Leestijd 6 — 9 minuten

Apenverdriet

Met Altijd Prijs (2008) werd de Gentse theatermaker Arne Sierens geselecteerd voor het Theaterfestival 2008. Dat dit dansante duel/duet voor twee mannen het begin was van een volgende fase in Sierens’ theatertaal, wordt pas duidelijk dankzij de opvolger. Apenverdriet (2009) reveleert immers dat de nadrukkelijke aanwezigheid van dans, de opmerkelijke scenografie en de sobere toon en kleur van Altijd Prijs geen toeval waren. De uitbundige sappigheid van een reeks volkse tranches de vie (Maria Eeuwigdurende Bijstand in 2006, Trouwfeesten en processen in 2007, …) heeft in deze ‘nieuwe Sierens’ plaatsgemaakt voor een sober zwart, wit en rood. Daarmee heeft de oude rot zichzelf nog maar eens heruitgevonden.

Apenverdriet, met Wine Dierickx en Marijke Pinoy in de hoofdrollen, is in alles de vrouwelijke tegenhanger van Altijd Prijs. Centraal staat opnieuw een toevallige ontmoeting van twee ‘zoekende’ mensen, op een kruispunt in hun leven. Opnieuw werkte de ploeg intensief samen met een choreograaf (dit keer Ted Stoffer van Les Ballets C de la B), opnieuw is Guido Vrolix’ scenografie een wonderlijke spiegel van de ziel, een beeldende veruiterlijking van het innerlijk van de personages. En opnieuw lijkt Sierens-de-auteur zichzelf ingetoomd te hebben: net zoals in Altijd Prijs eist de tekst, hoe gevoelig en sprekend ook, niet méér aandacht op dan de muziek, de dans of de scenografie. In deze steeds evenwichtigere versmelting van wat voor het eerst gelijkwaardige expressievormen zijn, ligt het nieuwe meesterschap van Arne Sierens.

Het draait Juliette (Marijke Pinoy) voor de ogen. Is het de drank of de vermoeidheid, nu het feest waarop zij de hele avond lang een voorbeeldige gastvrouw was voorbij is? Neen, het draaien komt van dieper: het draait onder haar voeten, waar de grond Juliette ongewild in beweging zet. Naar analogie met de verraderlijk wegspringende speelvloer uit Altijd Prijs spelen de acteurs in Apenverdriet op een ronddraaiend vlak. Op dat vlak: de bloedrode binnenmuren van een rudimentair huis, alsof een ontploffing de beschermende buitenwanden heeft weggeblazen. Ongegeneerd kijken we binnen in de intimiteit van een doodgewone vijftigjarige vrouw. In een van de kamers treft Juliette de jonge Mara (Wine Dierickx) aan, die er even ongegeneerd als de blik van de toeschouwer is binnengedrongen. Zo keurig, beleefd en gedistingeerd als Juliette is, zo vulgair, lijfelijk en direct is haar ongenode gast. Wat Mara in het huis van Juliette komt doen, is onduidelijk. Wanneer pas halfweg de voorstelling de meest logische vraag ‘Wie ben je?’ eindelijk valt, is het antwoord al niet meer relevant. Het belangrijkste is dat Mara er ís, aanwezig in het hier en nu, in een kortstondig moment van fysieke en mentale connectie met Juliette. Mara trapt Juliette op de tenen. Ze schudt aan Juliettes wereld. Met grote verwonderde ogen constateert ze: ‘Gij hebt zo een matheid over u, zo’n matheid, dat ik denk “Maak u toch los”.’ Terwijl Mara zelf, twintig jaar jonger, net zo vast zit. De hoogste tijd voor een dubbele stavaza van leven en liefde.

