Ankers, bomen en gelouterde liefde
Reflecties over vaderschap na Fatherload, Zo gaat het verder en Ik ben een boom
Pieter Martens
© Gijsbert van der Wal
Kan kunstkritiek meer zijn dan de mening van een professioneel recensent? In hun maandelijkse column laten theatermaker Freek Vielen (De Nwe Tijd) en curator/schrijver Lara Staal afwisselend hun licht schijnen op een topic dat hen bezighoudt.
De mens is een massadier, zegt Micha Wertheim in zijn online cabaretshow Niemand Anders. Vanuit een lege schouwburgzaal spreekt hij het publiek via drie verschillende webcams direct aan. Onderin het beeld zie je vier andere toeschouwers. Gedurende de voorstelling verspringen die beelden voortdurend en op het oog willekeurig, waardoor je steeds bij andere huiskamers en bubbels over de vloer komt. De webcams moeten aanblijven, dus niet alleen kijk je zelf bij andere mensen naar binnen, je wordt ook voortdurend bekeken. Het is een conditionerende blik, die blik van de ander. Pas als ik diverse mensen iets zie eten durf ik halverwege de show op te staan en naar de keuken te lopen. Ik pak een keurig mandarijntje (ik word immers bekeken).
Hij laat het geluid horen van een zomerse dag aan het water. Je hoort kinderen die spelen, vrolijk geplons en geruststellend geroezemoes van andere mensen. Bij dit geluid kan ik direct in slaap vallen, zegt hij. Dat komt doordat de kudde mij onbewust laat weten dat er geen gevaar dreigt. Terwijl als het stil is mijn oren de hele tijd blijven scannen naar potentieel onheil. Wetenschappelijk bewezen, zegt hij. Of nu ja, ik weet niet of dat echt wetenschappelijk bewezen is – je moet zo’n mooie gedachte nou ook weer niet kapot checken.
“Het groepsdier Mens zit in isolement en de grens tussen waarheid en verzinsel staat onder steeds grotere druk.”
In die subtiele grap, dat zweempje ironie, komen voor mij de belangrijkste thema’s uit zijn voorstelling samen. Het groepsdier Mens zit in isolement en de grens tussen waarheid en verzinsel staat onder steeds grotere druk. “Ik ben in mijn eentje knettergek aan het worden,” zegt hij. Maar er was niemand die dat tegen hem zei omdat die verdwaling collectief gebeurde.
Voor iedereen die de voorstelling nog niet gezien heeft, zou dit een goed punt kunnen zijn om te stoppen met lezen. Je hebt nu een grof idee van de inhoud en mijn absolute aanmoediging om het zelf te gaan bekijken. Ik schrijf dit stukje vooral voor degene die het al wel hebben gezien en er over willen napraten (je weet wel, zoals vroeger, in het café).
Maar als je de voorstelling nog niet gezien hebt, is het beter om te wachten met lezen totdat je daar iets aan gedaan hebt. De voorstelling is namelijk deels interactief en werkt sterker als je er met zo min mogelijk voorkennis in gaat. Zelfs deze laatste zin is er misschien al te veel aan – als je weet dat je naar een goochelaar kijkt, kijk je toch anders dan als er plots in een gewone voorstelling iets magisch gebeurt.
Dus ik richt me – bij deze – tot een klein select groepje; zij die de voorstelling al gezien hebben, of absoluut zeker weten dat ze dat nooit gaan doen, ook al komen er nog dertig succeshernemingen. Daarnaast kan ik me niet anders voorstellen dan dat er ooit massa’s theaterwetenschappers gaan afstuderen op dit coronajaar in het theater, dus ook voor hen is dit verslag wellicht de moeite (nu je er toch bent: hoe is het in de toekomst? Hoe staat het met de vliegende auto’s? Nog nieuws over klimaatverandering? Heeft covid-19 opvolgers gekregen?) (Ik praat de tijd even vol zodat de treuzelaars de tijd hebben om echt te stoppen met lezen.)
Pompiedom.
Goed, nu ook twijfelaars zijn afgehaakt en we eindelijk echt alleen zijn, (of misschien wel -eindelijk echt samen), zal ik proberen te beschrijven wat ik heb meegemaakt, toen ik vrijdag 19 februari 2021 (dit voor de preciezen onder de theaterwetenschappers) vanuit mijn woonkamer Niemand anders zag.
Zoals gezegd: een lege zaal, vier verspringende willekeurige medetoeschouwers en drie webcams. Daarvan heeft er één zo’n ‘zoom’achtergrond (waarmee hij dus verschillende achtergronden kan laten zien, en die Micha vooral gebruikt om zogezegd vanuit zijn werkkamer te spreken), één is een bewegend beeld waar een stationaire fiets voor staat, waarmee hij dus virtueel kan fietsen en de derde heeft geen speciale achtergrond – hier zie je de lege schouwburg zelf.
Hij begint zijn monoloog met een verhaal over hoe hij als zesjarig jongetje in een nieuwe klas terecht kwam. Alle vreemde ogen keken naar hem, en hij keek naar die nieuwe vreemde mensen die hij niet kende. Gelukkig was er daar zijn juf die de dag blijkbaar begon met een verhaal waarbij ze dia’s liet zien. Ze vertelde over Niels Holgersson, het kleine mannetje dat op de rug van ganzen over de wereld vloog. En terwijl de kleine Micha daar in die vreemde klas zat, zag hij plots die Niels Holgersson op een van die dia’s bewegen! Hij wenkte naar hem. Hij wist het zeker, ook al had niemand anders het gezien.
