt de Vlaamse stadscultuur in Brussel helemaal dood.

Er zit zo weinig dynamiek in het kunstenbeleid van nederlandstalig Brussel, omdat de verantwoordelijkheden nergens duidelijk zijn, of erger: omdat niemand behoefte heeft om voor duidelijkheid te zorgen. De wet op de Hoofdstedelijke Raad bevat een kleine maar interessante mogelijkheid: de 19 Brusselse gemeenten kunnen bevoegdheden afstaan aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Maar enkel op basis van vrijwilligheid, en franstalige gemeentebesturen zullen niet zo makkelijk geneigd zijn om bevoegdheden weg te geven aan Vlamingen. Die kans tot coördinatie lijkt vrij theoretisch te blijven. De politieke verwarring omtrent de Brusselse theatersituatie — de toekomst van het Kaaitheater, de relevantie van het BKT, de verrassend snelle beslissing om voor de Centrale van het Brussels Amateurtoneel een miljoenenvoorziening te bouwen — is symptomatisch voor het vertroebeld beleidsklimaat in Vlaanderen. Het gaat in Brussel niet beter of slechter, het ziet er wel wat absurder uit.

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

artikel