ALL TOGETHER NOW! – Suze Milius / House Crying Yellow Tears & Toneelhuis
Een overladen tafel zonder poten
Natalie Gielen
© Michiel Devijver
Beep Street is eenvoudig in zijn opzet: vier acteurs mimeren herkenbare typetjes in een reeks fout lopende sketches. De spanning blijft er geen drie kwartier in. Maar wie aandachtig blijft, ontdekt wel een verrassend consequent denken over onze adoratie van de technologie en de kracht van een lichaam op scène.
Op het podium staat een paarse, futuristisch aandoende wasbak, een constructie met een vuilnisbak en een hoge kast. Rachid Laachir komt op in een nauw aansluitend sportpak, het jasje hoog opgeritst. Met een plexiglazen tablet probeert hij zijn ‘badkamer’ te bedienen. Ondanks de vele biepjes en komisch uitvergrote handbewegingen loopt dat natuurlijk niet erg vlot. Twee techniekers, volledig in het zwart, bespelen de objecten die hij probeert te activeren. De scène is hilarisch. De futuristische, falende technologie is direct herkenbaar. Wanneer Laachir een elektrische tandenborstel aan een lange stok activeert en hem met zijn tablet tevergeefs in de buurt van zijn mond probeert te krijgen, moet ik denken aan de nieuwe koelkasten zonder deurhendels waar je tegen moet praten om ze open te krijgen. Of aan hoe ik dezelfde ochtend mijn vaatwasser niet aan de praat kreeg omdat hij eerst een software-update wou. Of hoe mijn objectherkennende robotstofzuiger het soms op mij lijkt gemunt te hebben.
De mens en de bijzondere relatie met zijn machines, dat lijkt de kern van het werk van regisseur Jonas Baeke. In Mr. Beam liet hij een werknemer een heel gevecht voeren met zijn kantoormachines wanneer hij een slachtoffer wordt van de kafkaiaanse machinerie van anonieme HR en onbegrijpelijke management speak. De objecten werden even onbuigzaam als de onheldere processen waar de man in vast zit. Maar denk evengoed aan het absurde en geniale Bambiraptor, waar een hoofdpersonage in een gesprek met een gieter een hele reeks diepgaande filosofische vragen ontleedt: over je plek in je leven vinden, tot taalfilosofie en zelfs metafysica. Allemaal aan de hand van de voorwerpen die op een loopband voorbijrollen.
Ook de oorspronkelijke samenwerking met Jef Hellemans (die om gezondheidsredenen tijdens de première werd vervangen door Seppe Somers) laat in Beep Street sporen na. In hun gemeenschappelijke afstudeervoorstelling Pinokkio onderzochten ze met een resem cartooneske, Italiaans sprekende personages wat het verhaal van Carlo Collodi ons nog over opgroeien en het temmen van je lichaam kan vertellen vandaag.
In Beep Street komt die vraag in een nog groteskere versie terug. Drie opgeblazen sporters strompelen het podium één voor één op. Fleur Van Bergen draagt een print van een gespierde torso rond een kubusvormige doos en spant met heel wat moeite twee rekkers tussen voeten en handen. Mooni Van Tichel zit in een opgepofte Michelin-broek en een bijna angstaanjagend realistisch latex afgietsel van een gespierd bovenlichaam. De geluidsband en haar bewegingen suggereren dat ze haar spieren de hele tijd moet opblazen, voor ze als een sissende pudding in elkaar zakt. Seppe Somers draagt ook een print van een gespierde bast, maar op een groot driehoekig plakkaat. Hij geraakt daardoor amper door de smalle deuropening van de ingebeelde sporthal. De kostuums zijn in de drie gevallen even net, net zoals hun protserige bewegingen, precies echte opgeblazen bodybuilders. Pinokkio ligt hier niet erg ver vandaan, in de keuze voor een overdreven speelstijl, de afwezigheid van begrijpbare, gesproken taal, en het gestileerd vormgeven van lichamen.
