(A)

Leestijd 9 — 12 minuten

Wie houdt vandaag het koffiehuis open?

Theatermakers in de greep van de (verloren) Europese droom

Europa stort zich van de ene crisis in de andere. Syriëstrijders, geopolitieke spanningen en vluchtelingenstromen verplichten de inwoners van de EU
om hun identiteit te herdenken. Ook theatermakers buigen zich over het vraagstuk. Welk beeld van Europa brengen zij op de planken? Anton Jäger ging kijken naar recente voorstel- lingen van Johan Simons, Milo Rau, Fikry El Azzouzi en Mokhallad Rasem. Het grote fatalisme dat uit twee van de drie gevallen sprak, bestendigt volgens hem de politieke impasse, eerder dan dat ze die helpt te doorbreken.

In zijn in 2005 gepubliceerde Nexus-lezing stelde de Amerikaanse cultuurfilosoof George Steiner een even bondige als omstreden definitie van Europa voor. Europa zou gedefinieerd moeten worden aan de hand van haar koffiehuizen. ‘Teken een kaart van de koffiehuizen,’ dixit Steiner ‘en je hebt een van de concrete afbakeningen van de ‘idee’ Europa.’ Van Brussel tot Praag wordt in het koffiehuis volgens Steiner een cultuur beleden die zowel ‘club, vrijmetselarij als poste restante voor de thuislozen is. (…) Het is een plek waar rivaliserende scholen in de psychoanalyse en de politieke economie samenkomen, de plek waar Lenin zijn boeken schreef terwijl Trotski met Freud en Karl Kraus schaakte. Zolang het koffiehuis bestaat, bestaat Europa,’ besluit Steiner.

Het belangrijkste aan het café (en daarmee bedoelt Steiner wel degelijk het Europese café, in tegenstelling tot de Angelsaksische pub en de Amerikaanse bar, die volgens hem een andere ‘ontologische status’ bezitten) is het ontbreken van enig intellectueel centrum. Als etablissement laat het café zich net definiëren door wie er komt binnengewandeld: geen wonder dat Sartre zijn concept van het ‘niet-zijn’ definieerde aan de hand van het komen en gaan van mensen in een Parijse kroeg. Steiner is dan ook maar een van de velen die dit ‘gebrek aan een centrum’ benadrukt in zijn definitie van een Europese identiteit.

De Franse cultuurcriticus Rémi Brague gaf in zijn boek Europe: la voie romaine (1992) aan dat deze Europese ‘excentriciteit’ (in de letterlijke zin van het woord ‘ex-cen- triek’) misschien wel haar meest bijzondere uitvinding is. Het Europese universalisme is in zijn ogen het meest particuliere in de wereldgeschiedenis. Spreken van ‘eurocentrisme’ is voor zowel Steiner als Brague dan ook een zinledige uitspraak, want elke vorm van authentiek Europees denken vertrekt net vanuit de veronderstel- ling dat de wereld geen centrum heeft. Voor de Griekse filosoof Cornelius Castoriadis is het verwijt van ‘euro- centrisme’ een door en door Europees verwijt. ‘De vraag ‘Bent u niet eurocentrisch?’ is een eurocentrische vraag. Het is een vraag die mogelijk is in Europa, maar ik zie niemand inTeheran aan de ayatollah vragen of hij islamocentrisch of iranocentrisch is,’ zo stelt Castoriadis.

Het zwaard van Damocles

Wat stelt deze idee voor Anno Domini 2016, een jaar waarin de vraag naar de Europese identiteit pregnanter lijkt dan ooit? De transnationale politieke structuur van de EU, die lang gevierd werd omwille van haar pacifice- rende werking, staat op heden onder druk. De ‘Eenheid in verscheidenheid’ steekt bleek af tegen de huidige vermenigvuldiging van de verdeeldheid: de ene dag positioneert Oost zich tegen West, de andere dag Noord diametraal tegen Zuid of Griekenland tegen de rest van de lidstaten. Daarbovenop komt de cataclysmische vluchtenlingencrisis.Tegen deze achtergrond lijkt het ‘centrumloze’ koffiehuis, waar Europeanen met de meest verschillende achtergronden elkaar kunnen ontmoeten, een vage droom.

