Jerk © Alain Monot

Leestijd 5 — 8 minuten

Jerk – Gisèle Vienne

Begin jaren zeventig verdwenen in de buurt van Houston, Texas, een dertigtal tieners. Weglopers, zo oordeelde de politie zaak na zaak. In werkelijkheid werden ze meegelokt naar drugsfeestjes door Dean Corll, een gezette dertiger die overdag een handje toestak in de snoepwinkel van zijn moeder. Eenmaal ter plaatse werden de jongens vastgebonden, verkracht, verminkt en omgebracht met touwen, messen of een pistool.

Corll had twee helpers, David Brooks en Wayne Henley. Geïntrigeerd door elkaars cynisme en perversie gingen ze over tot steeds gruwelijker folteringen. Op een van de feestjes kreeg Corll ruzie met Henley, die zijn vijftienjarige vriendinnetje Rhonda Williams had meegebracht. ‘Ik verkracht een jongen, en jij moet hetzelfde doen met Rhonda’, gebood Corll. Henley weigerde. Na een heftige ruzie, aangewakkerd door alcohol en drugs, schoot Henley Corll dood met zes kogels. Hij belde de politie en ging over tot volledige bekentenissen. Die werden aanvankelijk niet geloofd. Tot Henley de folterkamer toonde en de plek aanwees waar lichamen begraven lagen. De dode jongens werden teruggevonden met afgesneden penissen. Hun schaamhaar was uitgetrokken. Sommigen waren gewurgd en hadden nog steeds het snoer rond de nek. In de anus van verschillende jongens werden voorwerpen gevonden. In hun urinebuis waren glazen staafjes geschoven die vervolgens waren kapotgedrukt.

In Jerk, een voorstelling van de Franse regisseuse Gisèle Vienne, doet acteur Jonathan Capdeviell het verhaal van David Brooks, de tweede handlanger van Corll. Een passief type dat ervan genoot toe te kijken. Hij werd veroordeeld voor een van de moorden en kreeg levenslang. In Jerk zit hij ontspannen op een stoel voor het publiek. ‘Nu ik ben vrijgelaten kom ik vertellen over mijn drugsverleden’, vangt hij lacherig aan. Zijn verschijning is die van een ex-verslaafde die scholen afdweilt om jongeren te behoeden voor een al te grote experimenteerdrift. Op zijn schoot liggen enkele handmarionetten met dierenmaskers op.

Al gauw dwaalt het personage af van zijn drugsverhaal. ‘U hebt bij het binnenkomen een fanzine gekregen’, wijst hij naar het programmaboekje. Daarin staan twee teksten. Gruwelijke, afstandelijk neergeschreven fragmenten waarin Corll, Brooks en Henley nieuwe jongens leren kennen en verleiden tot hun dodelijke spelletjes. Terwijl hij zijn handpoppen speelklaar maakt, krijgt het publiek de tijd om het eerste fragment te lezen. Door zelf de tekst te lezen, komt het verhaal heel dichtbij. Plots deel je het verhaal niet langer met de toeschouwers rondom jou, maar lijkt het zich af te spelen in je hoogst eigen verbeelding: ‘En daar komt een jongen binnen, negentien misschien, mager, engelengezicht, beetje verveeld, in een T-shirt en een bermudashort. “Maak plaats voor onze gast”, zegt Dean. Wayne en David schuiven naar de uiteinden van de bank. Buddy vult het gat op.’

Het is de start van een trip die je de keel dichtsnoert. Met de verteltoon van een poppenspeler voor kinderen beeldt Capdeviell de foltering en verkrachting uit. Het woord ‘fistfuck’ valt vrijwel meteen. Speels legt hij uit welk stemmetje bij welk personage hoort. De hoge, ijle stem hoort bij de geest van de vermoorde jongens. Corll en Henley doen alsof het een beroemd kindsterretje is: het schattige jongetje dat Dennis the Menace speelt. Het is een spelletje dat de folteraars achteraf altijd speelden om nog meer te genieten van hun lugubere daad.

