Leestijd 4 — 7 minuten

Het statuut van de tekst in het postdramatische theater

Claire Swyzen en Kurt Vanhoutte (red.)

Waarom gaat het theater van vandaag op zo’n radicaal andere manier om met taal en tekst? Wat maakt dat de opvoeringspraktijk zo vanzelfsprekend als ‘postdramatisch’ wordt gekenschetst? In het onlangs verschenen boek Het statuut van de tekst in het postdramatische theater van samenstellers Claire Swyzen en Kurt Vanhoutte formuleert Stefan Hertmans dit het mooist: ‘Hoe radicaler het spreken, hoe radicaler de breuk van het bestaan zich manifesteert. In een dergelijke context is er geen ruimte meer voor het welgeschapen theater van de identi catie en de “gepaste” emoties. Politiek bewustzijn komt er juist voort uit een besef dat Antigone tekent: men is hupsipolis, uiterst belangrijk voor de stad en de samenleving, omdat men apolis is, omdat men er niet in slaagt te “behoren” zoals het hoort.’ Hertmans spreekt in de eerste plaats over zijn eigen werk (Kopnaad en Mind the gap) dat sterk door de afgrondelijke poëtica van Hölderlin is geïnspireerd. Toch is dit citaat enigszins representatief voor de thema’s in de bijdragen én voor datgene waarover opvallend gezwegen wordt.

Aanwezig zijn reflecties over de diversiteit aan performance texts – het radicale spreken – die het Vlaamse theaterland- schap kenmerkt. Afwezig zijn de ‘stad en de samenleving’. Het postdramatische vertoog is namelijk ook apolitiek in een andere betekenis. De actuele theaterpraktijk plaatst zich doorgaans buiten de klassieke dramaturgie en buiten de heersende mechanismen van representatie die onze samenleving kenmerken (apolis, zoals het koor van Sophokles’ Antigone dat begrijpt): dat zegt Hertmans. Maar de meeste analyses in dit boek vertellen weinig over mogelijke ruimere politieke referenties van dit post-drama: die ‘leegte’ is minstens even opvallend. En het is mij niet altijd duidelijk of die afwezigheid kenmerkend is voor de beschreven theaterpraktijken, dan wel voor de focus die de auteurs hanteren.

Dit boek is ontstaan in het kader van de zogenaamde ‘academisering’ van het hoger kunstonderwijs. Sinds enkele jaren verrichten ook de theater- opleidingen in Vlaanderen verplicht artistiek onderzoek, vaak samen met de (geassocieerde) universiteiten. Over ‘artistiek onderzoek’ zijn al bibliotheken vol geschreven, maar de oefening die op het Koninklijk Conservatorium Antwerpen (Drama, afdeling Woordkunst) gedaan werd, samen met studenten Theaterwetenschappen (UA), is concreet en specifiek. Studenten Woordkunst experimenteerden, in een atelier van Lucas Vandervost van De Tijd, met haiku’s als tekst. Het onderzoek zocht antwoorden op de vraag hoe een theatrale behandeling van dit ondramatisch materiaal de betekenis ervan – bij selecte toeschouwers: studenten van het college Theaterkritiek – beïnvloedde: herschikking van zinnen en woorden, omgang met ruimte en tijd, looplijnen over de scène, aanwending van objec-ten/rekwisieten. Ivo Kuyl beschrijft nauwkeurig dit proces en hij plaatst zijn vaststellingen tegenover de theoretische tegenstelling dramatisch/post-dramatisch. Eerlijk gezegd levert het commentaar (of het experiment zelf) niet veel meer op dan een beschaafd compromis: ‘Als het onderscheid tussen dramatisch en postdramatisch zo relatief is, heeft het dan nog wel zin om het te hanteren? Ik zou deze vraag met een voorzichtig “ja” willen beantwoorden, op voorwaarde dat we “dramatisch” en “postdramatisch” als een soort ideaaltypen beschouwen.’ Zo’n conclusie levert wel een (bescheiden) bijdrage aan theaterwetenschappelijkmetaonder-zoek, maar de problematiek – als hier al iets ‘problematisch’ is – wordt niet opengetrokken naar, ik zeg maar iets, de genese en de perceptie van talige en niet-talige tekens in een theatraal kader. Anders gezegd, de theoretische reflectie wordt niet teruggekoppeld naar een artistieke realiteit en/of reflectie. Zijn ideaaltypen bruikbaar in artistiek onderzoek ‘op de vloer’? Ik heb er zo mijn twijfels bij.

