Vera – Luk van Brussel

Luk Van Brussel

Leestijd 79 — 82 minuten

Vera

Luk van Brussel

(Er is geen vast dekor, Enkel lichtnuances. Met af en toe een voorwerp. Twee mensen van middelbare leeftijd komen opgesloft Ze zijn een dagje uit, en behoorlijk moe. Ze spreken sappig, gecopieerd op het dagelijks leven van volksmensen.)

Fie Van hier is het een schoon zicht, Juul. Zet u daar eens. Dat is nog juist hetzelfde als twintig jaar geleden.

Juul Ja, behalve met die buildings. Waar? Hier?

Fie Iets meer naar links.

Juul Kan ik dan niet op die bank gaan zitten?

Fie Neen, dan gaat de basiliek er niet op.

Juul Moet dat?

Fie Als ge op bedevaart komt en ge neemt een foto, dan is het toch beter, dat ge de. basiliek er bij hebt, he Juul?

Juul Voor mij niet gelaten. Zo?

Fie Een beetje opzij.

Juul Zeg!

Fie Staat ge er soms liever niet op?

Juul Zaag niet, en trek.

Fie Als ge iets schoons wilt laten zien, later als ge thuis zijt, dan moet dat niet zomaar van rap rap, he.

Juul Dat weet ik, maar ge moet nu per se al die plekskes trekken, waar we vroeger met ons Vera geweest zijn?

Fie Laat me nu toch eens doen. Trek liever een ander gezicht.

Juul Ik heb geen ander.

Fie Het is precies allemaal tegen uw goesting.

Juul Ik heb zere benen. Gij weet zeker niet wat dat is, zo nen helen dag, met aderspat.

Fie Begin nu niet te zagen over die aderspat, he. Ik heb u jaren geleden al gezegd: dat blauw plekske staat me niet aan, ga daar eens mee naar den dokter.

Juul Den dokter, den dokter, en vóór ge het weet zit ge onder het mes, en dok maar af. Voor een paar blauw adertjes, mij niet gezien. Het is alleen dat heel lang rondslenteren, daar kan ik niet meer tegen. Eerst die basiliek, en dan dat museum, amai mijn oor.

Fie Gij zijt ne mens zonder kuituur.

Juul Kuituur, dat kan heel plezant zijn, maar niet als ge krepeert van de pijn in de benen.

Fie Krepeert van de pijn, dat zal wel. En een hele nacht aan den toog hangen, is dat soms een remedie tegen aderspat?

Juul Lap. Ik wist niet waar dat het zolang bleef. Gij zijt toch een moeilijk mens he, dat ge daar altijd en overal op moet terugkomen. (Stilte) Ik heb dorst.

Fie Precies een klein kind; kunt ge nu niet wat geduld hebben? ge weet toch, dat we straks aan dat gezellig terras komen?

Juul Wat voor terras? Daar weet ik niets meer van. Ge denkt toch niet, dat ik alles kan onthouden wat we met ons Verake hebben gedaan?

Fie Neen, gij herinnert u alleen maar waar ge een souvenirke hebt kunnen pikken.

Juul (haalt de schouders op)

Fie O daar Juul, dat pleintje met die bloemekes, en die lampionnekes, weet ge het niet meer? Dat ze daar heel braaf in haar broek zat te doen?

Juul Was dat daar dat ik dat assepotteke heb meegescharreld? Met dat konijn op? Allé, gaat ge nu wéér trekken?

Fie Ik vond dat ge daar juist zo schoon stond. Er staan nog maar twee diatjes op.

Juul Wat? Zijn dat dia’s? En we hebben niet eens apparatuur om ze te schijnen!

Fie Wij niet, maar Vera en Jeronimus toch.

Juul Ons Vera is weg, he Fie! En aan die knul nog iets vragen, ik val nog liever dood. Dat stuk uitvinder.

Fie Zij blijft ons dochter, he Juul. En hun appartement dat hebben wij hun kado gedaan. We moeten niet beschaamd zijn om daar een voet binnen te zetten.

Juul Helemaal niet, maar niet om een diamachien te vragen. Als we nog wart wachten met die steentjes voor het waskot, kunnen we ons een eigen toestel aanschaffen…

Fie Dan geraken we er nooit aan, ik ken dat, er is altijd wel iets… Wat zit ge daar nu weer aan die schoenen te prutsen?

Juul Ze doen zeer.

Fie Vandaag mankeert gij van alles.

Juul Is dat zo eigenaardig? Ik ben doodop. Mijn voeten zijn gezwollen en kapot. En ik verga van den dorst.

Fie Als mijnheer zijn amusementje niet heeft met de vriendjes, aan een biljarke, of in een kaartclubke, dan mag Fieke verrekken. Egoïst! We waren toch akkoord die keer?

Juul Welke keer?

Fie Verleden week, met Jeronimus, toen hebt gij beloofd van zoiets nooit meer te doen, met dat mes, en van mee te gaan beewegen.

Juul Dat is geen beeweg, dat is een kruisweg. En dat mes… ja, dat was stom. Zo ben ik niet. Maar wat die daar allemaal voor smeerlapperij over mij begon te vertellen, zijt gij dat vergeten? Die verdomde kaartjes knipper. Had die wat meer naar ons Vera omgezien, en wat beter poten aan zijn lijf gehad, in plaats van naar die chi-chi-madam te trekken, om over zijn uitvindingeskes te zeveren, dan hadden wij hier nooit op bedevaart moeten komen, om de heilige Dorothea of ik weet niet wie te vragen waar ons Vera zit. Trouwens, ik ben er altijd tegen geweest, tegen dat huwelijk.

Fie Omdat ge niet kondt verdragen, dat gij dan niet meer numeroke één waart. En doe niet alsof ons Vera een heilige was he.

Juul Waarom zegt gij: was? (stilte)

Fie Zijt ge die geschiedenis met die coureur vergeten, toen ze nog maar juist getrouwd was?

Juul Die ben ik helemaal niet vergeten. En dan? Is dat zo een ramp? En van dat scharrelen gesproken he: dat heeft een oorzaak! Altijd. Zie maar eens rond. Ik zal u eens wat vertellen zie kind. Vera was nog maar een paar maanden getrouwd, en ze komt op een avond naar mij, schreeuwend en snotterend, en ze zei zo — ik vergeet het van mijn leven niet — ‘t was gelijk als dat ze met een gloeiend ijzer in mijn maag staken, ze zei: Jeronimus wil geen kinderen. Ik dacht: godverdomme. Dat is een ramp voor dat kind. En hier zit ik nu…

Fie Hoe, hier zit ik nu? Dat is toch hun zaak. Wist ze dat dan niet voor ze trouwde?

Juul Wisten wij iets?

Fie De tijden zijn veranderd, he Juul.

Juul En gij denkt dat? Gij zijt nog naïef. Niks weten ze.

Fie Hoe weet gij dat?

Juul Daar heeft ons Vera toch uren met mij over geklapt.

Fie O ja? En waarom niet met mij?

Juul Waarom niet met U? Omdat gij teveel kritiek hebt op iedereen.

Fie Ah, zo. Als gij wat meer uit uw ogen hadt gezien, en niet voortdurend uw neus in hun huwelijk hadt gestoken, dan zou het allemaal anders afgelopen zijn.

Juul Ge hebt van ons Vera altijd heel weinig kunnen verdragen, geen wonder dat zo een kind dan maar naar haar vader komt.

Fie Als gij al die flierefluiters met hun brommers, van als ze nog vijftien zestien was, van de trappen hadt gegooid, dan zou ze wel anders gepiept hebben. Want nu zal ik u eens iets vertellen, zie. Dat schatje, dat zogezegd zo zot was van kindjes, weet gij dat die een tijd onder de drugs heeft gezeten?

Juul Roddel.

Fie Daar verschiet ge van he.

Juul Wanneer was dat?

Fie Toen kende ze Jeronimus al.

Juul Roddel, zeg ik.

Fie Ik heb haar zelf eens betrapt, Juul! Met zo een punkerke met een mauve broekske aan, enfin ‘aan’, ‘t is te zeggen, toen lag het op de grond, en zij daarbij; en heel het kot onder de stank, …

Juul En wie was dat met zijn mauve broekske?

Fie Een eendagsvlieg.

Juul Waarom hebt gij mij dat nooit verteld ?

Fie Er is zoveel dat ik u niet vertel.

Juul Waarom niet?

Fie Omdat gij altijd stomme dingen doet als ge koleirig zijt.

Juul Een punkerke, met mijn dochter, die toen al op trouwen stond nota bene, heeft dat kereltje geluk gehad, dat die toen niet met mij te doen had. Ik had hem helemaal in ‘t mauve gezet. Gaan we hier iets drinken? Ik kan niet meer.

Fie Vindt gij dat gezellig, zo met die steentjes en die perruchen? Hee, wat is dat? (slaat ergens naar)

Juul Een mug?

Fie Neen, neen, een groot vies beest.

Juul (slaat) Wel miljaar, moet ge dat zien zeg, een sprinkhaan, met een knalblauwe kop. Dat heb ik nog nooit gezien.

Fie Zie eens, daar ook en daar… het is precies gelijk als in den Bijbel, met die plagen van God.

Juul Niet overdrijven, he Fie.

Fie Jamaar, wacht: verleden week, op den trein…

Juul Welke trein?

Fie Naar Oostende.

Juul Zijt gij naar Oostende geweest, verleden week?

Fie Weet gij dat al niet meer? Ik heb u toch alles verteld.

Juul Weet ik geen blaas meer van.

Fie Gij luistert nooit als ik iets zeg. Misschien waart ge wel te zat om nog te horen.

Juul Maar het gebeurt toch meer dat gij er eens voor een dagske uittrekt? Dan zegt ge toch ook niets. Allé, ge zat dus in dien trein…

Fie Ik wandel in dat gangeske, en ineens zie ik daar twee mannen zitten vrijen.

Juul Ja en dan? Is dat ook een plaag van God?

Fie Doe niet zo stom. Weet ge wat een van die twee was?

Juul Een aangeklede sprinkhaan zeker?

Fie Ja, ja ik zwijg al. Als ge niets anders kunt dan ne mens uitlachen.

Juul Ik lach u niet uit. Maar wat gij daar zaagt, dat is toch niets speciaals.

Fie Neen, maar één van die twee was een bisschop.

Juul En gij gelooft dat. Dat was ne vent die zich verkleed had als bisschop, om op te vallen. Dat gij nu zoiets niet doorhebt!

Fie Ik heb die kerel goed herkend. Ik heb die overlaatst nog op t.v. gezien.

Fie Gij zult verkeerd gekeken hebben. Een bisschop, dat rijdt toch eerste klas! En daarbij, gij denkt toch niet, dat een bisschop zo in het zicht van jan en alleman gaat zitten flodderen, he Fie…

Fie Dan ben ik aan ‘t zot worden… Of anders… ‘t is zo precies of het niet meer klopt. Van als ons Vera weg is, hoe lang is dat nu al? Een week?

Juul Zoiets.

Fie Er is van alles aan het verkeerd lopen… ik weet soms niet meer of ik droom, of echt iets meemaak… Er komt van alles aan het licht, vreselijke dingen, en dat zet ons leven — voor wat er nog van overschiet — het ondersteboven… (stilte) Ik ben helemaal niet meer zo zeker, dat het niet onze schuld is, dat ze weg is…

Juul Allé, wat gaan we nu krijgen? Onze schuld? Na al wat wij voor haar gedaan hebben?

