Confessie – Raven Ruëll & Bruno Vanden Broucke
De kunstmarkt maakt de kunstenaar
Klaas Tindemans
© Koen Broos
Ze komen vaak in groepjes. Dit seizoen waren er in Nederland en Vlaanderen weer enkele Medea’s te zien. Johan Doesburg ensceneerde het stuk over de kindermoordenares bij het Nationale Toneel, Ola Mafaalani bij het Noord Nederlands Toneel. Inne Goris maakte een versie met jongeren. Kristien Hemmerechts ging kijken.
Voor ik naar de voorstelling ga, tik ik op Google ‘Medea’ in. Ik lees over Circe en Jason, over de Argonauten en het gulden vlies; over Glauce, de dochter van Creon, voor wie Jason Medea dumpte. En over Medea’s onthutsende wraak. Het verhaal is niet nieuw voor me. Ik heb Tom Lanoyes Mamma Medea gezien, en Stefan Hertmans’ Mind the Gap. En ik heb Christa Wolfs Medea gelezen. Vooral de complexiteit is me bijgebleven. En de heftige meningsverschillen over Medea. De pogingen om haar tegennatuurlijke daad te verklaren.
Ik had me dit voorbereidende huiswerk kunnen besparen. Inne Goris heeft de mythische context weggeknipt en laat zelfs niet één keer de naam Medea vallen. Als je weet dat Medea haar kinderen heeft vermoord omdat haar man haar voor een ander inruilde, weet je genoeg. Recente nieuwsberichten plaatsen het stuk trouwens in een andere, actuele context, die dwingender lijkt dan de mythische, al was het maar omdat de gruwelijke details zo vers in het geheugen liggen. Afgelopen maanden zijn er in België drie babylijkjes gevonden: eentje in het rommelhok van een chirolokaal (de moeder bleek een chiroleidster die erin geslaagd was haar zwangerschap verborgen te houden), eentje in een bos (gevonden door scouts) en een derde, ontdekt door de nieuwe vriend van de moeder in een emmer in haar flat. Die schokkende feiten waren nauwelijks bezonken of er ontstond beroering over de verkoop van een baby uit Gent aan Nederlandse wensouders.
De meest verbijsterende kindermoord-door-ouders-op-Belgische-bodem werd op 28 februari 2007 in Nijvel gepleegd. Die dag bracht Geneviève Lhermitte haar vijf kinderen Yasmine, Nora, Myriam, Mina en Medhi met een mes om het leven. Enkele maanden later verklaarde de vader dat zijn kinderen op een andere manier aan hun einde moesten zijn gekomen, want zijn vrouw kon onmogelijk die onmenselijke daad hebben gesteld. De werkelijkheid is soms te groot voor de menselijke geest en moet worden ontkend. Of ze wordt verbannen naar het rijk der mythen. Een toverkol als Medea is in staat haar kinderen te vermoorden, maar een echte moeder zou zoiets nooit doen.
Blijkbaar doet ze het soms wel. Zelfs vaker dan men denkt. De statistieken zijn ontnuchterend: als een kind wordt vermoord, is de kans groot dat de moordenaar een van zijn ouders is. Waarom brengt een moeder haar kind om het leven? Doet ze het in een vlaag van verstandsverbijstering of bij haar volle verstand? En bestaat er een wezenlijk verschil tussen een moeder die haar kinderen doodt en een vader die dat doet?
De zaal zit afgeladen met scholieren. Ik schat ze hooguit een paar jaar ouder dan het oudste slachtoffertje uit Nijvel. Volgen zij de berichten over de babylijkjes? Hebben zij zich ooit afgevraagd of hun mama op een dag een mes zou grijpen om hen dood te steken? De sfeer is uitgelaten. Als iemand al een sombere gedachte koestert, laat die daar niets van merken. Terwijl de leerlingen luidruchtig op zoek gaan naar hun plaats, staan de acteurs in tegenlicht voor een wit doek. Voorlopig zijn ze voor ons niet meer dan contouren.
‘Ik heb iemand zien bewegen!’ hoor ik achter mij.
‘Er hebben er al keiveel bewogen!’
‘Remco moet hier zitten!’
‘Die één ligt daar al keilang op de grond!’
‘Amai dat moet lastig zijn.’
Het zaallicht gaat uit en alle gesprekken verstommen. De hele voorstelling lang wordt er aandachtig geluisterd en gekeken. Of de leerlingen zijn door hun leerkrachten gedrild of ze zijn echt geboeid. Ik vermoed het laatste. Misschien, zo bedenk ik, houden jonge mensen niet van tekst. Die is gereduceerd tot flarden met terugkerende sleutelzinnetjes, zoals ‘Ik ben van u. Voor eeuwig en altijd.’ Soms wordt eraan toegevoegd: ‘Voor zolang als het duurt.’ Alle zinnetjes zijn even kort en direct en eenduidig. Er wordt met taal niet moeilijk gedaan. De situatie is al ingewikkeld genoeg.