De eindeloze slapstick van Beep Street maakt dat de amper 45 minuten durende voorstelling bij momenten toch wat lang voelt. Zonder enige ademruimte krijgen we scène na scène te zien, als één lange grap. Decorwissels worden opgevuld met projecties van stop-motion animaties van vlakken en vormen of andere komische intermezzo’s. Toegegeven, het is soms wat veel.
“De mens en de bijzondere relatie met zijn machines, dat lijkt de kern van het werk van regisseur Jonas Baeke.”
Toch speelt Beep Street volop in op onze verbeelding. Met weinig meer dan enkele gordijnen op wieltjes, een resem rekwisieten en woordeloze geluidjes slagen de spelers erin om in een ogenblik hele werelden op scène te toveren. De zaaltekst belooft een voorstelling die balanceert tussen de bevrijdende en beklemmende kracht van technologie en in de eerste scènes lukt dat nog heel aardig. Beep Street lijkt in het begin een slapstickversie van Theodore Kaczynski’s beruchte manifest tegen technologische vooruitgang, waarin hij betoogt dat techniek de menselijke vrijheid belemmert.
Beep Street gaat echter niet enkel over falende machines. Geleidelijk aan verschuift de aandacht naar het lichaam als technologie zelf. Wanneer een personage bijvoorbeeld met veel viscerale slijm- en smakgeluiden zijn brein vervangt met een DIY Ikea-pakketje, krijgt hij een onverwachte upgrade: zijn voet kan nu ook als stofzuiger dienen. Later in de voorstelling verschijnt dezelfde man met een plastic zakje dat hij maar niet uit zijn stofzuigende voet krijgt.
Beetje bij beetje presenteert Beep Street zich als een verteerbare versie van Jacques Elluls werk. De Franse filosoof poneerde al in de jaren 1950 dat technologische vooruitgang de mens niet dient, maar dat wij ons er net aan onderwerpen. De geluidsband is daar al een voorbeeld van. Soms staan geluidjes de bewegingen van de acteurs bij, als in een oude tekenfilm. Af en toe vervormen de ritmische biepjes en bliepjes en cartooneske geluiden tot heuse technonummers dankzij de soundscape van Isolde Van den Bulcke en Jonas Baeke. Geluid wordt hier een techniek die je begrip van de voorstelling en je emotie dirigeert.
“Beep Street lijkt in het begin een slapstickversie van Theodore Kaczynski’s beruchte manifest tegen technologische vooruitgang en hoe die de menselijke vrijheid belemmert.”
Hoe langer de voorstelling duurt, hoe minder helder de verwijzing naar dat denken echter wordt. De laatste twee scènes brengen nog steeds karikaturale slapstick, maar ditmaal over zonnende, smeltende lichamen en een hardloopwedstrijd. Op het eerste gezicht lijkt het punt dat de voorstelling wil maken wat zoek: dit gaat niet meer over falende machines. Een beeld van Maria Lassnig uit het promomateriaal van de voorstelling brengt echter een nieuw perspectief. De Oostenrijkse schilderes is vooral bekend om haar ‘lichaamsbewuste’ zelfportretten waarbij ze enkel de delen van haar lichaam schildert die ze ook effectief voelt. In haar portretten ontbreken zo armen of rompen. Wanneer ze zichzelf liggend portretteert, doet ze dat zelf uitgestrekt op de grond. Haar lichaam wordt zo communicatietechnologie én -middel tegelijk.
Beep Street is zeker niet even gedurfd als Kaczynski, de makers houden het al bij al vrij braaf. Maar misschien is de voorstelling wel even radicaal als Ellul. Slapstick is de stijl van Baeke en Hellemans, maar mime is voor hen ook meer dan dat: een vorm waar de spelers zich aan onderwerpen. Acteren is uiteindelijk ook je lichaam inzetten als middel voor het denken van een regisseur. De lichamen in Beep Street worden zelf even falend, even grappig, even (on-)menselijk als de ‘slimme’ machines. En wij als toeschouwers onderwerpen ons maar al te graag aan de machinerie van het theater.
De speeldata vind je hier.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.