Fie Daar is het ons kind voor… Ik zit maar te denken aan al wat we niet gedaan hebben… en dat is heel wat… misschien heeft ze dat den helen tijd opgekropt…

Juul Hebt gij der nog niet aan gedacht, dat ze ontvoerd zou kunnen zijn? Ze is knap, en dat zien die bandieten ook, die overal vrouwen oppikken, en dan verdoven, en verschepen naar Zuid-Amerika of zo…

Fie Dat hebt ge nu al vijf keren gezegd…

Juul Ik?

Fie Weet ge dat ook al niet meer?

Juul In elk geval, we zullen blijven zoeken, he Fie, al was het tot aan de Noordpool, en als er ene ne poot naar haar heeft uitgestoken, wel dan wil ik daar met alle plezier eens een paar jaartjes voor gaan zitten zie.

Fie Zij maar voorzichtig. Misschien zijn er wel dingen met ons aan het gebeuren, waar we geen vat op hebben. Dingen van hogerhand.

Juul Hogerhand, hogerhand, zijt ge daar weer? Flauwekul. Als ge veel afziet, en ge kunt er alleen maar het kopke bij neerleggen en zeggen: ‘t komt van hogerhand of die zever, bind u dan liever ne steen rond uwe nek, en spring in ‘t water.

Fie Dat is iets waar gij niet over kunt klappen, over hogerhand. Grootgekomen zonder God of gebod, heel uw familie. Tot daar toe, maar zwijg dan over de gevoelens van een ander. En nu kunt ge op uw kop gaan staan, ik voel dat er iets gebeurt waar we met ons verstand niet bij kunnen.

Juul Gemakkelijk he, als ge God zijt, om de mensen met hunne rug tegen de muur te plakken, en dan uwe vinger omhoog te steken: nu kunt ge niet meer volgen hé vriend, zijt maar wat braver.

Fie Ne ketter, dat zijt gij, maar ge zult uw straf niet ontlopen.

Juul Als die hogere hand u bij uw strot heeft he, weet ge wat ge dan moet doen? Der in bijten: in die hand, en roepen: laat me gerust. Pak nu een dag gelijk als vandaag: gij hebt uw baziliekske, en ge ziet allerhande volk… en dat kan best meevallen nog, maar dan moet gij weer over hogerhand beginnen, als het niet met sprinkhanen of bisschoppen is, dan is er wel wat anders; nooit eens niet uw mizerie voor enkele uurtjes kunnen opzij zetten… altijd dat geweten waarmee dat ze ons overvoeierd hebben als we klein waren… Ha eindelijk zeg, amai, wat een service is dat hier, niet te verwonderen dat er hier geen kat zit…

 

(Er komt een heer aan die er vrij bizar uitziet. Juul ziet hem eerst. Fie zit met de rug naar hem. Alleen Juul ziet wat de heer doet, nl een paar stoelen en een parasolletje zetten. De heer neemt dan een mes uit zijn zakt en geeft een paar villen in het parasolletje. Hij gaat het resultaat met dichgeknepen ogen bekijken. Ondertussen dialoog Juul-Fie:)

 

Juul Ziet daar.

Fie Waar?

Juul Achter uw rug. Zeker weer ne vreemde.

Fie Wat zit ge ne mens zo te begapen.

Juul Wat? Nu snijdt die kaffer dat parasolleke toch naar de kloten zeker…

Fie Juul, wat krijgt ge nu? Houd uw manieren eens een beetje, (de heer komt nu bij Juul en Fie)

Fie Een koffie, alstublieft, (stilte) En gij, Juul? Die mens wacht. (Juul staart naar de heer als naar een spookverschijning)

Juul (binnensmonds) Eh… een pintje. Heer Een wat, mijnheer?

Juul Een pintje. Een pilske. Neen, breng er twee, ik ben uitgedroogd.

Heer In orde, hoop ik. Bedevaarders doen soms de gekste bestellingen. Omdat ze in trance zijn, en denken dat hun geld op moet. Excuseer, (de heer verdwijnt)

Juul Dat is nogal nen tiest he.

Fie Ik vond dat nen heel beleefde mens.

Juul Maar dan in elk geval niet goed juist. Dat spelleke met dat parasolleke en dat mes… hebt ge dat gezien?

Fie Welke mes?

Juul Maar enfin…

Fie Zeg, zoudt gij eens niet naar een goeie dokter moeten? Ene voor de kop? Ge weet al niet meer wat ge zegt. Dat is van al dat drinken, al die jaren. Het moest er al van komen.

Juul Wat heb ik nu weer gezegd? (Fie haalt de schouders op) Neen, neen… ik zwans niet… (hij komt tot de vaststelling, dat hij blijkt dingen gezien te hebben, of gezegd te hebben, waar Fie helemaal geen weet van heeft) Zou ik soms… heel efkens… ‘weg’ geweest zijn? Neen dat is straf: ik zag die garçon daar ineens staan met een mes, en die begon in dat parasolleke te snijden…

Fie Maar wélk parasolleke? (ze draait zich om, de heer heeft het meegenomen) Juul Stond er daarjuist geen parasolleke?

Fie Een zonneslag zonder zon, kán dat?

Juul Maar dát is niet om mee te lachen he… dat komt van al die luchtvervuiling, al die abnormale verschijnselen, dat komt gewoon voort van het speeksel, en het bloed, en zo kruipt dat in de hersenen, en de mensen worden altijd onnozeler, dat heb ik eens gelezen bij een geleerde, een toekomst op de visie heette dat.

Fie Daar moet ge geen geleerde voor zijn om dat te weten.

Juul Kiekens zonder kop worden wij, één grote ramp, schreef die mens, en dat was heel simpel uitgelegd, met dingen die geleidelijk veranderen in de voortplantingsdingen en zo. Dat zat knap ineen… Zeg Fie, heb ik dat vroeger ook al gehad, dat ik zo… allé… zo precies er wat afsloeg?

Fie Meer dan ene keer, als ge thuiskwaamt van het biljarten.

Juul Neen, als ik nuchter was?

Fie Wanneer is dat?

Juul Ik ben niet gerust.

Fie Ik ben blij dat ik een keer niet alleen ben.

Juul Het is niet gedaan ! Weet gij op wie die garçon trok als twee druppels water? (lange stilte)

Fie Komt er nog wat van?

Juul Op die inspecteur.

Fie (die al wat begint te wanhopen) Wélke inspecteur? (weer stilte)

Juul Die bij Jeronimus is geweest. (Fie snapt er blijkbaar niets meer van) Luister Fie, ik zal alles uitleggen…

Fie Dat zal het beste zijn; ge hebt me al lang genoeg blazen in mijne nek geslagen.

Juul Neen, neen… dit is geen blaas… ik heb het alleen niet durven zeggen. Gij hebt me ookdingen verzwegen. Ge moet dat begrijpen… we hebben het gedaan om mekaar te sparen, denk ik…

Fie Gij zijt zo ineens met mij begaan?

Juul Zijt nu niet op uwen teen getrapt. Luister, die inspecteur, die bij Jeronimus is geweest, die heb ik ook gezien, of hij mij…

Fie En aan Jeronimus hebt ge gezegd, dat ge van niks wist!

Juul Ik vond het toen nog beter van kromme haas te gebaren, luister, ge moet niet denken… Fie Laat mij maar beslissen wat ik moet denken, ik denk er het mijne van…

Juul Ja, goed, maar luister nu efkens… Enkele dagen voordat ons Vera verdwenen is, heb ik nog met haar geklapt, en daar ben ik dan voor de zoveelste keer achterover gevallen van het verschieten. Wat ik daar over die beul van een Jeronimus heb gehoord, dat kunt ge gewoon niet geloven… en, ik krijg me zo een compassie met dat kind, en ik wierd me toch zo kwaad op die linkaard, dat ik dacht bij mezelf: daar wil ik het fijne van weten: de grote jan uithangen, maitreske, gedichtjes maken in plaats van kinderen, glazen kapot gooien, kleren van haar kapot snijen… smokkelen, en noem maar op. Goed, ik dacht: ik zal die kerel eens een manneke aan zijn slippen zetten.

Fie Toch geen detectief?

Juul Ja.

Fie En wat heeft die gevonden?

Juul Niets. Ik had geen chance. Het was een bedrieger.

Fie Weet ge wat gij zijt? Ne stommerik. Zonder fantasie. Hij moest weer eens de slimste spelen, de held uithangen, zoals altijd, Verake onder de vleugeltjes nemen. En wat is het resultaat?

Juul Die inspecteur is er ook nog he.

Fie Die inspecteur ja, ja… Ik begin het snappen… daar zijt GIJ het eerst naartoe getrokken, he Juul? (Juul knikt) ik had het kunnen weten. Ik zag het aan uw gezicht, dien dag dat Jeronimus naar ons kwam en vertelde dat hij nen inspecteur op bezoek had gehad. De manier waarop gij toen zei: “Ik weet van toeten”, en toen rap over iets anders begon, en deedt alsof JERONIMUS het had moeten aangeven dat ons Vera weg was. Gij se schijnheiligaard. Ik dacht het nog, ik dacht zo: “Waarom staat die Juul daar zo te liegen?” We zoeken toch SAMEN naar Vera?

Juul Dat is het juist. We zoeken niet samen. Ik vertrouw Jeronimus niet, dat weet ge. Ik ben zelfs helemaal niet zeker öf die wel zoekt.

Fie Wanneer zijt gij naar de politie gegaan?

Juul Als ons Vera twee dagen weg was.

Fie En hoe komt het dan dat de politie nog altijd niets aan MIJ gevraagd heeft? Omdat ze zo rap zijn?

Juul Neen, luister… ik heb zelf gevraagd om eerst eens te zoeken in de richting van Jeronimus, maar nog geen grove methodes, geen honden, of t.v. of zo…

Fie En geen Fie.

Juul Ik dacht zo; het komt misschien nog in orde, en dan moeten we hààr daar niet mee lastigvallen…

Fie Hebben ze iets gevonden?

Juul We moeten wat geduld hebben, zeggen ze. Ze zoeken.

Fie Ze zoeken. En ondertussen vinden ze van alles over die twee, en als dat niet pluis is, dan kunnen wij nog verantwoordelijk gesteld worden ook.

Juul Dat zijn we toch. Voor een stuk.

Fie Ja. Ik ben blij, dat ge het inziet… Maar met de politie zijt ge te vroeg geweest.

Juul Heel mijn gestel gaat naar de knoppen, ik ben nu al mijn zelf niet meer soms, ik zie dingen die er niet zijn, en mensen… en gij trouwens ook, die bisschop bijvoorbeeld… We zijn van slag

Fie… als we er niet vlug een oplossing voor zien, zie ik ons nog in een gesticht belanden… (stilte)

Fie Hebt ge nog meer voor mij verzwegen?

Juul Ja. Weet ge wat die smerige hond nog gedaan heeft? Die schone vaas he, die gij nog geërfd hebt van grootmoe, die met die koeien op…

Fie En die gouden biezekens?

Juul Ja, die. Die heeft hij van den Boerentoren naar beneden gegooid.

Fie Die schone vaas. En was ze kapot?

Juul Voor een weddenschap, schijnt het. Ons Vera had een hel met die vent.

Fie Daar moet ik voor op bedevaart, om dat allemaal te vernemen. Misschien is dat al een half mirakel, (de HEER verschijnt)

Juul Eindelijk, daar hebt ge hem terug. Hij heeft toch een plateauke bij nu.

Heer De pannekoek is voor?

Juul Pannekoek? Welke pannekoek?

Fie (wil vruchteloos tussenbeide komen)

Juul, wat krijgt ge nu?

