© Carly Rae Heathcote

Leestijd 6 — 9 minuten

Bartlebabe – Anna Franziska Jäger en Nathan Ooms

Etcetera @ TAZ #2: A sign of the times

Bartlebabe is de derde samenwerking tussen Nathan Ooms en Anna Franziska Jäger, die met dit werk haar opleiding aan het Gentse KASK afrondde. Naast een overtuigende proeve van performatieve kunde is het een merkwaardig werk, dat zijn eigen gewicht overklast: samen met een aantal voorstellingen van generatiegenoten lijkt Bartlebabe vooral een sign of the times te zijn. Of we van die times blij dienen te worden, laten Jäger en Ooms graag over aan de beschouwer.

Gek hoe podiumvoorstellingen je op een ongemakkelijke manier kunnen bewust maken van je leeftijd. De afstand tussen mijzelf en de zich steeds vernieuwende generaties kunstenaars wordt uiteraard steeds groter, en de verwijdering is al jaren gestaag bezig, maar het besef van loskoppeling komt toch nog als een schok: je ziet twee voorstellingen kort na elkaar en je beseft plots dat je referentiekader te kort schiet. (Een ervaring die zich overigens niet enkel intergenerationeel voordoet, maar ook in de breedte, wanneer het gaat over etnisch-culturele referentiekaders. Waarbij de breuk, beschamend genoeg, minder als probleem wordt ervaren – blijkbaar voel ik me meer verbonden met witte westerse makers van twee decennia jonger dan met makers van mijn leeftijd die zich bedienen van een ander cultureel jargon. Die vaststelling is een tekst op zich waard.)

Digitale kloof

De beslissende factor in het al dan niet kunnen ‘plaatsen’ van wat je ziet is in dit geval het verschil in digitale geletterdheid: de manier waarop de digitale alomtegenwoordigheid het denken en maken van deze jonge generatie heeft gevormd, daar waar ik, geboren in 1980, de helft van mijn leven zonder mobiele telefoon en internet  heb doorgebracht. Er is vanuit sociologisch standpunt al veel geschreven over de impact van de digitalisering op het bewustzijn van het zelf en de bewustwording van de wereld – van jongeren die onder invloed van porno denken dat alle kutjes kaal moeten zijn tot de hypergecontroleerde vormgeving via social media van het eigen ik. Laatst rouwde de dertienjarige dochter van een vriendin om haar doodgereden kat; haar verdriet was diep doorvoeld, maar de cry selfie die ze rondstuurde verbijsterde me.

Ik denk dat het theater dat ik zag daarover ging, over die gap tussen gefingeerde en authentieke subjectiviteit. Een aantal weken geleden zag ik Giants van Werktoneel, een voorstelling die me platsloeg door zijn mature vormgeving, door het talent van de spelers, door de vervreemdende verbeeldingswereld die werd geopend, maar het was pas met Bartlebabe van Anna Franziska Jäger en Nathan Ooms (en in retrospectief eigenlijk ook met Through The Looking Glass van Mats Vandroogenbroeck, twee jaar terug) dat het kwartje viel. Hier wordt een cultuurkritiek geformuleerd rond een onderwerp dat op zich niet nieuw is – Wat is het zelf? Wat is representatie? Wat is authenticiteit? – maar op een manier die ver afstaat van de postmoderne relativering uit de jaren 1990 en al even ver van het activistische engagement dat het eerste decennium van de eeuw doordrong. Ironische zelfbeschouwingen en verontwaardigde podiumpamfletten hebben vandaag plaats gemaakt voor een koele, bijna zakelijk-analytische benadering van de verhouding tussen de reële en de digitale wereld. Die onthechte manier van kijken en maken is nieuw. Deze voorstellingen gaan over een uitvergrote vorm van subjectiviteit, maar elke subjectiviteit van de makers zelf lijkt eruit te zijn verdwenen.