David Brooks, het personage dat hier wordt uitgebeeld, lijkt al snel niet meer op een berouwvolle delinquent die optreedt voor een praatgroep. Als een getuige tegen wil en dank herbeleeft hij de gruwelijkheden, als was hij gehypnotiseerd. Hij lijkt niet bepaald spijt of afgrijnzen te vertonen voor wat wij ervaren als onuitspreekbare wreedheden. Nee, zijn poppenspel is geconcentreerd en virtuoos. De geluiden waarmee Capdeviell het anale in- en uitpompen illustreert, zijn technisch perfect, en laten niets aan de verbeelding over. Nog perverser wordt hij wanneer hij het seksuele genot van David Brooks evoceert door de pop van het slachtoffer over zijn schouder te leggen en ondraaglijk lang te tongkussen met zijn eigen elleboog. Op het moment dat zijn personage klaarkomt, ontsnapt een stroompje wit speeksel uit zijn mondhoek.

Capdeviell is een virtuoos acteur. Soms lijkt hij net iets te opzichtig te willen uitpakken met zijn kunnen. Zoals in de scène van de ruzie die leidt tot de dood van Corll. Die vertelt hij zonder poppen, maar ook zonder zijn lippen te bewegen. Perfect verstaanbaar en met halfopen mond. Als een kermispop draait hij zijn hoofd mechanisch van links naar rechts en weer terug. Alsof hij iedereen in het publiek een optimaal zicht wil gunnen op zijn kunstje.

Toch kan je Jerk niet betichten van gratuit vertoon. Het poppenspel, de scènes die je op papier te lezen krijgt en het buikspreken zijn allemaal vluchtwegen voor het personage David Brooks. Op geen enkel moment vertelt Brooks zelf wat er gebeurd is. Dat laat hij over aan de poppen, aan de verbeelding van de lezer, aan het geluid dat uit zijn keel komt. Net zoals de bekentenissen in werkelijkheid werden afgelegd door Wayne Henley en niet door hemzelf, blijft Brooks ook na zijn fictieve vrijlating onmondig om zelf rechtuit te vertellen wat er gebeurd is. Of andersom: het is dankzij het spel met marionetten, dankzij literatuur en dankzij de kunst van het buikspreken dat hij zijn toeschouwers toch kan meenemen in de horrorwereld van zijn herinnering.

Met vormen van theatraliteit binnen een theatervoorstelling lijkt de regisseuse te pleiten voor theater als plek waar een gruwelijke werkelijkheid, die niet zomaar kan worden naverteld, wordt getoond en verwerkt. Zonder dat daar morele oordelen of expliciete opinies aan te pas komen, zonder dat een categorisering als ‘gruwelijk’ er überhaupt kan worden opgekleefd. Waar de fictie het even kan overnemen om de werkelijkheid te verlichten, in beide betekenissen: draaglijk én aanschouwelijk maken. Dit theater leidt de toeschouwer ver tot in de krochten van zijn eigen fantasma’s, tot over de grens van wat hij zelf aanvaardbaar, lekker, begrijpelijk, menselijk vindt. Een waarlijk uitdagende en zinvolle onderneming.

Jerk speelt op 3 en 4 december in Frascati (Amsterdam). 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#114

01.12.2008

—

31.01.2009

Jeroen Versteele

Jeroen Versteele (1980) is dramaturg bij het Burgtheater in Wenen. Voordien was hij journalist voor De Morgen en dramaturg bij NTGent (2005-2010), de Münchner Kammerspiele (2010-2015), de Ruhrtriennale (2015-2017) en de Berliner Festspiele (2017-2021). Hij werkte lange tijd met Johan Simons samen (Onderworpen, Hamlet, Don Carlos…), evenals met Meg Stuart (Until Our Hearts Stop, Celestial Sorrow,…), Susanne Kennedy (Fegefeuer in Ingolstadt), Martin Kušej (Drie winters), Paper Tiger Theatre Group (Totally Happy), acteursgroep Wunderbaum en vele andere regisseurs en choreografen. Hij geeft ook geregeld les aan kunstuniversiteiten, zoals de theateropleidingen in Graz, München en Salzburg. Versteele is een van de redacteurs van het boek Let’s Not Get Used To This Place (2024), over het werk van Meg Stuart.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!