Iphigenia – De Roovers
Geef mij maar het verzet van Klytamnestra
Mia Vaerman
‘Metamorfosen’ © Jonah Samyn
Het ongemak dat je soms bekruipt als criticus. De zaal veert applaudisserend recht na de voorstelling maar jij blijft zitten. Het is eenzaam in die kleine ivoren toren. Maar al te graag zou je eruit willen breken om te kunnen delen in het enthousiasme van de anderen! Maar dat gaat niet. Metamorfosen van Piet Arfeuille is een bonte collage, vrijelijk gebaseerd op het gelijknamige epos van de Romeinse dichter Ovidius.
Ondanks de ambitieuze thematiek doet de voorstelling zich erg toegankelijk voor. De toeschouwer lijkt op zijn wenken te worden bediend: er is genoeg variatie, een streepje muziek vult een stilte op en overal zitten grapjes doorheen gevlochten. Er is helemaal niets verkeerd met toegankelijkheid, maar als de drang ernaar de vorm van het artistieke werk gaat beheersen, dan loopt het fout. Is Arfeuilles voorstelling trouwens werkelijk toegankelijk? Aan wie verleent ze dan precies toegang, en tot wat?
Ovidius’ Metamorfosen (vermoedelijk 1 n.C.) bestaat uit een rijke verzameling mythische verhalen rond de gedaanteverwisselingen van goden, halfgoden en stervelingen. De dichter begint zijn epos met de ontstaansgeschiedenis van de wereld en de mens en besluit, vijftien boeken later, met een lofzang op keizer Augustus. Ook Arfeuille tracht de nevelige oorsprong van het bestaande te verbinden met zijn eigen tijd, onze tijd, het concrete hier en nu. Anders dan Ovidius plaatst hij die twee tijden uitdrukkelijk naast elkaar, om ze te laten botsen. Met die clash steekt de voorstelling van wal. Het publiek dat de zaal binnenkomt, treft vier acteurs op het podium in het interieur van een smaakloze moderne loft. Ze lijken heel ontspannen, verzonken in alledaagse bezigheden. Zo staat Günther Lesage achter een kleine bar populaire plaatjes te draaien. Tania Van der Sanden en Mieke De Groote drentelen wat rond een fornuis en Gilles De Schryver zit vooraan aan een tafel te lezen. Plots kijkt die laatste het publiek aan en begint over de Titanenzoon Prometheus te vertellen, die met wat water en leem de eerste mens boetseerde. Athena bracht op haar beurt het beeld met haar goddelijke adem tot leven. De mythische wereld die in dit verhaal wordt opgeroepen, steekt schril af tegen de hedendaagse, onttoverde context waarin het wordt verteld.
Is er in al die tijd die ons scheidt van onze oorsprong, wel iets wezenlijk veranderd? Zo ja, valt er daarbij enige vooruitgang te ontwaren, of helemaal niet? Arfeuille grijpt het concept van de metamorfose aan om op zoek te gaan naar wat de meest essentiële kracht is binnen de geschiedenis: verandering of continuïteit. Op het eerste gezicht lijkt alles aan een voortdurende transformatie onderhevig. Daarop wijst de stoomcursus Darwin toch die Lesage ons in de maag splitst. Het is een hilarisch nummertje. Door de duur van de evolutiegeschiedenis terug te brengen tot een etmaal, volgt het komen en gaan van de soorten – in werkelijkheid een traag, ‘onzichtbaar’ proces – zich in een razendsnel tempo op. Pas één minuut en zeventien seconden vóór middernacht verschijnt de mens ten tonele, die vervolgens stoemelings een halve minuut verliest met wat onwennig in het rond te staren.
Het wetenschappelijke vertoog over het ontstaan van de menselijke soort staat lijnrecht tegenover het mythische waarmee de voorstelling begon. De wetenschappelijke inzichten hebben veel van de nevelen rond onze oorsprong doen optrekken en zo mee gezorgd voor de ‘onttovering’ van de wereld. Het mythische verhaal, met zijn vele verklaringen maar gebrek aan bewijsvoering, leeft in de eerste plaats verder omwille van zijn literaire kwaliteiten. Geen nuchter mens die nog gelooft dat wij afstammen van een knutselwerkje, bezield met een goddelijke zucht! Als er onder de historische veranderlijkheid enige constanten zitten verscholen, dan wortelen die niet meer in een Goddelijke Wil maar in de menselijke natuur, zo lijkt toch uit de voorstelling af te leiden. Van der Sanden vertelt hoe de bruiloft van Perseus en Andromeda ontaardt in een bloedbad wanneer Phineus en een bende krijgers het feestje komen verpesten. Phineus is belust op wraak nu de bruid die hem was beloofd, aan een ander wordt uitgehuwelijkt. Tergend lang doet de actrice over de beschrijving van de bloederige veldslag. Verderop in de voorstelling wordt duidelijk waarom. Met een dramatische toon in de stem stelt ze vast: ‘Er is niets veranderd. Na zoveel eeuwen beschaving slaan we elkaar nog steeds de kop in. Er is helemaal niets veranderd.’ Jaloezie, bezitsdrang, machtswellust, haat: deze gevoelens zijn ‘des mensen’ en zullen dood en verderf blíjven zaaien. De menselijke natuur als ‘histoire immobile’. Ook vanuit dit perspectief blijven de woorden van Pythagoras, die Ovidius citeert in het laatste boek van zijn Metamorfosen, betekenisvol: ‘Omnia mutantur, nihil interit.’ Alles verandert, niets vergaat.