Alle apen apen apen na. In de openingsscène zien we hoe Dierickx zich langs de muren de kamer in wentelt, de rekbaarheid van haar jonge lichaam etalerend, en hoe een spiedende Pinoy haar vervolgens imiteert – dezelfde bewegingen, twintig jaar verschil. Maar Juliettes stiekeme aanroeping van de jeugd is tevergeefs, want de grote ‘coïncidenties’ in de levens van de vrouwen confronteren hen in de eerste plaats met het feit dat hun problemen niet eigen zijn aan leeftijd. De een, dertig jaar jong, blikt vooruit naar haar leven en vraagt zich af hoe het nu verder moet. De ander, vijftig jaar oud, kijkt terug en vraag zich precies hetzelfde af. Juliettes in alle opzichten slechtziende man Johan heeft haar uit de klei van haar marginale verleden getrokken, om haar vervolgens te boetseren tot een vrouw wiens ‘gelei normaalgezien altijd perfect’ is. De bandeloze Mara wordt gekooid door haar lief én door haar vergeefse liefde voor een moeder die in Spanje woont en een vader die alcoholist is. Beiden zitten vast op dezelfde wier: ze verlangen naar een liefde die hen niet reduceert tot het verlangen van een ander, maar hen ten volle erkent in wat ze zelf zijn. Het huis is de apenkooi waarin die verlangens frenetiek cirkeltjes draaien, tegen de draairichting in. Beiden beseffen dat enkel zijzelf de macht hebben om het stoplicht waarvoor hun leven stilstaat op groen te laten springen. Van buiten komt de wereld binnengewaaid onder de vorm van een grootstedelijke soundscape, ontwikkeld door pianist Daan Vandewalle. Dat muzikale venster, een amalgaam van stemmen en geluiden, lonkt en lokt hen weg uit de huis clos van hun bestaan.

De nacht schuift voort, het rad draait door. Het draaimechanisme van Vrolix laat alle hoeken van de kamers zien, net zoals de vrouwen ons én elkaar inkijk bieden in de verborgen hoeken van hun ziel. Meer nog dan met woorden doen ze dat met hun lijf. Daarbij gaat Dierickx te werk als een jong veulen, terwijl Pinoy haar lichaam beproeft met de schroom van een rijpere vrouw. Voor de dansfrases inspireerde choreograaf Ted Stoffer zich op de Japanse butoh – een bewegingstaal die vertrekt vanuit het onderbewuste, waarbij dans als terloops ontkiemt in dagdagelijkse gebaren en uitmondt in verstilde, afgemeten bewegingen. Mooi is bijvoorbeeld de nonchalante manier waarop Pinoy en Dierickx op elkaar leunen, elkaar fysiek en mentaal in evenwicht houdend, of de frase waarin ze samen vastraken in de te nauwe gang van het huis. Of hoe Pinoy met een moederlijk gebaar een lok uit het gezicht strijkt van Dierickx, alsof het haar eigen dochter is.

Het is fijn om de fragiele Dierickx eens niet in de rol van ‘mooi meisje’ te zien: het personage van de vulgaire maar o zo ontwapen(en)de Mara past haar als gegoten. Ze gaat voluit, zonder te vergeten dat onder het stoere jack van Mara nog steeds een eenzaam, bang kind zindert. Dezelfde combinatie van kracht en kwetsbaarheid legt Marijke Pinoy aan de dag, zonder ook maar één moment toe te geven aan het groteske schmieren dat in andere voorstellingen zo voor het grijpen lag – ten dele omdat het ingeschreven was in de personages. Sierens lijkt in zijn karaktertekening dan ook steeds verder weg te drijven van de commedia dell’arte-achtige stereotiepen à la ‘de hoer’ of ‘de dokter’, ten voordele van het persoonlijke. Spel, tekst en kleurenpalet gaan een schaal kleiner, met groots resultaat.

De vrouwen lopen door het huis en strelen de muren, als in een afscheid. Maar zullen ze ook over de drempel stappen? De slangeden, apenboom of araucaria araucana wordt ‘apenverdriet’ genoemd omdat de stam bedekt is met scherpe, driehoekige naalden, die de apen afschrikken en op de grond houden. Maar die ene aap die zijn angst overwint, kan de hele wereld overschouwen.

www.compagnie-cecilia.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#120

01.02.2010

—

31.03.2010

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!