Juul Luister he vriend, ik kan veel verdragen, maar als ze nu in café’s ook al met onze voeten beginnen te rammelen, dan zeg ik neen he. Gij leeft van ons pourboirke, en ge gaat hier nu eens doen wat ge moet doen he. Ge kunt misschien ne goeien inspecteur zijn, maar als garçon trekt ge op geen voeten… (Fie trekt hem mee…)

Fie Kom Juul, ‘t zijn de zenuwen. Kom, we gaan naar huis…

Juul Mijn tong is ne leren lap… (Fie trekt hem mee) (De HEER verdwijnt, en komt onmiddellijk weer op, met twee pintjes en een koffie. Hij kijkt verbaasd)

Heer Altijd hetzelfde met die onbeschofte bedevaarders ! (Fade out. En weer licht op Fie en Juul, nu ergens anders)

Juul Wacht efkens, Fie, die voet dat is niet meer te doen.

Fie We zijn er bijna.

Juul Neen, het bloed staat in mijn schoenen. Zie dat… (doet schoen uit) Hebt gij geen watten bij?

Fie Neen, maar ik heb wel plakkers in mijn saccoche. Of hier zie, een klein windelke.

Juul Doe gij dat daar eens aan. Dat is verdju toch altijd hetzelfde met die nieuwe schoenen. Kunnen ze dat niet anders maken?

Fie Ze kunnen een nieuwe schoen toch niet oud maken.

Juul Waarom niet? Even gemakkelijk als een ouwe, en even schoon als een nieuwe. Ze hebben voor alles de ingewikkeldste machienen, en zo iets simpel dat zou niet gaan?

Fie Het kunnen ook uw voeten zijn. Ik heb dat nooit, ik.

Juul Ooo, niet te vast! Dat is rauw vlees, weet ge.

Fie Is het nu beter, met uwe kop?

Juul Ja, ja…

Fie Het was om schrik van te krijgen, gelijk als gij ineens luidop in uzelf begon te praten…

Juul Voor mij stond dien inspecteur daar ineens he, met een pannekoek… dat heb ik nu nog nooit gehad, dingen zien die er niet zijn…

Fie Meer rusten, minder drinken, en naar den dokter…

Juul We hebben het zwaar zitten… als ik nu zoiets naar huis zou komen vertellen, en ge waart er zelf niet bij geweest, dan zoudt gij toch weer denken dat ik strontzat was, he Fie?

Fie Ge moet er niet van profiteren om al die zotte klap van ‘t café goed te praten, he… Kom, zal het gaan, denkt ge?

Juul Proberen. (ze gaan weer) Eindelijk in onze straat.

Fie Juul, ik ben ineens bang.

Juul Waarvan?

Fie Van iets.

Juul Kom maar.

Fie (ze huilt een beetje) Het is allemaal

tegengevallen.

Juul Bijlange niet.

Fie Ik dacht: als we nog eens komen waar we met ons Vera geweest zijn, vroeger… ‘t is misschien een troost. En het is juist andersom uitgedraaid. Het is precies of mijn keel dichtgeknepen is. En dan gij met uw kapotte voeten, en uwen dorst… en… en… uw kuren… Doet het niet te zeer?

Juul Bijlange niet. We zijn er al zie… (ze glimlachen vermoeid. Fade out)

(Als het weer licht wordt zitten we duidelijk in een andere ruimte. In een andere sfeer. Juul en Fie zijn verdwenen. BIRGIT, een mooie vrouw van rond de veertig, komt binnen. Ze sleept een zwaar parfum met zich mee, en ze houdt Jeronimus bij de hand. Hij is maar een man van rond de dertig, die model zou kunnen staan voor de gefrustreerde mens, voor zover dat type bestaat)

Birgit Kom schat, je hoeft niet bang te zijn, hier is niemand meer, kijk maar. Gloster is vertrokken.

Jeronimus En in de kasten? In de paraplubak?

Birgit Heb ik je al ooit bedrogen?

Jeronimus Vera wel.

Birgit Zal ik wat spelen? Bach?

Jeronimus Ik heb de katten vergiftigd, Birgit. Als Juul ze vindt, met hun verkrampte poten in de lucht, zal hij op zijn knieën kruipen van ellende. (Hij draaft duidelijk door, terwijl zij zich omkleedt. Zij blijkt nu allerlei pelsen te dragen, die zij één voor één aflegt) Had Gloster weer schuim op zijn lippen, toen hij wegging? Orgastisch-schele ogen? Lila zweetoren? Is hij met de fiets? Dan is hij naar Vera. Vera is gek op minnaars met een fiets. Heeft hij iets gezegd over de ijsblokken waarin je heroïne zou kunnen smokkelen? Of over de steentjes, die ik van Antwerpen naar Oostende breng? Niets? Hij doet het met opzet. Hij wacht tot ik begeef. Hij knijpt me langzaam de keel dicht, en wacht. Hij is een spook. Jammer dat ik niet meer kan bidden, of duivels uitdrijven, of wijwater brouwen, palmenzondag vieren op een gouden ezel…

Birgit Kalmeer. kom bij me zitten, ik zal je ziel masseren

Jeronimus Liever niet vandaag…

Birgit Op je rug krabben?

Jeronimus Wil je nog eens… in mijn oor bijten?

Birgit Kom maar. (Ze knabbelt aan zijn oor)

Jeronimus Ik knabbel weer aan rubberen tepels, en duik van mijn toren in het baarmoederzwembassin, spinnend als een waterkat… Hoe vind je dat?

Birgit Boeiend. Ik vind jou altijd boeiend.

Jeronimus Ook een beetje dreigend?

Birgit Je ogen.

Jeronimus Oidipous?

Birgit Veel meer.

Jeronimus Denk je, dat ik een bokaal, met een vis er in, tegen de grond zou durven gooien, en me dan met de scherven de ogen uitkrabben?

Birgit En de vis?

Jeronimus De vis… de vis., ik heb de vis niet gedood, Birgit. Ik heb niemand gedood. Enkel de katten. Weet Gloster iets van katten? Dat zal wel. Gloster weet alles. Hij moet sterven. Hij zal je vroeg of laat van mij wegtrekken, hij zal een hoer van je maken, je kaalscheren, je dichtnaaien, je hoofd afsnijden, en het aan mij adresseren, (tot ingebeelde vijand) Dat zal ik nooit toestaan, Gloster. Hoor je me? Schurftige inspecteur! (De Heer — Gloster komt te voorschijn. Hij heeft een mes bij dat, zoals later zal blijken, het mes is van Juul, en hij bedreigt daar Jeronimus mee, als in een goeie ouwe nachtmerrie) Niet doen, inspecteur, ik zal alles vertellen. Al wat u wil. Ik zit barstensvol geheimen, die ik al te graag ontsluier; ik stik in de bekentenissen, die als overrijpe vruchten trekken aan de takken van mijn ziel; ladenvol nooit eerder gehoorde informatie over drie jaar huwelijk met Vera schud ik over u leeg; mijn uitvindingen krijgt u kado, ik zal charleston dansen voor Juul, de open haard aansteken, een kalf slachten, en Vera tooien met zijden slingers van spijt, als ze terugkomt. Laat ons nog eenmaal rond de tafel verhalen vertellen, ganzenbordend gebakjes eten, boete doen… (Gedurende deze tekst is Birgit langzaam, erg langzaam verdwenen en is Gloster langzaam, erg langzaam, dichterbij gekomen) (Dan komt er een ommekeer in Jeronimus’ denken. De toon wordt lichter, en er duiken ook meer flarden realiteit op. Ergens in niemandsland tussen droom, herinnering, toekomst en heden) (Gloster neemt een plotse verwijdering. Alsof hij nu pas bij Jeronimus binnenkomt)

Gloster Goeienavond.

Jeronimus Goeienavond.

Gloster Ik heb mijn fiets in de hall gezet. Stoort dat?

Jeronimus Vera houdt van fietsen in de hall.

Gloster Natuurlijk. Knus huis. Gezellige foto’s.

Jeronimus O ja?

Gloster Wie is dat?

Jeronimus Juul, mijn schoonvader.

Gloster Is dat Juul? Onherkenbaar. Op dat

driewielertje. En dat?

Jeronimus Juul.

Gloster Mooie Fiets waar hij opzit.

Jeronimus Een kado van Vera.

Gloster Schattig. Is dit ook Juul?

Jeronimus Ais prins karnaval.

Gloster Kijk eens aan: een hele muur vol Juul.

Jeronimus Ja.

Gloster En hier leefde Moia?

Jeronimus Bedoelt u Vera?

Gloster Ik heb haar naam veranderd. Vera is zo banaal, voor een vrouw die verlangt naar charme, naar kracht, naar spieren.

Jeronimus Voorvinger-, bovenarm-, onderbuik-, tussenbeen…

Jeronimus Mannenspieren.

Gloster U bént toch haar man?

Jeronimus Haar echtgenoot, (stilte) Een eeuwigheid van drie jaar heb ik besteed om van haar geen hoer te maken.

Gloster Ze moet het verkeerd begrepen hebben.

Jeronimus Ja.

Gloster Moia was niet wèg van u, en toch is ze nu weg. (Hij glimlacht om het woordspelletje)

Jeronimus Misschien is ze wel altijd weg geweest?

Gloster Misschien doet u vrouwen vluchten?

Jeronimus Neen, neen. Birgit is anders. Birgit is…

Gloster Birgit… Slaapt u wel eens met haar?

Jeronimus Voorlopig niet.

Gloster Maar u kijkt er wel naar uit?

Jeronimus Zij meer dan ik. Ik ben niet zo… niet zo…

Gloster Gespierd?

Jeronimus (knikt) Birgit is niet fallisch bezeten, o neen… zij vibreert op hogere frekwenties… Zij ontwerpt telkens weer andere, zachte luisterruimtes voor mijn hete geest, haar ogen zijn zalf op mijn opengeknaagde geweten; als haar nagels mijn rug krabben, masseren ze mijn ziel…

Gloster (zakelijk) U bent dus verliefd.

Jeronimus Méér! Veel meer. Ik heb van haar hoofd weer een glimlacht gemaakt, na al die ellende die ze heeft gekend, met haar man vroeger, met de vieze visies van zijn vrienden officieren. Dat is me bij Vera nooit gelukt. Erger, ze is Juul gaan zeggen dat ik haar lachzenuwen heb doorgeknipt.

Gloster Door haar te ergeren met uw vijfdehandse poëzie? Door in slaap te vallen voor uw t.v.? Door uw oren te stoppen voor haar nieuwtjes over de buren, de kattevlooien, de bloemetjesperken, Juul?

Jeronimus Wat had ik kunnen doen, inspecteur?

Gloster Wanneer hebt u Birgit voor het eerst ontmoet?

Jeronimus Op de donderdagse trein naar zee. Nadat ze de eerste keer naar mij had geglimlacht, knipte ik vaak in de vingers van de reizigers. Dat heeft me sancties van mijn bazen opgeleverd. Maar dat kon me niks schelen. Ik had nog maar één wens: kontakt met haar krijgen. En ik heb het klaargespeeld. (dromerig) Sindsdien zagen we elkaar geregeld, in de meest uitdagende hoekjes: een tiensterrenhotel, een vroeg-gotische sacristie, een draaimolen, een afgedankte lift, een verlaten koeiestal, een braambessenstruikenbos, een paddestoelengrot, een barok praalbed van kunstleer…

(Hij heeft dit allemaal zeer mechanisch en snel gedebiteerd, een kolkende beeldenstroom)

Gloster (droog onderbrekend) Een kerkhof?

Jeronimus (kijkt hem verbaasd, dan paniekerig aan) (Gloster glimlacht mysterieus) Ik weet niets van een kerkhof. Ik ontken! Ik ontken (stilte)

Gloster (nu reeds verrassend zakelijk. Andere toon)

Denkt u dat uw vrouw aan haar trekken kwam, mijnheer Van den Water?