In de krantenartikels over kinderen die door hun ouders vermoord zijn, lees je soms dat die ouders hun wanhoop op hun kinderen hebben geprojecteerd. Als zij geen uitweg meer zien, dan kan er voor hun kinderen ook geen toekomst bestaan. Zij zijn niet in staat een onderscheid te maken tussen hun kinderen en zichzelf. Het fenomeen wordt omschreven met woorden als ‘symbiose’ en ‘identificatie’. Die scheppen een ongezond klimaat.
Voor zulke psychologische bespiegelingen is er in deze sterke voorstelling geen plaats. Inne Goris heeft alles weggelaten wat maar weggelaten kan worden. Er blijven alleen lichamen over, gehuld in doorschijnende jurkjes, bloesjes en broeken waardoorheen je zwart ondergoed ziet. Sommige van die lichamen zijn breekbaar en frêle, andere zijn stevig en gespierd, of een beetje mollig. De lichamen klampen zich aan elkaar vast, omhelzen elkaar, duwen elkaar weg of kruipen in machteloze frustratie naast elkaar over de grond. Met lichaamstaal wordt het oeroude verhaal over aantrekken en afstoten verteld.
Het begint met een meisje dat zich uit de groep losmaakt, in een cirkel naar een jongen – of man – loopt en een arm door de zijne haakt. Even tollen beide lichamen samen, dan laten ze elkaar los en begint het meisje aan een volgende cirkel, die haar weer tot bij de jongen brengt. Bij ieder treffen lijkt de jongen zijn lichaam als een mantel om het meisje te willen leggen. Telkens opnieuw snijdt het me de adem af.
Eerst zie ik alleen elkaar omsingelende en omcirkelende lichamen. Meisjes springen op een jongen of man, slaan armen en benen rond hem, begraven hun hoofd in zijn hals, alsof ze hem nooit meer willen loslaten. Alsof ze een deel van hem willen worden. Of zijn. Dan begin ik een onderscheid te maken tussen ‘moeders’ – hun vormen zijn iets ronder en voller – en ‘kinderen’ met spichtige armen en benen. Hen schat ik nauwelijks een jaar of tien. In de laatste beweging van het drama vertelt een van de kinderen wat er met haar is gebeurd: ‘Ze vroeg of ’t niet beter zou zijn als ’t gedaan was. Ze knipte mijn haar af. Ze trok mijn mooiste jurk aan. Ze duwde het kussen op mijn gezicht. Ze bleef duwen. Waarom knipte ze mijn haar af? Ik heb flaporen.’
Met die eenvoudige woorden plaatst Goris de tragedie in een huiselijke context. Ze laat een moeder het servies in een keuken kapot gooien. Vervolgens viert de uitzinnige vrouw haar woede bot op de flacons en flesjes in de badkamer. En loopt ze blootsvoets op de scherven. En laat ze een bloedspoor op het parket achter. De vader probeert te redden wat er te redden valt. Hij dept en raapt op, hij dept en raapt op, hij dept…
Alle zinnetjes zijn even kort en direct en eenduidig. Er wordt met taal niet moeilijk gedaan. De situatie is al ingewikkeld genoeg.
De furie van deze vrouw wordt louter met woorden geëvoceerd. In andere scènes wordt fysiek geweld niet geschuwd. Lichamen worden weggeduwd en op de grond gegooid. Kletsen worden uitgedeeld. Een kind ligt weerloos tussen zijn ruziënde ouders en wordt afwisselend door de vader en de moeder geschopt. De zaal reageert hoorbaar verontwaardigd.
Op de paringsdans volgen het gevecht en vervolgens de moord. ‘Ik dacht dat hij zou komen’, zegt een kind. ‘Hij’ is de papa, die haar had kunnen redden als hij had geweten dat… en als hij op tijd… en als… De moeder krijgt het laatste woord. Ze herhaalt nog maar eens: ‘Ik ben van u.’ En dan worden we plots terug naar de oudheid gekatapulteerd: ‘Waar ik ga zijn geen goden.’
‘Ik vond dat keigoed’, hoor ik achter mij.
‘Ik ook’, wil ik zeggen. Maar ik zal de hele verdere avond piekeren over het vrouwbeeld dat hier wordt neergezet: een horige vrouw die van een man wil zijn. Als hij haar verstoot, is ze verloren. Ik denk aan de zin: ‘Een vrouw zonder man is als een vis zonder fiets.’ Met die slogan wilden feministen vrouwen tot emotionele onafhankelijkheid aanzetten.
En vervolgens zal ik me afvragen waarom na driekwart van de voorstelling alle dansers/acteurs andere kleren aantrokken. Het heeft iets van een obligaat nummertje, dat ik al te dikwijls heb gezien. Maar vooral zal ik aan het meisje denken in het zwarte jurkje en met de spillebeentjes en de aandoenlijke tekst. Het kind van de rekening.
Zeven/Inne Goris, Naar Medeia, gezien op 28 november in het ccbe.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.