Leestijd 6 — 9 minuten

Repertoire revisited. Het debat, de cijfers, de praktijk

VTi / Courant #88

Vlaanderen heeft een bijzonder cultureel systeem: het centrum ervan wordt bezet door de sterren van de postdramatische avant-garde, terwijl Carry Goossens en andere voormalige coryfeeën noodgedwongen in de (niet-gesubsidieerde) periferie van het systeem vertoeven. Dat is op zijn zachtst gezegd een vreemd gegeven (Frankrijk heeft zijn Comédie française, Engeland zijn Royal Shakespeare Company), dat in Vlaanderen ook een specifiek soort culturele spanning met zich meebrengt. Het zogenaamde ‘repertoiredebat’ (de naam is ondertussen een eigen leven gaan leiden) is het rechtstreekse gevolg van dat gegeven. Het Vlaams Theater Instituut wijdde er onder de titel ‘Repertoire revisited’ het recente nummer van zijn tijdschrift Courant aan: cijfers worden aangereikt, de basisteksten werden gebundeld en opinies verzameld in een informatief en actueel nummer.

Startpunt voor het debat was het ‘manifest voor een acteurs- en publiekstheater’ (mei 2008) van Frank Aendenboom, Camilia Bléreau, Koen De Bouw, Jef Demedts, Carry Goossens en Frans Maas, waarin zij onder meer ‘de afbouw van de grote gezelschappen’ en ‘de versmalling van het aanbod’ aankaartten. Het manifest werd prompt – in oktober 2008 – gevolgd door een motie in het Vlaams Parlement, waarin politici Jo Vermeulen, Margriet Hermans en Paul Delva meer aandacht vroegen voor het ‘repertoire’ (reeds in het document zelf wordt het woord tussen aanhalingstekens geplaatst, alsof men zelf niet goed weet wat men eist). Nog voor de discussie goed en wel kon losbarsten, was het verwarring troef. Het manifest vermengt verschillende discussies zonder hun onderling verband én verschil te expliciteren. Een esthetische of poëticale discussie (welk soort theater ontbreekt er in Vlaanderen?) wordt vermengd met een economisch debat (het probleem van de werkgelegenheid en de groeiende flexibilisering inherent aan het freelance-statuut, met daartegenover het almaar groeiend aantal para-artistieke functies) én met een sociologisch vraagstuk omtrent publieksparticipatie (de veronderstelde unserved audience). De auteurs van het manifest gaan er daarbij wel erg gemakkelijk van uit dat er wel degelijk (of beter: nog steeds) een potentieel publiek voor ‘hun’ theater voorhanden is. Tijden veranderen, het publiek ook. Daarenboven maken ze een denkfout door te vergeten dat de theatervernieuwing in Vlaanderen wel degelijk mee bewerkstelligd is door acteurs en acteurscollectieven (en niet in rigide ensemblestructuren zoals zij lijken te suggereren). Rammelen doet het bewuste manifest dus wel degelijk, maar helemaal dwaas of uit de lucht gegrepen is het zeker ook niet. Dat bewezen de felle reacties die erop volgden, ter ondersteuning of ter verdediging, en dat bewijzen ook de bijdragen aan dit nummer.

Met zijn dossier probeert het VTi alvast wat duidelijkheid te scheppen. In een eerste deel wordt een aantal cijfers gepresenteerd, het tweede deel probeert met teksten van Erwin Jans en Guy Cassiers, Hildgard Devuyst, Kevin Absilis en anderen het debat te kaderen, terwijl het derde deel een aantal teksten van praktijkmensen verzamelt die elk op hun manier op het manifest reageren. Het eerste deel, waarin Joris Janssens de VTi-databank indook op zoek naar trends en evoluties met betrekking tot de roep om repertoire, is noodzakelijk maar niet meteen het meest boeiend: de resultaten verwonderen immers niet. Vlaamse overleden auteurs worden amper gespeeld (Vlaanderen beschikt immers niet over een eigen ‘patrimonium’ dat zoals voor bijvoorbeeld de Fransen tegelijk ‘fondamental’ én ‘fondateur’ is, evenmin is er een ingebeeld ideaal waaraan elke voorstelling afgetoetst dient te worden) en het gros van de levende auteurs die vaak gespeeld worden, schrijft in functie van een eigen opvoeringspraktijk (Fabre, Sierens, etc.). De afname van het aantal opvoeringen van het ‘ijzeren repertoire’ is gestaag maar niet dramatisch. De meest gespeelde dode auteur is – hoe kan het ook anders – de meest opvoeringsgerichte: Shakespeare.