Verglijdende figuur

“Today I’m going to to show you how to build your dream car in 5 minutes,” zo belooft de vrouw die net met een te zware koffer het podium is opgestommeld. Ze is de veruiterlijking van een Amerikaanse tutorial-host, maar dan on speed, terwijl het tempo in die instructiefilmpjes toch al vaak behoorlijk hoog ligt. Anna Franziska Jäger doet evenwel niet écht veel moeite: gejaagd gooit ze een aantal objecten op de bühne  – tires! engine! airbag! – en rekent op onze verbeelding om uit de hoop rommel een auto te zien verrijzen. “No need to be specific, anything goes” is het opgewekte – of is het wanhopige? – devies. Onze suspension of disbelief wordt tot het uiterste gerekt en dat zal eigenlijk ook in alle volgende scènes het geval zijn, terwijl Jägers figuur verglijdt van het ene sjabloon in het andere: van een opgejaagde vrouw in een achtervolgingsscène (een film noir-gegeven dat ook deel uitmaakte van Some Things Last A Long Time, haar vorige werk met Nathan Ooms) over een vrouw die een relatie beëindigt, tot een vrouw die zelf in de steek wordt gelaten. Telkens is haar performance grotesk, hypertheatraal, met vervreemdende freezes duidelijk in scène gezet – er kan geen twijfel bestaan over het geconstrueerde karakter ervan. Jäger zal zich niet veel later in de voorstelling ook presenteren als een actrice, voor wie “imagining to be” en “pretending to be” een beroep is. Klaar en duidelijk, toch? Ja, voor iemand die kijkt met een geïnstitutionaliseerde kunstenblik, waarin de vertrouwde codes en spelregels een duidelijke grens trekken tussen werkelijkheid en fictie.

Maar… welkom in de world out there, of liever: the world in there, binnenin ‘het internet’, waar die codes en spelregels niet langer gelden. Het bronmateriaal dat Jäger en Ooms gebruiken (van tutorials tot speeches van tech-directeurs) wordt door mij weliswaar als een representatie ervaren, maar op YouTube gelden deze filmpjes als reëel – maken ze voor heel wat mensen deel uit van een echte, authentieke gevoelswereld. De suspension of disbelief is niet langer voorbehouden aan het theater, het is intussen een way of life geworden. Het onderscheid tussen fysieke werkelijkheid en fictie verdwijnt daarmee naar de achtergrond, of sterker: de fysieke werkelijkheid bestaat maar wanneer ze gefictionaliseerd, verbeeld wordt. Verdriet is maar echt en echt gevoeld als er een cry selfie van wordt verstuurd. De daad van het digitaliseren is het gevoel. Next thing up: How I Buried My Poor Dead Cat.

Wereldvreemdheid

De gevolgen van deze omkering – de digitalisering als bestaansvoorwaarde voor het bestaan zelf – toont Jäger het meest accuraat in een hilarische scène waarin ze een bestelling ontvangt en het object dat erin schuilt (een strap-on amplifier)  uitpakt als was het een magisch object: ze kan bijna niet geloven dat wat in het pakje schuilt “just like the picture” is. Het heeft een volume, is tastbaar, heeft een gewicht, ze kan het aanraken. Waw. De millennials  waarvan zij de exponent vormt zijn in toenemende mate wereldvreemd, zo lijkt het wel: zozeer houden ze zich op in een gepixelde wereld dat fysicaliteit raar en zelfs bedreigend is. (Onderzoeken wijzen uit dat millennials later dan voorgaande generaties hun eerste sigaret roken of seks hebben – ze zijn terughoudend en sociaal te weinig toegerust om de fysieke wereld op te zoeken.) Dit is wat de digitalisering doet met ruimtelijkheid, tastbaarheid. Maar er is ook een implicatie op het ervaren van de tijd.

