Adriaan Van den Hoof © Fokke Van der Meulen

Leestijd 4 — 7 minuten

Achterklap – Adriaan Van Den Hoof

Iedereen heeft wel een reden om hem ergens van te kennen – meestal meer dan één zelfs. In het theater was hij actief bij Tg STAN, De Roovers, de Kakkewieten en Pieter De Buysser. Muzikaal kennen we hem van bij El Tattoo del Tigre en Discobar Galaxie. Grote bekendheid verwierf hij op televisie met optredens in Het peulengaleis en met zijn rol in de rubriek ‘Vaneigens’ in Man bijt hond. Algemene bekendheid werd zijn deel sinds hij voor datzelfde programma in ‘De lustige lezers’ (samen met onder meer de actrice An Miller, maar evenzeer met de komiek Urbanus) voorleest uit stripverhalen gaande van De Rode Ridder over Kiekeboe tot F.C. De Kampioenen. De dvd’s zaten al bij HUMO.

En nu heeft Adriaan Van den Hoof met Achterklap zijn eigen onemanshow gemaakt. Hij bedoelt achterklap niet in de betekenis van roddelen, wel in de zin dat je achteraf terugdenkt aan iets grappigs dat gebeurd is of dat je gehoord hebt, en je glimlacht daarbij. De eerste connotatie is echter ook nooit ver weg.

Bij Van den Hoof moet je dit ‘terugdenken’ letterlijk nemen, want er wordt nogal wat teruggedacht. Als kapstokken in de voorstelling fungeren vaak jeugdherinneringen, met name referenties aan elementen uit de populaire cultuur die sinds enkele decennia in Vlaanderen (en ook daarbuiten) de belevingswereld van jongeren (en ‘ jonge ouderen’) sterk bepalen, zoals The A-Team, Batman, en natuurlijk ook Star Wars. Van den Hoof vertelt hoe hij op het maniakale af superhelden verzamelt, zoals een Darth Vader met shampoo.

Het levert veel herkenning op, want wie heeft niet toen hij klein was (en vaak zelfs later nog) de mannekes van de merchandising van zijn of haar favoriete films en tv-series verzameld en gekoesterd? Wat Van den Hoof daarover vertelt is niet alleen leuk voor zijn generatiegenoten, maar ook voor hun ouders. Zij denken met een glimlach terug aan de obsessies van hun kinderen en kunnen die vandaag vergelijken met die van hun kleinkinderen. Want ja, Adriaan Van den Hoof is sinds kort ook vader geworden, en dus worden kinderen, ouderschap en seksuele voorlichting ook mee in het bad getrokken.

Om een pure trip down memory lane is het Van den Hoof niet te doen. Eerder wil hij een enthousiasme en een kijk op de dingen meegeven die gewoonlijk als kinderlijk wordt getypeerd. Vandaar de aanwezigheid van woordspelletjes, genre ‘uw gsm wil ook wel eens een avondje uit’ (wanneer hij bij het begin aan het publiek vraagt om de gsm’s uit te zetten), en ‘gedixiedansercoerd’ (voor ‘onderkoeld zijn’).

Vandaar ook de vele imitaties en parodieën. Soms zijn die heel geestig, soms ook niet. Zijn imitatie van een robot vond ik teleurstellend, maar dat is vooral, denk ik, omdat ik dit Xavier Le Roy in de (in performancekringen wereldberoemde) voorstelling Self Unfinished al véél beter heb zien doen. Zijn imitatie van Herbert Flack vond ik dan weer grandioos.

Daarnaast worden er moppen verteld, zijn er verhalen over zijn ervaringen in de sauna, over het afluisteren van meisjes in pashokjes, etc.

Het moet gezegd: Van den Hoof doet dat allemaal met verve, en hij komt daarbij zo sympathiek over dat je het hem vergeeft als het al eens wat flauwer wordt. Je kunt ook niet altijd mee zijn met wat hij zegt, want soms is er geen ‘klik’. De herkenning is voor iedereen (een beetje) anders.

Theaterliefhebbers zullen de oren spitsen bij wat hij te vertellen heeft over Tsjechov (zijn lievelingsauteur, die vooral over verveling schrijft, hetgeen helemaal niet vervelend hoeft te zijn) en over zijn opleiding aan Studio Herman Teirlinck. Het zal hen ook opvallen hoezeer de voorstelling door het theater en zijn praktijken gekleurd is – en dat terwijl de maker beweert dat ze precies het tegendeel ervan wil zijn.

In interviews heeft Van den Hoof zich vrij expliciet uitgelaten over het hoe en het waarom van zijn onemanshow. Niet dat hij niet graag acteert, maar de laatste jaren voelde hij zich nog zelden betrokken bij theater. Het fijne aan comedy, zo zegt hij, is dat het publiek rechtstreeks wordt aangesproken. Zo van: Goeie avond, dames en heren. Hij zegt het publiek persoonlijk te willen benaderen, en verwijst daarbij naar Wim Helsen. Van den Hoof staat dan ook een voorstelling voor ogen die door het publiek kan worden ervaren als een ontmoeting, als een toevallig aan de klap geraken.

Maar is wat hij doet dan werkelijk zo anders dan wat er in het theater gebeurt? In figuurlijke zin – en dat is wat hij zelf vooral bedoelde – alvast niet. Het standpunt van waaruit Van den Hoof vertelt wijkt niet essentieel af van het klassieke theatrale standpunt: hij staat op scène en speelt, het publiek zit in de zaal en luistert. Van welk toevallig aan de klap geraken is hier dan sprake?

Van den Hoof beweert dat de kans groot is dat je hem tegen het einde van de avond kent. Dat kan goed zijn, maar daarmee kent hij ons nog niet. Hij spreekt, maar het publiek kan niet terugspreken. Een echt gesprek is er dus niet.

In letterlijke zin dan zijn het rechtstreeks aanspreken van het publiek en het doorbreken van de vierde wand nu nét elementen die eigen zijn aan hedendaags theater, en met name het theater waar Van den Hoof zelf aan meewerkt, zoals dat van Tg STAN. Zeer kenmerkend voor het werk van die laatste groep is het ‘in het moment zijn’. Elke voorstelling is anders, want onderhevig aan factoren die zowel op scène als in de zaal iedere keer weer verschillend zijn. Tegelijk wordt het theater als theater ontmaskerd. De personages vallen niet samen met hun rol; ze blijven mensen van vlees en bloed die niet anders zijn dan het publiek dat tegenover hen zit. Opvallend in Achterklap is het hoge metagehalte, want de voorstelling reflecteert expliciet en veelvuldig over zichzelf.

De tegenstelling die Van den Hoof opvoert is dus schijn. Met Achterklap heeft hij een voorstelling gemaakt die evenzeer voortkomt uit de tradities van Tg STAN en Maatschappij Discordia als dat ze zich liet inspireren door het werk van Wim Helsen of het verteltheater van Warre Borgmans. Het is een voorstelling die niet tegenover maar naast het theater staat, meer zelfs, die perfect in het verlengde ervan ligt.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#112

01.06.2008

31.08.2008

Johan Reyniers

Johan Reyniers is schrijver en dramaturg. Hij was de directeur van de Leuvense organisatie voor hedendaagse dans Klapstuk (1993-1998) en artistiek directeur van het Kaaitheater (1998-2008). In 2008 werd hij hoofdredacteur van Etcetera. Sinds 2014 is hij hoofddramaturg bij Toneelgroep Amsterdam.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!