De voorbije maanden trachtten heel wat theatermakers uiting te geven aan deze crisis van het Europese bewust- zijn. Johan Simons creëerde voor NTGent een vijfdelig feuilleton, gebaseerd op Geert Maks klassiek geworden geschiedenisboek annex reisverslag In Europa. De theatermaker Mokhallad Rasem bracht samen met de schrijver Fikry El Azzouzi een hedendaags relaas van het ‘lotloze’ leven van een bootvluchteling, gemodel- leerd naar de gevierde roman van J.M. Coetzee (De kinderjaren van Jezus), terwijl Milo Rau met The Civil Wars, het eerste deel van zijn ophefmakende Europa- trilogie, rondtoerde. In deze stukken keerde het motief van de ‘Europese excentriciteit’ terug: het specifieke onvermogen om het woord ‘Europa’ van een vaste semantische lading te voorzien. Zoals Milo Rau in een gesprek aangeeft ‘is Europa een realiteit, zij het een extreem disparate, en net als de verstoten bastaarden bij Shakespeare moeten wij daarmee leren omgaan.’ De problematische verhouding tot een moeilijk aflijnbare Europese identiteit hangt als een zwaard van Damocles boven de verschillende voorstellingen.

In Simons’ adaptatie van Maks magnum opus lijken
we wel de theatrale evenknie van het koffiehuis te
zien, met zijn praatgrage intellectuelen en driftige muzikanten.Tijdens vijf ‘Europese voorleesavonden’ passeert een eeuw Europese geschiedenis de revue. Verschillende NTGent-spelers zoals Benny Claessens en Els Dottermans doorploegen Maks turf onder de bege- leiding van een steeds wisselende muzikale bezetting. De passages worden afgewisseld met tekstfragmenten van enkele Grote Europeanen. In het eerste luik horen we bijvoorbeeld stukjes uit het werk van Maeterlinck, Zweig, Céline, Marinetti en vele anderen. Hoe meesle- pend de gekozen canonieke teksten ook mogen zijn–en dat zijn ze ongetwijfeld allemaal–de enscenering van In Europa lijdt ietwat aan dezelfde kwaal als het schrif- telijke origineel. Beiden gaan gebukt onder een groot historisch fatalisme, dat elk activisme hier en nu fnuikt. Steeds opnieuw wordt het onvermijdelijke van de Europese lotsbestemming benadrukt: ‘Europa is ons lot.’ Een dergelijke instelling voert ons niet weg uit de poli- tieke verlamming, maar lijkt die eerder te bestendigen. Nergens wordt er gerefereerd aan de huidige politieke crises die het continent teisteren, noch wordt duidelijk hoe de zwaarmoedige historische reflectie deze crises zou kunnen remediëren.

Europa als lege ruimte

Het onvermogen om anno 2016 een sluitend antwoord te bieden op de vraag wat de Europese identiteit nog zou kunnen stutten, uit zich in The Civil Wars (2014) eerder als een sociologische tragedie dan als een melancholisch minnespel zoals we dat bij In Europa zagen. Europa wordt er voorgesteld als een ‘continent zonder vaders’. Milo Rau doorweeft de vertelling van een Syriëstrijder, die vader, moeder en Europa verliet, met de persoonlijke levensverhalen van de vier acteurs in de voorstelling. Karim Bel Kacem, Sébastien Foucault, Johan Leysen en Sara De Bosschere bieden elk een inkijk in de ingewik- kelde, problematische relaties die zij onderhouden met hun eigen afwezige vaders. Het freudiaanse complex van de vaderloze samenleving, dat in de jaren 1960 door verscheidene discipelen van de Weense wonderdokter werd aangehaald, plaatst de vraagstelling rond de crisis van de Europese identiteitsvorming in een ander daglicht. De ervaringen van de vaders kunnen ons niet meer tot voorbeeld strekken. The Civil Wars toont een Europa dat opgesloten zit in een historische impasse. De Europese ‘lege ruimte’ (de uitdrukking is van Rau) heeft bovendien heel wat slachtoffers op haar geweten. De centrumloosheid en openheid voor diversiteit, waar het continent zich op placht te beroepen, staan in contrast met de barrières waar de nieuwe Europeanen, de moslimjongeren bij uitstek, nog steeds op stuiten. De jongeman die in het stuk in Syrië de heilige oorlog wil vervoegen, doet dat volgens Rau in hoofdzaak als reactie op een Europese onbepaaldheid waarbinnen hij geen plek weet te vinden. Wat Slavoj Žižek het ‘actieve nihilisme’ van de IS-strijders noemt, komt hier duidelijk naar voren. In hun zoektocht naar zingeving zal voor de verdwaalde jongelingen elk verhaal volstaan, zolang het maar in iets voorziet.