Jeronimus Hoe bedoelt u?

Gloster Als zoogdier?

Jeronimus (stilte) Misschien niet. Wel als vogel denk ik.

Gloster Als vrije vogel?

Jeronimus (stilte) Neen, wel vrij als een vlinder.

Gloster Vlindervrij is voor ons hetzelfde als vogelvrij, mijnheer Van den Water. Wij zijn geen dichters.

Jeronimus Het is niet hetzelfde. Een vogel, vrij of niet, komt hoe dan ook uit een ei, maar zelfs de meest vrije vlinder komt uit een rups! Gloster (bekijkt hem een tijdje. Denkt na)

Jeronimus Ik bedoel, ik ben met de rups getrouwd. Ik ben de dorre struik, die nooit meer zal beleven dat de vlinder uit zijn bloemen honing zuigt… Voor elke dode vlinder staat een kaalgevreten blad. (Dit was heel stil gezegd en dan plotseling krijgen we een toon- en ritmewisseling) Denkt u, dat Vera, als onbevredigd zoogdier, is verdwenen omdat ze zwanger was, van iemand anders?

Gloster Neen.

Jeronimus Waarom dan wel?

Gloster Om zich een kogel door de kop te schieten. De revolver is toch weg?

Jeronimus Ja…

Gloster U zei, dat U Birgit Petterson geregeld

zag op de trein van Antwerpen naar Oostende… Nu ongeveer… zes maand. Klopt?

Jeronimus Ja.

Gloster En ze heeft u alles verteld over haar verleden?

Jeronimus Heel veel.

Gloster Haar man, officier, gespecialiseerd in

ontbladeringstechnieken, geapprecieerd door

wie boven hem stond, gehaat door zijn

ondergeschikten…

Jeronimus En door Birgit.

Gloster Pardon? Ja, ja… Een jaar geleden ongeveer gescheiden…

Jeronimus Met veel ellende. Een rotboel.

Gloster (koel) Ja. Mogelijk. (verder in het dossier) Ze heeft toen werk gezocht, en vond in Oostende een betrekking als lerares

contrapunt… Ik kom terug op het allereerste kontakt. Vertel me daar over.

Jeronimus Dat was een avond in december… De laatste trein van de kust naar Antwerpen. Ik doe mijn gewone controle, ik kom in haar compartiment, en ze is er helemaal alleen. Ik… ze glimlacht. Ik glimlacht. En ik denk: ik doe het.

Gloster Wat?

Jeronimus Ik zég het haar.

Gloster Wat?

Jeronimus “Ik ben verliefd op u.” En dan wilde ik gewoon doorstappen, en wachten tot ‘s anderendaags, en hopen…

Gloster U deed het niet?

Jeronimus Neen.

Gloster ZIJ deed het?

Jeronimus Neen.

Gloster U vraag haar spoorkaartje en…

Jeronimus Ik vroeg niets. Ze opende haar tas, de grote bruine leren tas, ze neemt haar kaartje, geeft het me, en dan merk ik dat er een klein briefje aan vastzit. Ik hou het briefje, knip het kaartje, glimlach, zij glimlacht, en ik ga verder…

Gloster Geen woord?

Jeronimus Geen woord. De innigste kontakten heb je vaak in woordeloze dromen… Ik bedoel… dat moment, een briefje, een glimlach… die spanning… als ik dat in beelden kon vastleggen, zou ik een groot dichter kunnen worden…

Gloster Wat stond er op het briefje?

Jeronimus Een notenbalkje. Met vier noten.

Gloster Vier noten? En verder?

Jeronimus Een solsleutel.

Gloster Ah?

Jeronimus (zingt) Mi mi fa sol.

Gloster (zingt) Mi mi fa sol?

Jeronimus Ja.

Gloster Verder?

Jeronimus Twee dagen later: zelfde ontmoeting. Weer en briefje.

Gloster Met een notenbalkje? (Jeronimus knikt) Mi mi fa sol?

Jeronimus Neen, mi mi fa kruis, sol kruis.

(Gloster bekijkt hem) (Jeronimus zingt:) Mi mi fa sol. Klinkt heel anders, niet?

Gloster Zit er iets achter?

Jeronimus Er zit iets in. Alles zit er in. Een wereld. Een…

Gloster Neen, niet zeggen. Ik vraag het aan mijn dochtertje. Ze is negen, en studeert notenleer en dwarsfluit… (noteert) Sol kruis?

Jeronimus Sol kruis. Mijn passie voor Birgit is niets voor uw dochtertje.

Gloster Ze is zeer begaafd.

Jeronimus Birgit heeft me een wereld leren ontdekken.

Gloster Toen ze zes was, speelde ze haar eerste Mozart. Een wereld, zei u?

Jeronimus Het vermogen van twee verwante zielen om elkaar woordeloos af te tasten.

Gloster Gewoonlijk wordt eerst het lichaam afgetast. onze opleiding is verouderd, denk ik; wij zijn allemaal halve geleerden, psychologen, criminologen, sociologen, noem maar op, maar niemand is gespecialiseerd in zielsverwantschap.Iemand heeft het ooit eens genoemd: het onderzoek naar het aflikken van een ziel, prachtig is dat, prachtig… Hebt u gestudeerd, mijnheer Van den Water?

Jeronimus Lager middelbaar.

Gloster En… later?

Jeronimus Toen is mijn moeder gestorven.

Gloster Waaraan?

Jeronimus Aan zelfmoord.

Gloster (noteert) Zelfmoord. Neem me niet kwalijk. En vader?

Jeronimus Vader hertrouwde, binnen het jaar.

Gloster En u?

Jeronimus Ik ben door voorspraak van een oom bij de spoorwegen beland, asbakken leegmaken, gangen schuren ‘s nachts, en zo stilaan opgeklommen…

Gloster Leeft uw vader nog?

Jeronimus Weet ik niet. Op een gegeven dag was hij verdwenen. Gaan varen, denk ik, dat was altijd zijn grote droom.

Gloster En uw tweede moeder?

Jeronimus Die is kort daarna gestorven.

Gloster Ook zelfmoord?

Jeronimus Darmkanker.

Gloster Bent u met Vera getrouwd, omdat u zich eenzaam voelde?

Jeronimus Neen… ik was verliefd… op haar.

Gloster Verliefd? Was was het in haar dat u zo aantrok?

Jeronimus Waarschijnlijk hetzelfde dat alle mannen altijd heeft aangetrokken, bij haar.

Gloster Zoals?

Jeronimus Wat ze ook deed, je had altijd de indruk, dat ze naakt liep. De meest banale gebaren, de meest alledaagse handelingen hadden bij haar iets van een geheimzinnige verlokking… De manier waarop ze in haar koffie roerde, een sjaal omsloeg, haar tanden poetste… (plotse stilte)

Gloster Die… charme was er niet meer op het einde?

Jeronimus (stilte) Voor mij niet.

Gloster Maar u houdt nog steeds van haar?

Jeronimus (Aarzeling, lange stilte) Ik wil een advokaat voor ik verder antwoord. (We gaan verder in de simultaan-verwisseling van personages)

Gloster Ik ben uw advokaat.

Jeronimus Prettig met u kennis te maken, meester.

Gloster Hebt u enige ervaring met advokaten? (Jeronimus schudt het hoofd) Dat pleit voor u, mijnheer Van de Water. Maar de tijd komt dat iedereen ons zal nodig hebben. Ik zeg altijd, als ik ga spreken voor jonge mensen, “Wij zijn de loodgieters van de communicatiestoornissen, de depanneurs van de rioolgeest”. En dan kijken die jonge mensen mij aan, met hun nog niet getemde open ogen vol verwachting, en ze_ denken: hij is oud en toch cynisch. En ik blijf al die tijd stil, en onbeweeglijk. (Speelt het allemaal) En dan roep ik plots: “Vrienden, als het stinkt in uw huis, wat doet u dan?” Stilte. Verwarring, Soms roept een durver iets, maar hij is onverstaanbaar, want IK heb de enige micro, en ik drijf nu het tempo op en zeg: “Die grapjas daar roept: ik knijp de neus dicht, en die lafaard fluistert: ik ga naar de loodgieter. Maar, wat denkt de massa?” (Lange stilte) En wat is de juiste manier van denken? De juiste? Het stinkt. Goed. Wat hebben ze hiernaast of hieronder, of hierboven, in godsnaam uitgespookt? Dat is aangepast denken, Geen struisvogelpolitiek, geen mea culpa hebben we nodig, maar een advokaat. Een advokaat die de boosaardigheid van de omgeving ontmaskert Structurele veranderingen beginnen altijd bij de andere, nooit bij jezelf ! Dat wil ik even duidelijk stellen, voor we het dossier openen. En nu: begint u maar, u bent de vragende partij.

Jeronimus Hebt u mijn brief niet ontvangen?

Gloster Jawel, jawel. Tussen twee haakjes, ik vind dat u grappig schrijft, ondanks de ernst van de situatie. Ik heb altijd een zwak gehad voor mensen met fantazie.

Jeronimus Waarom kon u uit mijn brief opmaken, dat ik fantazie heb?

Gloster Alle brieven van 30 bladzijden, waar mijn sekretaresse geen barst van begrijpt, komen van mensen met fantazie. Dat zijn eieren van Colombus, die je nooit leert koken op een universiteit. Begrijpt u? Wat leren wij van onze huidige professoren? (stuntelige reactie van Jeronimus) Niets, watje ook niet zonder professor kan leren, Daarom was ik zo geboeid door uw levensbeschrijving. Ik ben wèg van mensen, die zich zelf hebben gemaakt. Want u hebt u zelf gemaakt!

Jeronimus Min of meer.

Gloster Geestig.

Jeronimus Het komt van Anouilh. (De naam zegt Gloster niets, en het interesseert hem ook niet) Eén van de grootste levende toneelauteurs van het ogenblik. De mens is egocentrisch. Kent u zijn laatste stuk “Le Nombril”?

Gloster Ach, mijn waarde heer Van den Water, hoeveel uur per dag, denkt u, besteed ik aan mijn cliënten? Aan hun dossiers?

Jeronimus (stilte) Acht? Tien?

Gloster Acht? Tien? Achttien als ik wakker ben, en zes als ik slaap.

Jeronimus Hoe houdt u dat vol?

Gloster Ik hou het niet vol. Maar de mensen wachten, de brieven moeten gelezen worden, de tranen gedroogd, de riolen ontstopt. Dat zeg ik ook altijd aan jonge mensen — ik laat de micro even los, kom terug — “Vrienden, zeg ik dan, vrienden, als je meer dan vier uur slaap nodig hebt, word dan nooit loodgieter van de geest”. Muisstil worden ze dan. Begrijpt u?

Jeronimus In “Le Nombril” komt een scène voor…

Gloster Kijk, ik zie het zo: u praat eventjes ronduit, alle remmen los, over uw motieven…

Jeronimus Om mijn vrouw Vera terug te wensen?

Gloster Neen, om MIJ te roepen

Jeronimus Wel… (stilte)

Gloster Geen valse schaamte, mijnheer Van den Water, het stinkt bij u… Verder?

Jeronimus Kijk, meester… ik kan het niet zo logisch op een rijtje zetten…

Gloster Logisch. Rijtje. De woorden alleen al doen me walgen. Waar was uw logica, toen u — ik citeer — “langs de muzikale eenvoud Birgits hunkering naar u ontdekte?” In welk rijtje ingebeelde verkrachters staat uw schoonvader, Juul? A propos, wat is het verschil tussen mi mi fa sol, en mi mi la kruis sol kruis.

Jeronimus Zal ik het even laten horen?