Direct krijgt verbeelding in deze voorstelling daarmee de status van iets wat zowel je redding kan zijn in een benarde sociale situatie, als juist de reden dat je je afgesloten voelt van de groep.
Ik moet eerlijk toegeven dat ik maar half naar zijn openingsverhaal luisterde, ik was zelf te veel bezig met die vreemde ogen onder in het beeld, die naar mij keken en naar wie ik kijken kon. Wat zeiden de interieurs van mijn medetoeschouwers over hen? Was dit dus het Micha Wertheim-publiek? Best divers. Best veel knappe jonge vrouwen. Zou er straks interactie zijn? En hoe zit ik hier eigenlijk? Wat zegt dat dekentje dat ik om mezelf heen heb geslagen over mij? Moet ik niet zonder dekentje kijken? Wat voor een soort dekentje is dit eigenlijk? Wat voor soort iemand ben ik eigenlijk? Hoe word ik in godesnaam gezien door die anderen?
“Over Corona valt nu eenmaal geen spannend verhaal te vertellen omdat we allemaal exact hetzelfde aan het meemaken zijn.”
Het intro praatje wat na zijn openingsverhaal komt kabbelt en blijft voor mijn gevoel een driekwart voorstelling doorkabbelen. Aangenaam, onderhoudend, met voor cabaret-begrippen een extreem lage grapdichtheid, maar toch net boeiend genoeg om te blijven boeien. Het zorgt vrij exact voor die vertrouwde halve concentratie en lamlendigheid die we inmiddels allemaal zo goed kennen van de zoomvergaderingen. Dat kan ook niet anders zegt Wertheim– over Corona valt nu eenmaal geen spannend verhaal te vertellen omdat we allemaal exact hetzelfde aan het meemaken zijn. Daarbij heb je voor de theaterconcentratie andere mensen nodig. Om die reden is zestig jaar geleden ook de lachband uitgevonden toen ze vroeger voor het eerst van de theaterzalen naar de kijkbuis gingen. Zonder mensen om je heen, lach je niet.
(Zijn jullie er nog, mensen die de voorstelling nog niet hebben gezien en dat wel van plan zijn? En die dit toch nog aan het lezen zijn? Vertrouw me nou – stop met lezen)
Om die reden, de reden dat je theater toch eigenlijk echt alleen samen kan ervaren, worden we in een break-out room geplaatst waar we een willekeurige andere bezoeker zien. De man die ik tegenkom krijgt zijn microfoon niet aan de praat. Ik druk op wat knopjes, roep luidkeels naar mijn scherm of hij mij wel kan verstaan, en uiteindelijk gesticuleren we naar elkaar dat het jammer is, maar dat we gewoon even zullen wachten tot de show weer verder gaat. Sowieso had ik al niet zo’n zin om met een vreemde te moeten spreken. Dus erg rouwig ben ik niet om het technisch mankement.
Het is in het laatste deel van de voorstelling dat alles samenkomt. De verhalen over alleen zijn, over het voor niemand optreden, over in een lege zaal moeten spreken en dan – komt plots de man die ik in mijn breakout room had het podium opgelopen. Ik voel me beetgenomen, maar op een zeer aangename manier; ik ben er met open ogen ingelopen. Ook beneden in mijn scherm reageren mensen lacherig en betrapt. Het was dus geen echte toeschouwer die ik niet verstond, het was één filmpje dat alle toeschouwers hebben gezien en waarmee ik tevergeefs heb geprobeerd te praten.
Vanaf dan – als de truc me wakker en alert heeft geschud gaat het snel. Ik kan nog maar nauwelijks nadenken over de vraag of de andere toeschouwers die ik zie niet misschien ook acteurs zijn, of Micha Wertheim geeft een speelgoedpoppetje door vanuit zijn kader, dat wordt aangenomen door een andere toeschouwer in het kader beneden hem. Die speelt dat door naar rechts en zo verder totdat uiteindelijk mijn ‘medetoeschouwers’ beginnen weg te faden. Ook Wertheim fade weg en we zien een lege schouwburg. Ik blijf alleen achter. Met een wat sombere stemming kijk ik naar de enige overgebleven mens op het scherm: ikzelf. Er was dus misschien simpelweg niemand anders. Ik heb alleen maar gedacht dat ik deze voorstelling samen keek, maar ik keek hem alleen en in mijn eentje.
Als de voorstelling klaar is, de laptop dicht, de woonkamer stil, moet ik denken aan een uitspraak van Paul Verhaegen – hij legde ooit aan me uit dat een taal pas bestaat als je met zijn drieën bent. Met zijn tweeën is het een geheimtaal en in je eentje is het wartaal. Ik sprak Verhaegen ver voor deze lockdown omdat hij ook toen al zich zorgen maakte over de grote hoeveelheid eenzame mensen – en hoe die eenzaamheid door ons (toen nog vrijwillig) digitaal leven vergroot werd. De voorstelling en misschien zelfs de Coronacrisis is in die zin dan ook een vrij dystopische lachspiegel van onze tijdgeest. Het toont wat we nu missen. Hoe graag we eigenlijk samen zijn, hoeveel nood de mens als massadier heeft aan de conditionerende blik van de ander – en het vrolijk geplons van medemensen aan een waterrand.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.