Daarvan krijgen we een voorsmaakje wanneer Jäger zich tooit met de rommel die uit haar koffer kwam om vervolgens te transformeren tot een futuristische stewardess op een vlucht richting toekomst, de toekomst die een zekere Mark Zuckerberg ons graag voorspiegelt en waarin iedereen “subjected… euh… connected” is – de grens tussen verbinden en knechten valt prachtig samen in deze geënsceneerde verspreking: we worden onderworpen aan een extreme drang tot subjectivering, wijzelf zijn het alfa en omega van onze belevingswereld, terwijl de belofte juist deze is van verbondenheid met de ander. Maar de voortdurende spiegeling van onszelf op de sociale media verplat ons, reduceert ons tot een beeld van onszelf, en zoals iedereen weet vergeet het internet nooit. Het gevolg is een everlasting present waarin we schijnbaar geconnecteerd zijn met de hele wereld (toch dat deel van de wereld dat zich een iPhone kan veroorloven) maar nog het meest van al vastzitten aan het simulacrum dat we via verschillende devices van onszelf verspreiden.

Wetenschappelijke ontleding

Wanneer vervolgens de zo vaak beloofde en revolutionaire Google Glasses uiteindelijk worden uitgeprobeerd, bezwijkt de drager ervan onder de druk van zoveel presence. Tijd voor de laatste transformatie: Jäger keert onder een mysterieus rookgordijn terug als golem – een Computer Generated Imagery, een beeld zonder verleden of toekomst, eeuwig verveeld in het nu. Daarmee is de laatste barrière tussen levende werkelijkheid (begrensd door tijd, ruimte en lichaam) en virtualiteit geslecht. Of we daar gelukkiger van worden? Zoals Jäger de Britse schrijver Sam Kriss citeert: Living forever is so much like being dead.

Lijkt dit allemaal een beetje uitgekauwde sociologische kritiek op een technologisch paradigma dat al een decennium een fait accompli is? Dat kan, maar dan is die kritiek op conto van mijn interpretatie te schrijven, want Bartlebabe gaat veel afstandelijker om met dit materiaal dan ik – de scènes hebben het statuut van een vaststelling, eerder dan een oordeel. Zowel Giants als Bartlebabe heeft meer weg van een wetenschappelijke ontleding van een verschijnsel dan van een maatschappelijke analyse. Het verklaart ook ten dele mijn onbeholpenheid: er wordt mij geen klaar narratief, maar ook geen emotionele identificatie of politieke stellingname voorgeschoteld, ik heb geen houvast. De grotesken die ik bij het begin meende te zien zijn bij nader inzien wellicht niet zo heel erg uitvergroot (daarvoor zou ik meer op YouTube moeten zitten). Ook in Giants speelt de ploeg letterlijk de prank-video’s na zoals die te vinden zijn op het net. Er is geen moraal, er wordt geen weg gewezen naar een andere, meer analoge manier van leven of een ontsnapping aan de vermalende kaken van de digitalisering. Eigenlijk is dit anti-theater, in de manier waarop het digitale ‘leven’ (hoe gefingeerd ook in zijn verschijningsvorm) onbewerkt in een theatercontext wordt geplaatst.

Die aanpak verraadt een grote openheid en nieuwsgierigheid tegenover de wereld vandaag, maar artistiek gezien heeft ze ook een achillespees. Voor een kijker zijn er immers nog weinig handvatten. Om te beginnen ontregelt de clash tussen context en content me ten gronde. Ik bevind me op een kunstenfestival, in een black box, ik heb een kunsthistorische bril op én de performer die voor me staat is professioneel geschoold en, dat moet gezegd, extreem krachtig en matuur in haar performance. Ik verwacht dus theater te zien, maar het is enkel de context die daarop wijst – in de behandeling van het materiaal schuilt weinig drama. The medium is the message? Vergeet het: hier is context king. Daarbovenop falen ook mijn pogingen om intuïtief iets te begrijpen van deze voorstelling, bij gebrek aan emotionele haakjes. Ik kan weinig verbinding leggen (hoe ironisch) met dit materiaal, er wordt geen enkele vorm van intimiteit toegestaan. Bij ontstentenis van zowel die intellectuele als emotionele houvast kan ik enkel, als de koe naar de trein, kijken. Observeren. Vaststellen dat dit wellicht de wereld is waarin de millennials vandaag leven. Of ik met die vaststelling dan ook iets moet doen, of ik daaraan op de een of andere manier gevolg moet geven in mijn leven, blijft onduidelijk.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#164

01.06.2021

02.09.2021

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!