Het tweede deel van het nummer bevat de integrale tekst van het manifest en de parlementaire motie, aangevuld met een aantal reacties en kaderende teksten. Cassiers en Jans wijzen niet alleen op het warrige gebruik van de terminologie (repertoire, canon, reconstructie, herkenbaarheid, enz.), maar benadrukken terecht het feit dat theater al lang niet meer gaat over de realisatie van een intentie besloten in de tekst. Hildegard Devuyst stelt een aantal noodzakelijke ideologische vragen. Wat is een theatercanon in onze maatschappij, waar niet alleen de theaterpraktijk erg veranderd is, maar ook die maatschappij zelf? Niet welk repertoire, maar wiens repertoire, that’s the question. Erg interessant is de bijdrage van Kevin Absilis, die laat zien hoe ‘canonitis’ en de zogeheten ‘nieuwe historische koorts’ zich diep in het culturele en historische discours hebben genesteld en zich hebben vertaald in een politieke preoccupatie met erfgoed, het verleden en oral history: ‘Bijna altijd wordt erfgoed ingezet als de maïzena waaraan de samenleving hoogdringend nood zou hebben.’

In het derde deel is vooral de bijdrage van Leporello interessant: het gezelschap houdt een – alvast wat mij betreft – noodzakelijk pleidooi voor meer aandacht voor de immanente kwaliteit van voorstellingen, voorbij de thematische zelfprofilering van de huizen en kunstencentra. Voorstellingen zouden meer en vaker op basis van hun intrinsieke kwaliteiten geprogrammeerd moeten worden, en in langere reeksen (Pippo Delbono bijvoorbeeld ontwikkelde zijn eigen theatertaal door het spelen en herspelen van zijn eigen stukken, via zijn repertoire dus) – en dat los van het evenementiële referentiekader waarin ze maar al te vaak moeten functioneren. Het werk van de maker en niet de lijn van het huis dient centraal te staan. Precies om die reden ben ik het niet eens met Dragan Klaic, die in zijn bijdrage pleit voor het thematisch en dramaturgisch clusteren van welbepaalde voorstellingen.

‘Repertoire revisited’ bevat stof tot discussie, een discussie die ondertussen overigens een beetje een stille dood gestorven is. Duidelijk is in elk geval het belang van een goed tekst- en uitgavenbeleid, en van een historisch bewustzijn: als maker, speler, lezer, criticus, kijker dien je je voortdurend bewust te zijn van de betrekkelijkheid van historische kaders. Enkel vanuit een gedegen kennis van die kaders kan je ermee spelen of aan de haal gaan. Even belangrijk is de aandacht voor niet-canoniek repertoire, zoals in Singhet ende weset vro (KVS & Union Suspecte), niet om het te reconstrueren, maar als springplank voor een zelfreflexief identiteitsonderzoek. Los van al die aspecten blijft wat mij betreft een aspect onderbelicht in dit dossier: het primaat van de artistieke intentie, en dat wars van alle pseudoartistieke romantiek. Anno 2009 lijken theatermakers zich te schromen om precies dat gegeven in hun spreken en handelen centraal te stellen, om zich van al die externe motivaties en extra-artistieke bezorgdheid – want uiteindelijk is de roep om repertoire vooral dát – gewoon niks aan te trekken. De vraag hoe een theatervoorstelling zich tot de theatergeschiedenis verhoudt, is slechts secundair interessant (dat is niet hetzelfde als ‘oninteressant’): theater vertelt in eerste instantie iets over het hier en nu. Dat kan zonder een repertoiretekst, maar dat kan evengoed via een repertoiretekst, niet omdat die tekst zo ‘universeel’ of ‘actueel’ is, maar precies omdat die een ander perspectief laat zien op een werkelijkheid die we als evident ervaren, omdat die tekst ons een other possible world laat zien.

Karel Vanhaesebrouck

Vlaams Theater Instituut, Courant, #88, februari-april 2009.
www.vti.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#117

01.06.2009

—

31.08.2009

Karel Vanhaesebrouck

Karel Vanhaesebrouck doceert theater- en cultuurstudies aan de ULB en het RITCS in Brussel. Hij is tevens gastdocent aan het ESACT in Luik. Hij is actief als essayist en dramaturg.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!