Gloster Laat maar, ik ben niet muzikaal. Er IS een verschil? Goed. Wat ik mis in uw schrijven is uw vrouw zelf.

Jeronimus Hoe bedoelt u?

Gloster U suggereert — in verrassende beelden — dat u ooit wel eens betrokken zou kunnen zijn in drugsmokkel, en verder insinueert u een ontoelaatbare verhouding van uw schoonvader Juul met zijn dochter. U geeft toe, dat u een enkel keertje hebt gesmokkeld, steentjes, zonder verdere details. U bekent uw liefde voor Birgit, hoe noemt u haar ook weer? (leest) een kameel zonder woestijn. (glimlacht)

Jeronimus Een woestijn zonder kameel…

Gloster Ja, Ja. U beschuldigt uw schoonvader ervan de politie aan uw veren te zetten; u behandelt — ontroerend — de zelfmoord van uw moeder, toen u (kijkt) vijftien was, u vertelt over de zeemansbenen waarop uw vader in alle rosse buurten rondzwalpte; verder enkele lijnen over de vrienden van uw vrouw, een wielrenner, een portretschilder, een slagersjongen, een ornitoloog. Dan begint u weer over u zelf, uw jeugd, uw uitvindingen, met een tekening van een verontrust geweten in rusttoestand, en één in trilling. Dat vind ik larie. Enfin, passons. Als u dichter bent, had u beter een gedicht bijgevoegd. Enfin. Nergens, maar dan ook nergens iets interessants over uw vrouw Vera! Leeftijd: tweeëntwintig, drie jaar met u getrouwd, hobbies: breien, babbelen, sex. Wat bedoelt u met sex? (stilte) Remmen los graag.

Jeronimus Ze liet me nooit met rust, wanneer ik ‘s nachts thuiskwam.

Gloster Een fenomeen. De meeste getrouwde mannen zouden u benijden.

Jeronimus Ze weten niet wat het is, meester, gekweld te worden door een spook van vlees, i een wandelend orgasme… ah, dat gruwelijk gekir, dat vochtig gehijg, die wegdraaiende ogen, voortdurend in liften, onder water, op torens, in trams, in de kerk! Op kerkhoven…

Gloster Wist u dat niet voor u trouwde?

Jeronimus In het begin vind je allés opwindend, je weet niet beter, je bent fier zelfs, een man, en verliefd. Opzij hier kom ik, voel de zwelling van de fonkelnieuwe macht…

Gloster (inspecteur) Denkt u, dat uw huwelijk daarop afgeknapt is?

Jeronimus Mijn huwelijk afgeknapt? Waarom, inspecteur?

Gloster Als een vrouw plots verdwijnt, is het dan niet mogelijk, dat ze het bij haar man niet zo goed had?

Jeronimus (Bekijkt Gloster koud, erg koud) Dat is mogelijk. Maar ik ben van niets beschuldigd, door haar. Voor zover ik weet.

Gloster Klopt.

Jeronimus En als u zich baseert op wat Juul over j mij uitbraakt als hij nuchter is, dan…

Gloster Laten we zeggen dat Juul… niet hoog met u oploopt, maar zijn afkeer voor u is beslist niet groter dan uw haat voor hem. Was Vera jaloers?

Jeronimus Neen, o neen… integendeel… ik heb haar alles verteld.

Gloster En?

Jeronimus Het was in de keuken. Ze had een aardappelmesje vast… Haar ogen rolden in de kassen, en ik dacht: ze wordt gek. Ze klemde zich aan me vast, en ik moest alle details vertellen over Birgit, en over onze ontmoetingen op de trein, en ze gilde, en ik dacht laat dat mesje los, en ik greep haar plots, en ze beet in mijn arm, en sneed haar jurk open, het schuim stond op haar lippen, en ze scheurde verder haar kleren stuk, en ze wierp zich op de grond… (Hij wordt door zijn eigen verhaal zodanig meegesleurd, dat her er sterk op lijkt, dat hij de abnormale is. Hij wordt zich hiervan blijkbaar bewust. Een plotse, en lange, stilte)

Gloster Vertel me over de mannen die Vera kende.

Jeronimus Ik ken ze niet.

Gloster Sprak zij er nooit over?

Jeronimus Soms.

Gloster Vertel.

Jeronimus Waarom?

Gloster (nadrukkelijk) Vertel, mijnheer Van den Water.

Jeronimus (Speelt hij er een spel mee?) Ik kon telkens vernemen hoe hun ogen verkleurden, hoe attent ze waren, bloemen, deuren openhouden, mantel aanreiken, vuur geven, hoe hun billen samenkrompen, hoe charmant ze gingen platliggen, breed, rijk, zacht, hun schouders, portefeuille, perzikhuid, hoeveel keer het er toeging, en open, en met welke muziek, welk licht, welke geuren, uit welke holtes, uit welke hoeken, welke rook…

Gloster Hebt u ooit met uw vrouw gepraat over haar… soort… seksuele afwijking?

Jeronimus Ze is ervoor naar een psychiater geweest.

Gloster Op uw verzoek?

Jeronimus Neen, neen, ook dat had ze gedaan zonder dat iemand er iets van afwist. Zo was het altijd, een opwelling, en het moest gebeuren. Soms kwam ik ‘s avonds thuis — om u maar te zeggen — ik kwam thuis, en er hingen overal, van boven tot onder, andere gordijnen, of al mijn zwarte schoenen waren wit geschilderd, of ze had een konijn in huis gehaald, of goudvissen, of hamsters, of…

Gloster Hoe bent u het te weten gekomen, van de psychiater?

Jeronimus Zijn vrouw heeft me opgebeld. (stilte) Mijnheer Van den Water, zei ze, het is delicaat, ik heb uw vrouw en mijn man betrapt, in onze wijnkelder, en niet voor een rondleiding, als u begrijpt wat ik bedoel, mijnheer Van den Water? Ik begrijp u beter dan u vermoedt, mevrouw… Kan het geen terapeutische ontmoeting geweest zijn, tussen de wijnflessen? Laat me niet lachen, mijnheer! Ik laat u helemaal niet lachen, mevrouw, het is om te huilen. We zwijgen hier verder over, mijnheer? Als een graf, mevrouw. En u houdt de… patiënte verder thuis, mijnheer? Voor zover dat in mijn macht ligt, mevrouw. Dank u mijnheer, dag mijnheer. Onterend.

Gloster Voor wie?

Jeronimus Voor wie? Voor… die mevrouw, voor mij!

Gloster Voor Vera?

Jeronimus Zij lokte het toch altijd en overal uit?

Gloster (bekijkt hem een poosje zwijgend. Dan als advokaat) Dat is interessant! Natuurlijk lokte zij het uit, maar HIJ is geen zier beter. Dat is nu precies wat ik bedoel, mijnheer Van den Water. We gaan zoeken, waar de anderen de stinkbom hebben gelaten. Verder?

Jeronimus Toen ze thuiskwam die dag zei ze heel lakoniek: je bent al op de hoogte, Jeronimus? Het heeft niets geholpen, maar het heeft ook niets gekost. We trekken zelfs wat terug van het ziekenfonds.

Gloster Ontroerend, (reactie Jeronimus) En schandalig. Hoe hebben ze haar zover kunnen krijgen, al die anderen?

Jeronimus Wie bedoelt u?

Gloster Al diegenen die niet mijn cliënten zijn.

Jeronimus Ik heb wel een vermoeden of twee drie…

Gloster Geen vermoedens. Feiten!

Jeronimus Juul is een feit. En haar moeder, die haar altijd alles heeft toegestaan. Verdraagzaamheid is de vader van de losbandigheid. Liefde, echte liefde is gemaakt uit taaier stof.

Gloster Uit taaier stof, ja ja… Waren uw reacties taai, mijnheer, toen ze u vertelde over dat ziekenfonds?

Jeronimus (Na lange stilte) Toen niet. (stilte) Ik heb haar lange tijd bekeken, ik had zin om haar te slaan, haar bij de haren door de kamer te sleuren, haar te schoppen, haar te steken met een mes… (stilte)

Gloster En wat deed u wel?

Jeronimus Ik heb haar… in mijn armen genomen… We moesten allebei… lachen. We zijn op de sofa beland… en toen hebben we, voor het eerst eigenlijk, heel erg echt, geprobeerd… (Hij zwijgt, maar Gloster nodigt hem door een vriendelijk geknik uit om verder te gaan) … geprobeerd… een kind te maken. (stilte)

Gloster Toen voor het eerst, zei u? (Jeronimus knikt)

Jeronimus Echt geprobeerd, zei ik.

Gloster (inspecteur) U wilde dus geen kinderen, mijnheer Van den Water?

Jeronimus In het begin niet.

Gloster En later?…

Jeronimus Later? Wat bedoelt u? ZIJ ging akkoord.

Gloster Het eerste jaar!

Jeronimus Ja… ja ongeveer ja… Hoe weet u dat!

Gloster Het eerste jaar. En daarna?

Jeronimus Toen bleek dat ik geen kinderen kon krijgen…

Gloster Dokters geraadpleegd?

Jeronimus Vier…

Gloster Zij?

Jeronimus Ook. Ze waren allen formeel… mijn zaad is… derderangs. Niets aan te doen. (stilte)

Gloster Is er, vlak vòòr haar verdwijnen, nog over kinderen gesproken? (stilte)

Jeronimus Twee weken geleden. (stilte) Toen vroeg ze me of ik het erg zou vinden als ze een kind kreeg van iemand anders, (stilte) Kunnen we niet beter een kind adopteren, vroeg ik. Ze begon te huilen, en rende de kamer uit. Toen ze terugkwam, ongelooflijk, toen nam ze een boodschappentas. Ik ga hart en lever kopen, zei ze, dat moeten de katten hebben, ze hebben een hekel aan voedsel uit blik…

Gloster (advokaat) Neurotisch gestoord. En geen woord meer over kinderen?

Jeronimus Geen woord.

Gloster Iets heel anders: u noemt uzelf graag een uitvinder, nietwaar? Hebt u al iets uitgevonden?

Jeronimus Nog niet.

Gloster Maar u zoekt verder? (Jeronimus knikt) Wat bijvoorbeeld?

Jeronimus Dat hangt van mijn gevoelsstromen af. Soms is dat een zelfbewegend treintje van IJzerdraad, met een elastieken motor, soms iets meer beschouwend…

Gloster Zoals?

Jeronimus Een vloeistof om goede van slechte karakters te kunnen onderscheiden… (Gloster bekijkt hem op een zeer bijzondere manier, maar hij begint wel te twijfelen aan de geestelijke vermogens van Jeronimus) En nu ben ik al maanden bezig met iets ontzaglijk opwindend… Gloster Ja?

Jeronimus Een echtelijk dak, dat glimlacht. (Gloster glimlacht, Jeronimus ook. Lange stilte)

Gloster Bestaat dat?

Jeronimus Bijna. Gek, nietwaar?

Gloster (inspecteur) Wat is gek, en wat is normaal? Neem nu die vier noten: mi mi fa sol. Ik heb ze mijn dochtertje laten spelen, en ik vroeg haar, wat ze erin zag. (stilte) Mi mi fa sol, zei ze, goed luisteren, mijnheer Van den Water, mi mi fa sol is een klomp voor sinterklaas, met een worteltje er in. En mi mi fa kruis sol kruis, zei ze — niet te geloven — dat is diezelfde klomp, maar het worteltje is weg, en er ligt snoep in de plaats. (Jeronimus schijnt erover na te denken)

Jeronimus Mi mi fa sol. (zingt) Hier is een worteltje, en breng jij me nu ook wat? Mi mi fa kruis sol kruis (zingend) Ja, beslist, hier is wat snoep, en gaan we nu verder met deze kennismaking? Begaafd kind, hebt u.