Het eindeloze verslag van het strijdgewoel op het bruiloftsfeest van Perseus en Andromeda functioneert niet enkel als illustratie van de menselijke wreedheid. Al gauw wordt duidelijk dat de overdreven gedetailleerde beschrijving van het gebeuren, waarbij de namen van álle slachtoffers én hun onderlinge familiebanden uit de doeken worden gedaan, ook bedoeld is om een humoristisch effect te sorteren. De gebaren van Van der Sanden worden steeds breder en theatraler, al te uitdrukkelijk hengelend naar de lach van de toeschouwer. Je geraakt op den duur niet meer wijs uit die steeds snellere opeenstapeling van informatie. De grap lijkt relativerend bedoeld, alsof het publiek op zijn gemak moet worden gesteld: ‘Neem het alsjeblieft ook niet ál te ernstig! Ook wij lopen verloren in die drukbevolkte, gecompliceerde wereld van de mythe!’ Dat de intellectueel hier wordt opgevoerd als een pedante blaaskaak, zal niet verbazen. Bij gebrek aan spierballen om mee te rollen, tracht Lesage de twee vrouwen te imponeren met kennis, maar keer op keer moet hij knarsetandend de duimen leggen voor De Schryver. De benjamin van het gezelschap verovert de vrouwenharten met zijn jeugdige onschuld en charme.
Beweren dat de voorstelling in een sfeer van anti-intellectualisme baadt, is misschien een stap te ver. Wel spreken uit Arfeuilles Metamorfosen een aantal vooronderstellingen over het publiek in de zaal. Zoals in jeugdtheater vormelijk rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van jonge toeschouwers, zo lijkt deze voorstelling zich impliciet tot een publiek van leken te richten. Dat eerste hoeft niet per se een probleem te vormen, maar dat tweede is minstens even vervelend als wanneer in de zaal insiders worden verwacht, voor wie een bepaalde voorkennis vanzelfsprekend is. Ik word als toeschouwer graag overschat noch onderschat. De drang naar toegankelijkheid resulteert hier in een oppervlakkige ‘publieksdramaturgie’. Deze vorm van dramaturgie laat zich niet zozeer leiden door de interne logica van de voorstelling maar is in de eerste plaats gericht op het welbehagen van het publiek. Metamorfosen biedt een verstrooiende afwisseling tussen monologen en stukjes samenspel, wildere en meer verstilde scènes, mythische verhalen en prozaïsche gesprekjes. Natuurlijk moet een kunstenaar (en zéker een podiumkunstenaar) ervoor zorgen dat een toeschouwer zijn aandacht bij de les houdt, maar zijn keuzes moeten toch in de eerste plaats artistiek gemotiveerd zijn. In Arfeuilles Metamorfosen blijft de artistieke noodzaak van een aantal elementen nogal vaag. Wat voegen de talrijke grappen toe aan de voorstelling? Bieden de piano-intermezzi die af en toe de gaatjes tussen twee verhalen opvullen iets anders dan louter versiering? Leiden de twee halve liefdesverhaaltjes tussen de personages op scène tot meer dan gemakkelijke herkenbaarheid? Van der Sanden heeft overduidelijk een zwak voor de veel jongere De Schryver en Lesage gluurt voortdurend naar De Groote. De kus van die twee laatsten aan het eind van de voorstelling is overigens compleet ongeloofwaardig. Wie valt er plots voor een man die al bijna twee uur lang als een absolute klier uit de verf komt? Met een kus als afsluiter gaan de handjes achteraf natuurlijk gegarandeerd op elkaar!
Waar is al dat glijmiddel goed voor? Waartoe biedt Metamorfosen dan toegang? Een tweede belangrijk pijnpunt van de voorstelling, naast de publieksdramaturgie, is de thematische overdaad. De op zich boeiende vraagstelling naar de rol van verandering en continuïteit binnen de geschiedenis geraakt erdoor ondergesneeuwd. Het concept van de metamorfose vormt een vergaarbak voor de meest uiteenlopende onderwerpen. Uit de vele toenaderingspogingen van Van der Sanden tot De Schryver spreekt het verlangen-om-iemand- anders-te-zijn, een twintig jaar jongere vrouw in dit geval. Ook acteren heeft natuurlijk alles met metamorfose te maken. Af en toe stappen de spelers uit hun rol om de aandacht te vestigen op de wonderlijke transformatie van acteur in personage. De Groote, die een rol speelde in de succesvolle televisieserie Van vlees en bloed, klaagt over de gevolgen van het BV-schap: mensen op straat gaan nu anders met haar om, hoewel zij nog steeds dezelfde is! Al deze losse eindjes maken van Arfeuilles Metamorfosen een onontwarbaar kluwen. Het gebrek aan thematische consistentie draagt bij tot de ontoegankelijkheid van de voorstelling. Ondanks haar publieksvriendelijk voorkomen sluit ze de toegang tot een beter begrip van Ovidius’ Metamorfosen, of van de wereld van vandaag, immers af.
Sébastien Hendrickx
www.malpertuis.be
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.