Bovendien staat Kuyls consciëntieuze beschrijving van een besloten theaterexperiment nogal los van de rest van het boek. Aan alle auteurs, ook aan Ivo Kuyl, werd gevraagd om een artikel van Hans-Thies Lehmann over de tekst in de hedendaagse clramaturgie’als uitgangspunt/aanleiding te gebruiken voor hun reflectie over een aspect van de postdramatische performancetekst. De meeste auteurs gaan opvallend kritiekloos om met de categorie ‘postdramatisch’: de paradigmawissel die elk ‘post’-begrip suggereert wordt als vanzelfsprekend aanvaard. Ik denk bijvoorbeeld aan de kritiek van Bernd Stegemann2 dat Lehmanns veralgemenende beschrijving van postdramatische praktijken de noodzaak minimaliseert om zich als maker/speler, in elk concreet artistiek onderzoek én in de theaterpe-dagogie, te verhouden tot ‘personages’ of Figuren (de term van Bertolt Brecht). De ‘presentie’ van het postdramatische theater teken veegt niet zonder meer eeuwen van mimetische toneelpraktijk, in vele nuances, van tafel. Die bijdragen die zich het minst aantrekken van Lehmanns probleemstelling, en zoeken naar eigen theoretische kaders, leveren het meest op. Zo werkt Karel Vanhaesebrouck het begrip ‘choraliteit’ uit – dat Lehmann wel suggereert maar dat vooral door Christophe Triau analytisch bruikbaar is gemaakt – met onder andere Singhet ende weset vro van Ruud Gielens als voorbeeld. Hij toont hierbij aan hoe een niet-dramatische behandeling van ‘Vlaamsgezinde’ lyriek relevant politiek commentaar oplevert, mét tegendraadse mimetische middelen. Bart Philipsen gaat op zijn beurt in op Wald van De Parade: een tekstpartituur gecompileerd door Rudi Meulemans uit materiaal over Duitse trauma’s: een Trauerarbeit, een uiterst voorzichtige lichamelijke en muzikale vertaling van het onzegbare – ondanks de overvloed aan tekst. Nu gaan de andere artikels ook wel verder dan een schoolse toepassing van Lehmann op de ‘Vlaamse golf’, maar men waagt zich te zelden op het terrein van de politieke duiding, expliciet of impliciet. De postdramatische ‘bevrijding’ van de tekst tot zelfstandig materiaal maakt de vraag naar de verwijzing – naar welke wereld steekt de kunstenaar zijn wijsvinger, eventueel zijn middelvinger, op/uit? – niet minder pertinent, integendeel. Verzet tegen een vermolmde dramatische praktijk volstaat niet als rechtvaardiging. Ik mis alternatieve wereldbeelden. De tastbare pijn in Bloetwollefduivel van Jan Decorte, misschien wel het scherpste voorbeeld van een door en door lichamelijke opvoeringstekst, is meer dan een vorm, het is ook een verwijzing naar een persoonlijke en maatschappelijke tragedie. Artistiek onderzoek is altijd zowel geïnteresseerd in de taal als grafisch of auditief teken, als in de taal als blessure, als open wonde. Jan Decorte mismeestert de taal, postdramatisch of niet, omdat hij op een heel bijzondere manier lijdt aan zichzelf en aan de wereld. Niet om zich een toegangsbewijs tot de avant-garde te verschaffen. Die evidentie zie ik te weinig benadrukt in Het statuut van de tekst in hetpostdramatische theater.

1 Hans-Thies Lehmann, ‘ Van logos naar landschap : tekst in de hedendaagse dramaturgie’, oorspronkelijk gepubliceerd als ‘From Logos to Landscape: Text in Contemporary Dramaturgy’, Performance Research 2.1 (1997), pp. 55-60.

2 Bernd Stegemann, ‘Nach der Postdramatik’, Theater heute 10/08 (1998), pp. 14-21.

Claire Swyzen en Kurt Vanhoutte (red.). Het statuut van de tekst in hct postdramatische theater, Research Centre for Visual Poetics/UPA, 2011, 2o8 pp.

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

boeken
Leestijd 4 — 7 minuten

#127

01.12.2011

28.02.2012

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!