‘Antigone’ (Nieuw Ensemble Raamteater)

Erwin Jans

Leestijd 3 — 6 minuten

Antigone

Het Raamteater, Antwerpen

Walter Tillemans regisseerde bij zijn huisgezelschap Het Raamteater één van de grote Griekse klassiekers: Sophocles’ Antigone. Het verhaal is bekend. Tegen de wil van haar oom, de heerser Kreoon, begraaft Antigone het lijk van haar broer Polyneikes, die zich tegen zijn broer Eteocles en de stad Thebe keerde. Die daad zal zij met haar leven betalen. Traditioneel wordt Sophocles’ tragedie gelezen als het verhaal van de onverzoenbare tegenstelling tussen de wetten van de stad waarop Kreoon zich beroept en de wetten van de goden waarop Antigone zich beroept. Later op het seizoen regisseert Ivo Van Hove bij het Zuidelijk Toneel eveneens Antigone tesamen met een andere tragedie van Sophocles : Ajax.

In het kader van de opvoering in het Raamteater werd op 14 november een colloquium gehouden, waarop aanwezig waren : Prof. F. Decreus (R.U.Gent), Prof. L. Verbeeck (K.U.Leuven), Wannes Van de Velde en Walter Tillemans. Decreus gaf een lezenswaardig dossiertje uit rond de nawerking van het Antigone-gegeven in de Westeuropese cultuur. Enerzijds werd deze academische omkadering door Tillemans vooropgesteld als een voorbeeld voor de samenwerking tussen het theater en de universiteit, anderzijds kon Tillemans het natrappen toch niet laten door erop te wijzen dat het uitsluitend gaat om wat “de dichter” zegt en niet om wat. anderen (i.c. wetenschappers) zeggen. Decreus hield een voordracht met als titel “Waarom al die tragiek in de Antigone ?”, waarin hij o.a. een overzicht gaf van (eigentijdse) houdingen tegenover klassieke stukken (esthetiserend, politiserend, christianiserend, sacraliserend, ritualiserend,…). Het betoog raakte met zichzelf in de war vanaf het ogenblik dat het het woord “postmodern” gebruikte en het verviel daarna tot een opsomming van recente ensceneringen van klassieken die met geen enkele goede wil nog op één noemer te brengen zijn. Verbeeck wees er terecht op dat we niet precies weten wat we bedoelen als we zeggen dat we postmodern zijn, maar dat we evenmin zomaar kunnen zeggen dat we het niet zijn. De discussie rond de invulling van het begrip “postmodern”, zo er al een invulling mogelijk zou zijn, is niet gebaat bij de simpele tegenstelling voor of tegen. Wannes Van de Velde deed in dit opzicht een verrassende uitspraak : het werk van Beuys en Warhol toont “leegte”, een leegte die een machinatie is van een bepaalde politieke klasse die er baat bij heeft dat leegte getoond wordt (!?). Tillemans op zijn beurt viel uit tegen wat hij “de warenhuisesthetiek” noemde van de moderne kunst.

Het gesprek had plaats tegen de achtergrond van het decor van de voorstelling (Jan Vanriet) : een voor de afmetingen van het Raamteater enorme stenen muur met daarin een houten poort. De muur vertoont een diepe barst en de houten poort staat schuin alsof de grond verzakt is. Een elementaire maar suggestieve, niet opdringerige symboliek die al vanaf de eerste seconde van de voorstelling ongedaan gemaakt wordt door het helrode neonlicht in de muurspleet en door het automatisch open en dicht gaan van de poort (van warenhuisesthetiek gesproken). De voorstelling staat bol van dat soort ergerende stijlbreuken. De stilering van de rouwende vrouw van Kreoon staat schril tegenover het overbodige realisme van een met bloed besmeurde Kreoon die zijn dode zoon de scène opdraagt. Er is veel in deze voorstelling dat alleen maar ergernis oproept : het geschreeuw, de nadrukkelijke en pathetische zegging, het overdreven emotioneel en overspannen geacteer met veel storende gestiek.

Decreus prees Tillemans en Van de Velde voor hun oplossing van het “probleem” van het koor. Het koor binnen een moderne enscenering van een klassieke tragedie wordt steeds omschreven als een probleem. Nochtans moet het moderne publiek zich vrij eenvoudig kunnen herkennen in het koor : een groep van mensen die niet ingrijpt, die enkel praat, becommentarieert, dan weer de ene kant kiest, dan weer de andere, en ver staat van het conflict van de hoofpersonages. Wij leven bij uitstek in een tijd van het commentaar, de bedenking, de opinie, de mening, de duiding (misschien is ook dit een van de betekenissen van George Steiners omschrijving van onze tijd als “de periode van het na-woord” ?) Daarmee is natuurlijk het vormtechnische probleem van het koor nog niet opgelost. Van de Velde en Tillemans kozen voor een oplossing via de muziek. Wannes Van de Velde, intuitief geinspireerd door de flamenco zoals hij zelf verklaarde, laat het koor, met masker en lange mantel, de koorteksten half ritmisch zeggen, half zingen met een diepe, nasale stem. Althans dat moet de bedoeling zijn geweest. Niemand van de acteurs heeft enige zangkwaliteiten. De tekst wordt schreeuwerig naar het publiek gezegd en van een oplossing blijft niet veel meer over. Het lijkt erop alsof Tillemans en het Raamteater al jarenlang afgesloten werken van iedere impuls van buitenuit en dat wreekt zich op alle niveaus.

Gezelschap : Nieuw Ensemble Raamtheater;

tekst : Sophocles;

vertaling : Johan Boonen;

Decor : Jan Vanriet;

Liederen : Wannes Van de Velde;

spelers : A’leen Cooreman, Nicole Persy, Inge Verhees; Bert André; Eric Kerremans, e.a.

Gezien in Raamtheater op ‘t Zuid te Antwerpen op 14 november 1990.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

Erwin Jans

Erwin Jans is dramaturg bij het Toneelhuis (Antwerpen). Tevens publiceert hij over theater, literatuur en cultuur in onder andere De Morgen, De Tijd, Eutopia, Etcetera, DW B, rekto:verso, nY, De Reactor, De Leeswolf en Theatermaker.

recensie