Gloster O ja, haar leraar vindt haar angstwekkend begaafd. Dat kind, zegt ie, dat kind hoort het onhoorbare, (stilte) Sinds ik uw dossier in handen heb, denk ik daar vaker over na. U hoort het onhoorbare. En Vera ook. Maar u hebt nooit SAMEN kunnen horen, wat voor anderen onhoorbaar was. Ik probeer u te benaderen vanuit uw eigenheid, uw geremd-gekweld niet kunnen uitvinden. Ik zoek, ik zoek echt, mijnheer Van den Water, naar omstandigheden die u dat hebben belet… (Als advokaat nu) Bepaalde feiten hebt u toegegeven: de familievaas die u het raam hebt uitgegooid, de katten die u weigert eten te geven, en waar Juul moet voor zorgen, de leugens die u vertelde over een centje bijverdienen na uw uren met het verkopen van potten en pannen, waar u in werkelijkheid gesmokkelde steentjes probeerde aan de man te brengen, enz. enz, Kunnen we niet omheen. En dat hoeft ook niet. Voor de politie niet, voor uw schoonouders niet, voor niemand. Reken op mij. We staan sterk. Uw schoonvader wil een gerechtelijke procedure. Met de bedoeling u van Vera te isoleren. Volgt u? (Jeronimus schudt het hoofd) Neen? Hij wil u gek laten verklaren, mijnheer Van den Water. Klaar? Goed. Volg me nu. (speelt met de ‘micro’) Ie mand belt aan. U doet open. Mijnheer Van den Water? Jawel. U hebt dat gedaan, en dat ook, en dat. Misschien wel. Maar dat deed u niet, en dat evenmin, en dat. Neen, dat… U ziet wat er van komt. Toch niet, ik… Ah, u ziet het niet? Wel, dàt komt ervan, en dàt, en dàt. Oh. Maar wat veel gevaarlijker is, wat komt er niet van? Dàt niet, en dàt niet, en dàt. (hij heeft alles ‘gedialogeerd’, maar nu spreekt hij weer ‘gewoon’) Intimidatie, agressie. Goed. En WAT DOET U? Bang worden? De deur dichtslaan? De wetboeken uitpluizen? Uw geweten roosteren? FOUT? U neemt kontakt op met ons. En wat doen WIJ? Niet wat men ons heeft geleerd, nl. proberen te bewijzen dat U NIET GEK bent, neen, neen, wij gaan bewijzen, dat de ANDERE gek is. Volgt u? Juul drinkt, ja? En Juul wipt elke dat bij zijn getrouwde dochter binnen, ja?

Jeronimus Niet elke dag…

Gloster ELKE DAG! En: HIJ GAAT MET HAAR NAAR BED!

Jeronimus Dat kan ik niet bewijzen.

Gloster Als hij het toegeeft, hoeft u het niet te bewijzen!

Jeronimus Hij is koppig. Hij zal nooit toegeven.

Gloster Fout! Hij lijdt aan geheugenverlies, ja? De leeftijd, ongetwijfeld, hij is half seniel. Hij heeft motieven om u uit te schakelen: afgunst, geldingsdrang, complexen, honger naar het lijf van zijn kokende dochter… En… hij was verre van een ideale echtgenoot: uw schoonmoeder zat geregeld alleen, ja? Waar bleef hij dan al die tijd? Op café. Een troef uit de handen. Of niet op café en niet bij zijn dochter: twee troeven uit de handen. Of niet op café, niet bij zijn dochter: waar dan wèl? Juul heeft uw schoonmoeder meer dan eens bedrogen, jaren geleden of gisteren, gebeurd is gebeurd, geen genade voor de vijand van mijn cliënt… En, mijnheer Van den Water: WAT IS JUUL? WAT WAS JUUL? Een arbeider, ja?

Jeronimus Gespecialiseerd.

Gloster Jawel, Maar niet door zijn kennis. Maar door het soort uitvretend, ondeugend, misdadig werk, dat mensen met hersens weigeren? Koolmijnen, chemie, auto’s. Kapotte longen, vroeg pensioen. Dank u wel. Volgt u?

Jeronimus Neen.

Gloster Ik bedoel: Juul was DOM. Ja? En een domme arbeider, die niet heeft geërfd, wie gelooft daar in? Uw schoonmoeder is evenmin rijk… MAAR: de nieuwe W.C. komt er niet bij hen, het vasttapijt moet wachten, ze lenen bij u de diaprojector. Ja? Maar er is wel een huis, pardon een appartement, met ingerichte keuken, en ingerichte slaapkamer, voor zijn dochter toen die trouwde, met u? Ja?

Jeronimus Ja.

Gloster Hoe groot moet de liefde voor die dochter dan zijn?

Jeronimus Heel groot.

Gloster WANSTALTIG groot.

Jeronimus Een draak met zeven koppen, als het ware.

Gloster Reken maar. Welnu, mijnheer Van den Water… (hij staat teatraal recht) Die draak zullen wij uit zijn hol halen… (steekt een brede hand uit) Take it easy… Ik kom er wel uit. (Gloster gaat weg. Jeronimus blijft geruime tijd alleen op de scène. Hij drinkt. Verschillende glazen. Steekt een sigaret op. In de rookwalmen ziet hij Juul en Fie opkomen. Ze zijn vaag belicht)

Juul Weet ge het nog, dien eerste keer?

Fie Op ne zondagachternoen.

Juul Dat gij naar ons kwaamt.

Fie Officieel dan.

Juul Ons Vera was taart gaan halen.

Fie En ik was nog boven.

Juul Om haar wat op te teljoren.

Fie Voor de grote ontmoeting.

Juul Met onze aanstaande schoonzoon.

Fie Vera had ons wel het een en het ander verteld

Juul Dat ge nen raren tiep waart en zo

Fie Maar meer ook niet

Juul En toen, op die zondag, stondt gij daar zowat te draaien

Fie Met uwe kepi van den ijzerenweg in uw hand

Juul En ik dacht: eindelijk enen met ne kepi

Fie Met een schone positie.

Juul Eindelijk een geen punkerke

Fie Met een mauve kostumeke aan
Juul ‘t Was den eerste keer dat ons Vera dat op die manier wou doen, zo serieus.

Fie Zo met ons daarbij en met taart.

Juul En het schoon servies.

Fie En ik dacht, als ik u daar zo zag staan, wat ne knappe jongen…

Juul Nen deftige jongen.

Fie Zo helemaal anders

Juul In zekere zin te gewoon voor ons Vera

Fie Wat gaat die jongen daar nog mee afzien, dacht ik. –

Juul En ‘t is uitgekomen, ons Vera dat is niet de eerste de beste…

Fie Niks kuituur.

Juul Maar eerlijk.

Fie Een gouden hart.

Juul Maar nen bol vuur.

Fie Waar ge uw poten aan verbrandt.

Juul In alle scholen was die buitengegooid he.

Fie Omdat ze altijd zei wat ze dacht.

Juul Het hart op de tong.

Fie En nog heel wat anders,

Juul En van haar zeventiende heeft die genen boek meer vastgehad, he.

Fie Geen letter meer gelezen.

Juul Nu kunt ge wel gaan denken, hoe moet dat gaan klikken met een uitvinder?

Fie Alleen cinema.

Juul En waffer ne cinema, hoe bloter hoe liever.

Fie Twee drie keer per dag.

Juul En dan dachten wij, dat die op school was he, of later op haar werk.

Fie In Gent op den atelier.

Juul Dag Jan, die heeft nog nooit nen atelier van binnen gezien.

Fie Die maakte ons dat allemaal wijs,

Juul En toch had ze poen he.

Fie En niet weinig.

Juul Die werd al onderhouden van als ze haar plechtige communie gedaan had…

Fie Kunt ge het u voorstellen,

Juul Maar dan hebben wij gezegd: ah neen he.

Fie Als ge denkt dat zoiets kan blijven voortgaan…

Juul Denkt dan maar rap wat anders he.

Fie En toen kreeg ze wat minder praat.

Juul En toen heeft ze u leren kennen.

Fie En ze scheen gelukkig,

Juul Schijn bedriegt natuurlijk.

Fie En dan natuurlijk, na ne zekeren tijd zagen wij…

Juul Zagen wij, dat ze veel alleen zat…

Fie Zogezegd door uw werk…

Juul Maar gij zat helemaal niet op uw werk, he makker?

Fie En dat heeft ze in hare kop gestoken.

Juul Daar hebt gij nen enormen kemel mee geschoten, he…

Fie Geen enkele vrouw is gemaakt om alleen gelaten te worden.

Juul En dan heb ik veel bij haar gezeten, he,

Fie Om goed te doen.

Juul Maar wat horen wij nu?

Fie Dat gij bezig zijt om ons goeie bedoelingen te vervalsen, he vriend?

Juul Ge noemt u zelf nen dichter, he?

Fie Nen dichter?

Juul Ne smeerlap, dat zijt gij!

Fie Maar denk maar niet, dat wij ons zullen laten doen he.

Juul Gij pakt nen advokaat, he?

Fie Maar dat kunnen wij ook he.

Juul Gij zijt verwittigd: hard tegen hard.

Fie En we zijn al heel wat over u te weten gekomen, he.

Juul Als ge dat maar weet…

(En zonder veel omhaal verdwijnen ze uit de ruimte van Jeronimus. Jeronimus duwt zijn sigaret uit. Lichtverandering. Dan staat hij op, loopt een paar passen… Gaat dan weer zitten. En nu begint hij een lange monoloog, die hij af en toe onderbreekt om zich iets in te schenken, of om enkele notities te nemen)