Het interessantste aan Raus onderneming is misschien wel dat hij zich in zijn vraagstelling rond de Europese identiteitsvorming laat begeleiden door net die personen die haar malaise het hevigst ondervinden. De politiek activist Dyab Abou Jahjah, die de regisseur voor preli- minair onderzoek inschakelde, stelde in een gesprek naar aanleiding van het stuk dat Europa voor een keuze staat, namelijk die tussen ‘een burgeroorlog en een gemeenschappelijk verhaal’. Op dat laatste werken Fikry El Azzouzi en Mokhallad Rasem voluit door. De zoektocht naar een nieuw Europees narratief vindt zijn meest ambitieuze poging in hun adaptatie van Coetzees roman De kinderjaren van Jezus (2015). Hoewel de voorstelling duidelijk het werk is van twee prille kunstenaars, lijkt ergens in het stuk toch de belofte te schuilen dat de impasse die Milo Rau aankaartte, te remediëren valt. Door expliciet te focussen op hét politieke vraagstuk van het hedendaagse Europa – hoe om te gaan met de vluchtelingencrisis? – wijzen ze op de urgentie van de taak om Jahjah’s ‘nieuwe gemeenschappelijk verhaal’ te construeren. Passiviteit is naar hun mening geen optie.

Daarnaast is het belangwekkend dat deze boodschap wordt gebracht door figuren die zelf de gevolgen van de Europese identiteitskwestie aan den lijve ondervinden. El Azzouzi werd als winnaar van de PEN-publieksprijs zowel gevierd als gekastijd voor zijn pleidooi voor actief pluralisme, en is een driftige participant in het Vlaamse cultuurdebat. Het feit dat hij zich nu, als telg van de ‘allochtone gemeenschap’ in Vlaanderen (de denigre- rende bijklank van die noemer terzijde gelaten) waagt aan een interpretatie van misschien wel het meest omni- presente Europese verhaal–de Christuslegende–dan toont dat aan dat de malaise die Rau ontwaart, misschien toch niet zo fataal is.

Overnemer gezocht

Het contrast met de lethargie bij Rau en Simons is groot. Het feit dat Europa bijna bezwijkt onder haar historische schuldlast, dat haar koloniale capriolen en moordlustige gewoontes zich niet laten afschrijven, wordt in Simons’ voorleesavonden gezien als een aanzet tot melancholi- sche reflectie eerder dan tot activisme. We mogen dan in de posthistorie leven, we kunnen nog ongestoord de bitterzoete vruchten van de Europese herinnering degusteren. Het biedt ons zelfs een exclusief Europese weemoed, die nog het best wordt geconsumeerd met een glas wijn in de hand. Het moment dat Benno Barnard identificeerde als ‘het ogenblik waarop Engelse hofdames stopten met hun gedichtenschriften bij te houden’ wordt krampachtig terug tot leven geroepen. Over de ‘reëel bestaande EU’ met haar supranationale instituties en neoliberale expansielogica wordt nauwelijks met een woord gerept.Terwijl de Brusselse bovenbazen orakelen over ‘competitiviteit’ en ‘markt- vertrouwen’, voltrekt zich aan de Europese periferie een menselijke catastrofe. De vijftig procent van de Griekse jongeren die vandaag zonder werk zitten, hebben lak aan post-imperiale mistroostigheid.

Ook Rau weet niet te ontsnappen aan het fatalisme van de Europese lotsbestemming. Hij stelt vast hoe
de excentriciteit bijna hysterisch is geworden, en wat daarvan de gevolgen zijn, maar lijkt de hoop te hebben opgegeven dat de Europese idee van de ‘eenheid in verscheidenheid’ nog terug tot leven kan worden gewekt.Toch brengt het eindeloze hameren op het vermeende ‘failliet van Europa’ geen artistieke of politieke redding. In de Europese staten gaat de nationalistische murenbouw ongestoord door.

De vraag naar een nieuw gemeenschappelijk verhaal wordt dan ook steevast onbeantwoord gelaten. De excentriciteit teniet doen door de Europese identiteit plots veel nauwer en eenduidiger te definiëren, zoals een aantal conservatieve stemmen dat proberen door te pleiten voor een officiële erkenning van de aloude ‘Christelijke wortels’ van Europa, is voor de kunstenaar onhoudbaar. De vraag hoe het koffiehuis op heden gerehabiliteerd kan worden, als model waarin culturen en erfenissen elkaar op gelijke voet kunnen ontmoeten, is des te pregnanter vandaag. Veel is veranderd sinds de tijd waarin Freud kon schaken metTrotski of Kraus. Hun Europese excentriciteit heeft vandaag meer dan ooit nood aan herdefiniëring in een steeds diepgaander globaliserende wereld. Op 4 juni opent het Holland Festival, dat dit jaar koos om het thema ‘Europa’ op de artistieke agenda te zetten. Benieuwd naar wat daar zal doorwegen: de activistische instelling, of toch eerder de melancholieke reflectie?

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 9 — 12 minuten

#144

15.03.2016

—

14.06.2016

Anton Jäger

Anton Jäger schrijft voor De Groene Amsterdammer, De Wereld Morgen en Apache.be.

Dit artikel maakt deel uit van: Dossier: Milo Rau

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!