Leestijd 4 — 7 minuten

Apichatpong Weerasethakul – Fever Room

Slechts heel af en toe slaagt een voorstelling erin je het gevoel te geven dat je een zeldzaam voorrecht geniet, dat je als toeschouwer bent uitverkoren om deel te nemen aan een oeroud, geheim ritueel. Je wordt toegelaten tot landschappen die anders verborgen blijven. Er is een stem die je rechtstreeks aanspreekt, er zijn ogen die vanaf de scène naar je terugkijken, die tot diep in je ziel turen. Wat er dan ontstaat: een openbloeiende verwondering omwille van de weelde van dit leven, de uniciteit van ieder individu, en de rijkdom van de geest. Zo’n voorstelling is Fever Room van de Thaïse regisseur Apichatpong Weerasethakul.

Hij presenteerde op het Kunstenfestivaldesarts zijn eerste theaterproductie, al spreekt hij zelf liever over een 3D-film. Zijn roots liggen dan ook in de filmkunst. Sinds 2000 verschenen er zeven langspelers van zijn hand en een hele rist kortfilms, waarmee hij talloze internationale prijzen won. Zijn films spelen zich af in het schemergebied tussen werkelijkheid en verbeelding, leven en dood, natuur en cultuur, heden en verleden. Ze worden bevolkt door dromers, wandelaars, geesten en bannelingen, die bedwelmd door de betovering van het oerwoud zwerven. Fever Room is zowel een mooie verderzetting van dit oeuvre als een opvallend intensiveren ervan. Door zijn typische beelden, zijn trage, meanderende ritmes en bevreemdende scènes naar de theaterzaal te brengen, creëert hij een ervaring die nog veel rijker en doorleefder is dan wat hij met zijn films vermag.

Weerasethakul stelt zich als doel de toeschouwer volledig onder te dompelen in de droom. Het publiek moet plaatsnemen op de theatervloer (het doek is gesloten waardoor de publieksruimte onzichtbaar blijft) en wordt omringd door grote schermen waarop een trage, gefragmenteerde reeks beelden wordt geprojecteerd. De voorstelling opent in een kamer die baadt in een serene rust. Een groot raam kijkt uit op bomen, in de verte zijn de contouren van witte huizen zichtbaar. Over de stilte legt zich een mijmerende vrouwenstem die herinneringen ophaalt, er verschijnen beelden van plaatsen in de stad, bomen, bergen, honden, tegelpatronen. Wanneer de reeks beelden wordt herhaald, klinkt er plots een mannenstem die subtiele veranderingen aanbrengt in de commentaar van de vrouwenstem. Langzaam daagt het besef dat we een droomwereld zijn binnengegaan en dat we luisteren naar de stemmen van slapenden die via hun dromen met elkaar praten, de begrenzingen van hun slapend lichaam moeiteloos overschrijdend. Ze ontmoeten elkaar in een wereld die zich pas opent in de droom, en nodigen daar ook de toeschouwer in uit. We genieten het voorrecht hen te volgen op hun reis door de stad en door de tijd, doorheen herinneringen en visioenen van rivieren, straten, zwarte nachten, regenbuien.

Afdalend langs verweerde trappen en door druipende kelders, bereiken we de duisternis van een onderaardse grot. Op de verschillende projectieschermen worden telkens andere lege tunnels en verlaten zalen getoond waar een gemaskerde figuur zoekend en tastend doorheen dwaalt. Zijn handen glijden over reliëftekeningen, vochtplekken en mosbegroeiing alsof hij de grillige vormen ervan probeert te lezen. Plato’s allegorie van de grot is niet ver weg. De in het duister tastende mens zoekt vergeefs naar zinvolle betekenissen op de wand.

Uiteindelijk, na een ritueel waarbij schelpen en slakkenhuizen werden verbrand, opent zich een droom in de droom, een donkere, onheilspellende hallucinatie. De projectieschermen worden opgehesen, het doek schuift open en voor het eerst wordt de donkere, schemerige publieksruimte zichtbaar. Van tussen de lege rijen stoelen stijgt langzaam rook omhoog die al gauw het hele theater vult. Een dreigende soundscape en geheimzinnige lichtprojecties op het rookgordijn zorgen voor een duizelingwekkend spektakel. Er ontstaat een tunnel van wentelende rookslierten met aan het einde een lichtbron die venijnig in de ogen priemt. Er is de illusie van een schemerende dageraad, van een wolkenhemel die zich boven het publiek uitstrekt en die, alluderend op een oeroude angst, op ons hoofd komt neergevallen.

Na het uitdoven van de koortsdroom (het doek schuift onverbiddelijk dicht, het visioen wordt ons ontnomen, de projectieschermen zakken weer tot op ooghoogte) keren we terug bij de gemaskerde in de grot. De toeschouwer ziet zichzelf: een sluimerend lichaam dat moeizaam en met tegenzin ontwaakt, en dat de droom maar traag van zich af kan schudden. Wanneer de zaallichten weer aangaan, blijft het publiek verweesd achter. Het lijkt alsof men onwillig is om het theater te verlaten. Mensen blijven zitten, lummelen nog wat rond, staren verweesd door de ruimte alsof ze zich er niet bij willen neerleggen dat de droom voorbij is. Je hebt het gevoel dat je een geschenk hebt ontvangen, dat er je een geheim is toevertrouwd, een waarheid geopenbaard. Iets van het wonder heeft zich diep in je genesteld, en uit dat zaadje ontluikt de zonderlinge sensatie dat er een werkelijkheid is die naast de zichtbare staat, die zich er tegenaan vlijt maar tegelijk verborgen blijft. Verborgen maar daarom niet minder aanwezig.

Weerasethakul slooft zich niet uit met wilde, psychedelische montages of overdreven effecten. Zijn beelden blijven sober, elegant, balancerend op de rand tussen banaal en feeëriek. Hij zoekt naar schoonheid in het dagdagelijkse, hij mediteert op het ritme van de wandelaar, en hij vindt betekenis in details die anderen over het hoofd zien. Op zijn eigen ruw-poëtische wijze boort hij naar de kern van ons bestaan. Hij zet de mens neer als een aanschouwend wezen, een eeuwige wandelaar die om zich heen kijkt, zoekend naar schoonheid en betekenis, reflecterend en esthetiserend. Door ons mee te nemen in de wereld van de droom wijst hij ons paradoxaal genoeg op de ware aard van onze dagdagelijkse perceptie. Want hij toont ons dat de blik nooit onschuldig is, dat onze perceptie van de werkelijkheid altijd ook een creatie ervan is. In onze drang om de werkelijkheid te bevatten, geven wij haar ook vorm. Voortdurend schuiven wij onze dromen, herinneringen en verbeelding over de werkelijkheid heen. Op die manier is ieder kijken ook een vervormen en verrijken. Het ligt in de aard van onze blik vervat om overal om ons heen verhalen te zien, om de werkelijkheid te dromen. Bovenal is zijn werk een ode aan de verwondering. Of beter: een ode aan het vermogen tot verwonderen, de kunst van het kijken.

Gezien in KVS op 25 mei 2016 in het kader van het Kunstenfestivaldesarts

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#144

15.03.2016

14.06.2016

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!