Jeronimus Ja, ik geef toe, ik heb je geslagen. die avond. De dag voor je verdwenen bent. En dan? Ik geef alles toe, ik was verkeerd, ik had teveel gedronken, neen dat is geen excuus, ik wil alleen maar zeggen alles heeft een oorzaak. Luister: ben ik de enige man die drinkt? Zijn wij het enige koppel dat geen kinderen kan krijgen? En ben ik, laat die revolver nu even liggen, luister Vera, luister, ben ik de enige man die zijn uurtjes klopt om aan de kost te komen, maar opgaat in een andere wereld, die van buiten de uurtjes? Alles wat ik hier opsom zijn doodgewone banale belevenissen. De vraag is: wat hadden wij van ons huwelijk verwacht? Eerlijk? Niets! (Nu moet hij gaan spelen alsof hij telkens wordt onderbroken door Vera) … neen, zelfs geen kinderen! Hoe, dat verwacht iedereen die trouwt? Je weet niet wat je zegt. Ja, dat geef ik toe, we hadden er veel vroeger moeten over spreken, maar wat wil je, jij zowel als ik, we waren wèg van mekaar, en dan wordt er heel wat over het hoofd gezien,… Maar hoe kon ik in ‘s hemelsnaam weten dat ik onvruchtbaar was? En later zelfs impotent? Ik heb daar genoeg onder geleden. Ja ik weet, dat je dat nooit zal willen geloven, maar zo is het, ik was zesentwintig en ik wist niet… ik wèèt niet in welke wereld ik leefde. Dat is verschrikkelijk naïef misschien, maar niet misdadig… ja ja ze moesten dat soort mannen opsluiten, dat ken ik, dat heb je al vaak genoeg gezegd, maar daar schieten we nu niets meer mee op. Laat die revolver nu. We hadden alles kunnen herbeginnen. Vera, als je terug was gekomen, maar dan had ik mijn veel te late eisen gesteld… (Het is nu alsof hij een monoloog speelt uit een ander klassiek stuk) Met jou niet op bevel naar bed. Mijn dromen respekteren en niet voortdurend zeuren over buren, ogenschaduw, katten, vasttapijt, en bloemenvazen. Ik wou dat jij je fijne neus ophaalde, voor de vervloekte handigheid van Juul, met zijn doe-het-zelfse-hersens, waar nooit één enkele vonk is uitgesprongen, die niet veel vroeger al, door om het even welke snuggere aap, veel beter werd bedacht! Ik heb je vader altijd willen haten, dat schimmelweefsel dat steeds dieper graaft en mij verstikt. Nu jij weg bent haat ik hem pas goed, maar op een dag ruk ik het domme onkruid uit, hang het te drogen in mijn schele zon, verbrand het in de groene vlammen van mijn ogen, die eindelijk zien met welke onbeschaamdheid hij ze heeft versteend. Een beetje rook, een handvol smeulende as: dag Juul. Neen, loop niet weg, dat heb je al te vaak gedaan, ik wil nu doorgaan, met je praten, praten, praten,… zoals ik dat al zes maand doe met Birgit, die van mij niets meer verlangt dan af en toe een vers verhaal, een fris idee, die op alle uren mijn nieuwste uitvinding laat drinken aan haar onvergetelijke glimlach. Hoe kon het zover komen? De ongeboren kinderen misschien. Alhoewel: wat zouden kinderen met ons meer ervaren, dan op een dag het inzicht een blok te zijn aan onze benen, die steeds weer andere, tegengestelde wegen willen gaan. (Op een veel zakelijker toon dan nu) Je vader, Juul, vermagert zienderogen, weet je. Neen, dat is geen reden om medelijden met hem te hebben: hij heeft de politie op me afgestuurd. Ik word geroosterd. Maar ik laat me niet pakken. Nu voel ik pas hoe sluw ik ben. Wist jij, Vera, dat hij me gestoken heeft met een mes? Juul? Jij was toen enkele dagen weg, en wij waren samengekomen om te overleggen — denk niet dat niemand om je gaf, Vera — en hij heeft me gestoken met een mes. Daarna zijn ze op bedevaart gegaan, je moeder en hij. Hij heeft er een lichte beroerte gekregen, de schurk, Sindsdien lijkt hij elke dag wat sterker op een wrak. Kijk mensen, daar drijft Juul! He, Juul, kom je niet aan land, je dochter is zwanger, er is feest!!! (stilte) Je moeder zie ik af en toe op de trein naar Oostende, dan praten we wat. daar weet Juul niets van. Juul heeft genoeg aan zichzelf. Je moeder is een zilveren ziel, die gelooft in vreemde ontmoetingen, en in zwarte dromen luid roept om hulp der goden, die plagen op ons afsturen om ons te testen. Arme dwaas. Hoe heeft ze zich ook kunnen verkopen aan die blaaskaak van een Juul? Geef die revolver nu. Als ik hem niet de een of de andere dag vermoord, is het om haar te sparen. Weet je, Vera, soms denk ik, dat jij haar dochter was, en niet de zijne… Jij hebt nooit echt goed met haar kunnen opschieten is het niet? Je hebt je vergist. Als er iemand is, die grondig doodgaat aan jouw weg zijn, dan is het die vrouw, die jij veel meer dan eens de pest toewenste, als je teveel whisky had gedronken. Neen, ik word niet sentimenteel. Ik wou je nog één ding vragen, Vera… (traag): heb je nog altijd angst voor het niets? Weet je nog, hoe je hysterisch begon te gillen, toen ik je vertelde over mijn moeder, hoe die zich had verhangen aan een te dunne koord, en op de grond plofte en werd weggevoerd naar een ziekenhuis, sirenes vol, en na zeven weken weer thuiskwam en zich de pols oversneed in bad, en weer werd weggevoerd, sirenes stil? Weet je nog, hoe je huiverde, en hoe je reageerde op de dood van je goeie vriend Jean, de wielrenner? Hoe je je hier hebt opgesloten met een fles whisky, en Juul op je paste, toen ik moest gaan werken? En hoe de lege flessen zich opstapelden? (Een lugubere kreet) De katten leven nog… (incoherenter nu) Vera? Vera? (Hij is rechtgestaan, loopt rond) Vera, ik had iets voor je, een fortuin, waaraan ik jaren heb gewerkt: een echtelijk dak, van diamant, dat glimlacht. Vera… ik hou van je! VERA!

(Op deze kreet eindigt het eerste deel)

 

TWEEDE DEEL

 

(Fie zit onbeweeglijk in een schommelstoel. Ze droomt)

(Juul en Gloster, flink aangeschoten, op)

Fie Zo, zijde daar al?

Juul Slaapt ge nog niet?

Fie Slapen, slapen, dat ziet ge toch? En ge weet toch dat ik niet kan slapen als het zo laat wordt. Ge hadt gezegd: eentje. Dat zal dan wel een heel groot geweest zijn,

Juul Momentje. Wat er nu gebeurd is, dat zult ge niet geloven.

Fie Dat ken ik. Er gebeurt tegenwoordig twee,

drie keer per week iets dat ik niet kan geloven.

En wie is dat nu weer?

Juul Dat? Dat is GLOSTER, mijn vriend van

den biljart. Gloster, dat is mijn vrouw

Fie. Een goed mens, maar ze slaapt moeilijk.

Gloster Mevrouw.

Fie Mijnheer.

Juul Gloster heet hij.

Fie Ik ben niet doof. Gloster, wat ne naam! Heb ik mijnheer al eens niet gezien? Op dat terras? He, Juul?

Juul Waar? O, ja… ja dat kan wel. Die zit overal. Ga zitten, Gloster… (stoot ergens tegen) Miljaar, hebt ge die meubelen nu weer verplaatst?

Fie Ik moet toch iets doen om mijn zenuwen af te reageren? Ik zit hier maar eeuwig te wachen, en te wachten, op ons Vera, en den enige die altijd maar terugkomt zijt gij. Een stuk in de nacht. Met een stuk in uwe kraag.

Juul Gij weet zeker niet wat wij hebben meegemaakt vanavond? Die ogen…

Fie Welke ogen?

Juul Zoals die naar ons keek.

Fie Wie?

Gloster Doodsangst.

Juul Voila, dat is het woord.

Gloster Ogen die schenen te zeggen, voor mij is het hier bekeken. Zullen we elkaar nog ooit terugzien, in een of andere… andere wereld?

Juul ik mag er niet aan denken.

Gloster Niet teveel denken, Juul. Dat jaagt teveel bloed naar het hoofd.

Fie Als hij wat meer bloed naar zijne kop had laten gaan in plaats van naar de rest, dan was ons Vera nooit weggelopen. (stilte)

Juul Wat wilt hij daar eigenlijk mee zeggen? Waarvan word ik hier beschuldigd, mag ik dat eens weten? (hij gedraagt zich nogal agressief nu)

Fie Dat ge met haar naar bed geweest zijt, en dat ze in verwachting was, van u, en als het kind geboren is was het precies nen blok ijs, en als het gedoopt werd, stond er nen bisschop bij, een pannekoekske te eten.

Juul Ja, diezelfde die ge in de trein zaagt zitten vrijen, zeker, ‘t Is in hare kop geslagen, Gloster.

Fie Soms denk ik echt dat ik zot word…

Juul Wel, we hadden ons driebandje gespeeld, we bestellen nog iets, en daar komt opeens een vrouw binnenvallen. Die gaat zitten en vraagt aan de patron: is hij er nog niet? Ze sprak zo een beetje met een rauwe stem…

Fie Wat had ze aan? Gïoster Een blauwe jurk. Laarzen. (reaktie van Fie)

Juul De patron vraagt: wie bedoelt u? Mijn man zegt ze. Die ken ik niet zegt de patron, hoe ziet die er uit? Ne grote blonde, zegt ze. Nen uitvinder.

Fie Nen uitvinder?

Juul De patron wist niet meer waar dat zijne kop stond. En zei de vrouw ineens, enfin ze riep, precies ne schreeuw, die heeft mij in de steek gelaten! De patron ziet naar ons, wij bezien mekaar; Zal ik een taxi voor u bellen, madame, zei die.

Fie Had ze ringen in haar oren?

Juul Ringen? Ja… één, he Gloster? Ne zwarte, zo ongeveer zoals ons Vera altijd droeg.

Fie En verder? Hoe waren haar ogen?

Juul Haar ogen?

Gloster Net gaten.

Fie En haar gezicht?

Gloster Beschilderd,

Juul Ja, precies een beest uit de muppets.

Gloster Met twee strepen erdoorheen.

Juul Over haar kaken.

Fie Twee strepen van het schreeuwen… En dan?

Gloster Dan zijn we bij haar gaan zitten. En ik vroeg: wil u naar huis?

Juul Toen draaide ze hare kop naar ons, heel traag…

Gloster Om nooit te vergeten.

Juul Die ogen!

Fie Bruin, met een beetje groen?

Gloster Lichtgroen.

Juul En we hebben een taxi gebeld, en haar meegenomen.

Fie Was ze mooi?

Gloster Te mager.

Fie Mager? Zei ze niets?

Juul Geen woord. En ik zei: nu naar links,

Fie Hoe wist gij dat ge naar links moest?

Juul Dat weet ik niet. Maar het was precies alsof ik heel die wijk op mijn duimpje kende, net zo een straten als waar ons Vera woont…

Gloster Het was de wijk van Vera, mevrouw,

Juul heeft waarschijnlijk niet gehoord, dat ze aan de chauffeur had gezegd: Schimmelhoek.

Fie Dat is hun wijk.

Gloster En plots zegt ze: hier is het.

Juul De klank van haar stem, dat vergeet ge nooit; de chauffeur duwt op zijn frein van het verschieten, die mens ziet naar mij met zo’n ogen. De klank van die stem dat was niet meer van een gewone mens, he Gloster?

Gloster Vanuit een ander leven kwam die al.

Juul We zetten haar af, ze strompelt weg, wij ondersteunen haar, en we komen aan dat huis…

Fie Van Vera?

Juul Toch ook met zo een trapke op…

Gloster We zetten haar in een zetel…

Juul Nen helen ouwen versleten, zoals van moemoe.

Gloster Ondertussen kreunt ze alleen nog wat…

Fie Zoals vroeger Vera in hare slaap he Juul, neen dat weet gij natuurlijk niet, gij laagt altijd te maffen, maar ons Vera kon dat hebben, en

dan ging ik naar het bedje, en als ik dan zachtjes over haar gezicht streelde, dan ging dat gekreun over…

Gloster Maar dan, plots, sprak ze.

Juul Ja, lap zo ineens, in het half beschaafd. Ik verschoot.

Gloster Gaan we iets drinken, er is whisky in de keuken. Maar dat was geen stem meer.

Juul Dat was zoals in een griezelfilm…

Gloster (imiterend) Gaan we iets drinken?

Juul Ja, zo. Ongelooflijk. En dan draaiden die ogen weg, en dan wees die zo heel traag, ergens naartoe. Met zo precies een klein, fijn handje, he Gloster?

Fie Van een porseleinen poppeke…

Juul Ja, gelijk als dat bij ons op de slaapkamer staat.

Gloster We werden er koud van.

Juul We gaan naar de keuken…

Gloster Ik ging naar de keuken…

Juul Ja, gij.

Gloster Ik vind geen fles, ik roep: Juul zie jij ergens een fles?

Juul Ik ga zien…

Gloster Wij zoeken allebei…

Juul Maar het enige wat er in de koelkast zit zijn blokken ijs…

Gloster En verder nergens iets in de kasten…

Juul We gaan terug naar binnen…

Gloster En die vrouw…

Juul Dat kind zeg maar…

Gloster Zat dood in de zetel! (Er is een black-out, en als we ander licht krijgen is Gloster uit de spel-ruimte verdwenen. Fie springt recht, als uit een nachtmerrie. Juul, die een whisky zit te drinken, en in een blaadje leest, verslikt zich)

Juul Amai, is me dat verschieten. Wat hadde gij nu?

Fie Een nachtmerrie.

Juul Erg?

Fie Hebt gij soms plezante nachtmerries?

Juul Het is mijn schuld toch niet, waarom vliegt ge nu zo uit?

Fie Omdat gij altijd stomme vragen stelt.

Juul Ging het weer over haar?

Fie Het zal altijd over haar gaan.

Juul Luister, Fie, misschien is ze gewoon een paar dagen op reis, gelijk als den inspecteur gezegd heeft. Misschien is ze nu veel gelukkiger als bij die zot waar ze mee getrouwd is.

Fie Jeronimus is helemaal niet zot.

Juul Wat hij schrijft dan.

Fie Wat weet gij daarvan?

Juul Meer dan gij denkt. Ons Vera heeft me ooit heel wat laten lezen, amai mijn frak, daar kunt ge kop noch staart aan krijgen, en dan wou dien halve gare, dat ze er nog naar luisterde ook, als hij dat voorlas.

Fie Dat zijn toch uw zaken niet! En als hij denkt dat hij nen artiest is, wat moet gij uw eigen daar dan mee bemoeien?

Juul Als ik zie dat mijn dochter ongelukkig is met zo nen artiest, dan moei ik mijn eigen wel! Dat is mijn plicht. Daar ben ik haar vader voor. En die paljas heeft met mij nog niet gedaan he, als ge dat maar weet, ik zal die leugenaar nog op zijn knieën om excuus laten vragen.

Fie Excuus? Aan wie? Aan u toch niet zeker? Pas maar goed op, of ge zult nog achterover vallen van al wat ze onder uwen neus zullen wrijven. En a propos, gij spraakt over ne leugenaar, awel merci, dat moet gij juist zeggen. In uw familie hebben ze nooit iets anders gedaan dan liegen en bedriegen. Uw moeder had uw vader zelfs wijsgemaakt dat ze een boerderijtje had in Zuid-Frankrijk. Die mens heeft daar heel zijn leven van gedroomd, om daar groenten te gaan kweken, en geitekaas als hij met pensioen was.

Juul Mijn moeder, laat die erbuiten, dat was een mens dat kon zwanzen.

Fie Uw vader heeft er anders niet hard kunnen om lachen.

Juul Waar kon die wel om lachen? Ik zal u eens een klein dingetje zeggen zie, mijn vader was nen hurk. Nen jaloezigaard. Die heeft mij nog ooit afgetroefd omdat ik zogezegd niet wilde zeggen wie er bij mijn moeder op bezoek geweest was, als hij de suikerbietenoogst was gaan doen in Noord-Frankrijk. Mijn vader, zwijgt me daar van, die was ziek… Mijn moeder, dat was een mens naar mijn hart, en die heeft heel wat afgezien met dien azijnpisser, en ons Vera he, awel, dat is mijn moeder, niet teveel ingewikkelde dingen rond hare kop, goed eten en drinken, een babbeltje links en rechts…

Fie Een ander beddeke af en toe…

Juul Gij, gij hebt een giftige tong, en daar hebt gij al veel mensen mee doodgestoken, weet ge dat?

Fie Veel mensen? Wie? Al die vriendinnekes van u soms? De grote held. De mensen zouden zich nen bult lachen als ze het wisten. Als we eens ergens zijn, en er is een vrouw in het gezelschap kunt ge nog altijd geen seconde stil op uwe stoel blijven zitten.

Juul Ik heb u toch nooit in de steek gelaten? Ik zag ons huwelijk alleen wat… wat breder… als…

Fie Wat breder… gelijk als ons Vera… maar er zijn mensen die zoiets niet nemen, vriend, dat vergeet gij. Mensen die zoals ik zich dikwijls zo ellendig voelen dat ze liever dood waren geweest. Maar gij met uw dik vel hebt nog niet eens moeite gedaan om dat te begrijpen. En dat zal ons Vera ook wel gevoeld hebben vroeger. Kinderen zien meer dan ge denkt.

Juul Kinderen moeten leren dat huwelijken kunnen scheef zitten.

Fie Niet allemaal.

Juul Ze zullen het u niet laten zien. Naar buiten uit, alles koek en ei, maar de rest! Als ge wat meer op café ging, zoudt ge heel anders klappen.

Fie Als gij wat meer thuisbleeft, zou ik niet anders moeten klappen.

Juul Gij zijt een onverdraaglijk mens geworden, weet ge dat? (hij schenkt zich nog een borrel in)

Fie Het hoeveelste is dat al?

Juul Moet ik ze tellen in het vervolg?

Fie Ne mens kwetsen, dat hebt gij altijd goed gekund.

Juul Heb IK niet het recht om over mijn toeren te geraken? Of is dat alleen iets voor moeders?

Fie Is dat nog normaal de manier waarop gij tekeer gaat? Maar als ge me dat nog lapt he, van ne poot naar mij uit te steken, of mensen te dreigen — zoals ge met Jeronimus gedaan hebt, met dat mes — wel, dan zal ik dat eens vertellen aan dien inspecteur, en dan zult gij heel wat dingetjes kunnen uitleggen, want het zit me tot hier he vriend. En ik begin te geloven dat Jeronimus gelijk had, als hij vertelde over u en Vera. Waarom moest gij hele nachten bij haar zitten? Niet alleen om te zuipen, maakt dat de ganzen wijs, en zeker niet om over de bloemetjes te klappen…

Juul Als ge nu verdoeme uwen teut niet gaat houden, dan zult ge eens wat gaan meemaken zie.

Fie Met die bedreigingen maakt ge mij niet meer bang vriend. Hier, pak vast, gooi maar kapot.

Juul Gij kunt ne mens het bloed vanonder zijn nagels halen, (er wordt nu al met al dan niet bestaand meubilair gegooid) En als ge nog over mij en Vera durft spreken, dan stamp ik u het huis uit, en dan kunt ge naar de politie lopen. Dan zal ik eens vertellen, hoe gij dat kind hebt willen klein houden, met uwe eeuwige kritiek, op haar schmink, op haar werk, op mij, op alles. GIJ hebt ons de grond in geboord mens. En als ik er niet geweest was, dan zou ze al veel eerder vertrokken zijn, alleen al om uw gezicht niet meer te moeten zien. Vertel dat dan ook maar uwe lekkere schoonzoon, dan kan hij er nog een stom gedichtje over schrijven, en het komen voorlezen. Maar dan liefst als ik niet thuis ben, want als ik hem hier nog zie, sla ik hem de kop in. En nu kunt ge allemaal vertrekken, smeerlappen, gij hebt ons Vera vermoord! (Hij schopt nog een stoel om, en gaat weg. Fie blijft een hele tijd zitten. Er lopen tranen over haar gezicht. Dan gaat ze naar de telefoon. Ze draait een nummer)

Fie Hallo… Is… is inspecteur Gloster daar? Neen… neen, mijnheer, het heeft geen belang, ik wou hem persoonlijk spreken… neen, neen… laat maar… dank u, excuseer… (Ze legt de hoorn neer, raapt een paar stukken van een kapotte stoel opt en begint te huilen. Fade-out)

(Als het licht terugkomt zien we tegelijkertijd Juul en Fie, en Jeronimus met Birgit. Juul kijkt t.v.. Fie breit. Juul drinkt bier. Birgit doet dansbewegingen. Jeronimus kijkt gewoon naar haar. Juul loopt doelloos, zenuwachtig heen en weer. Zoekt iets, vindt zijn bril, gaat zitten met krant. Gooit ze na korte tijd neer. Bril af)

Juul Hoe kunt ge daar nu zo kalm zitten breien?

Fie Ik ben niet kalm,

Juul Dat zoudt ge anders niet zeggen,

Fie Denkt ge dat het iets verandert als ge zo over en weer loopt gelijk als nen aap in zijn kot?

Juul Ik mag er niet aan denken. Zo van den enen dag op den anderen is die weg. Geen briefke. Geen valies. Gene rotte bal op zak, weg. Gewoon weg. Salut en merci. Drie dagen! Dat is gewoon om een beroerte te krijgen. En gij zit daar zomaar te breien. (Fie legt ostentatief haar breiwerk neer) Waarom legt ge dat nu neer?

Fie Ge kunt er niet tegen dat ik brei, en als ik ermee stop is het ook niet goed? Wat is het nu eigenlijk?

Juul Hebben wij soms niet afgesproken met die knul van haar?

Fie Ja en dan?

Juul We hebben nog niet eens beslist wat we gaan zeggen!

Fie We zullen wel zien he. Hij zal misschien wél meer weten.

Juul Al wat die weet, dat houdt hij achterwege. Alleen om mij te kloten.

Fie Zijt niet zo achterdochtig. Ze is toch nog al eens weggeweest, he?

Juul Ja, voor enen dag. En dat was omdat ze toen een geweldige ruzie hadden gehad over heel die affaire met die Zweedse trut,

Fie Misschien is het weer zoiets he? En waarom zijt gij daar zo bezorgd over nu? Als gij in den tijd die avontuurkes hadt, heb ik pulloverkes gebreeën voor een half weeshuis, en ge hadt het nog niet eens gezien.

Juul Gaat het hier over mij, of over Vera? Ben ik ooit drie dagen weggeweest, zonder verwittigen?

Fie Misschien had ik het moeten doen, toen.

Juul Maar ge hebt het niet gedaan he? Ha. En als ge het gedaan hadt, dan zoudt gij wel iemand verwittigd hebben, waar ge zat, iemand waar ge nog vertrouwen in hadt.

Fie Vertrouwen? Dat is een woord, vriend, dat ge op een dag schrapt uit uw woordenboekske.

Juul Dat is dan heel spijtig, maar ons Vera en ik dat is anders.

Fie Daar is niet veel van te zien. Of denkt gij dat die alles aan uwe neus gaat hangen?

Juul In elk geval meer dan aan die van u. (Fie haalt de schouders op, staat op en laat Juul zitten.

Juul neemt zijn krant weer, Birgit beëindigt haar dansbewegingen. Ze gaat naar Jeronimus)

Birgit Zo goed?

Jeronimus Zalig,

Birgit Hoe zalig? (Hier voltrekt zich een betoverend charme-ritueel waaruit blijkt dat zij hem bemoedert. De toenadering, de tederheid is allerminst fysiek. Fie verschijnt met een bijna lege fles)

Fie Is dat alles wat er overblijft van die fles van eergisteren?

Juul Welke fles? Die is al een week oud.

Fie Ge liegt. Ik heb ze zelf gekocht.

Juul Waarom?

Fie Voor als er iemand komt.

Juul Ik kom hier. Ik ben hier. En de rest gaat me niet aan.

Fie Egoïst.

Juul Gij denkt toch niet dat ik die fles vol ga laten voor die paljas zeker? Ik giet ze nog liever leeg in de gootsteen.

Fie Een klein manneke, dat zijt gij. Zo groot zie. (Ze verdwijnt weer) (Het toenaderingsritueel bij Birgit-Jeronimus houdt op. Zij laat hem los)

Birgit Hoe laat moet je weg?

Jeronimus Nu.

Birgit Weet je het zeker?

Jeronimus Neen, (Een verliefd spelletje)

Birgit Wat verwacht je van hen?

Jeronimus Van Juul niks. Of nee, niet niks. Plompheid.

Birgit En van je schoonmoeder?

Jeronimus Ik heb medelijden met haar.

Birgit Ga je hen zeggen, dat het je niks kan schelen dat Vera weg is?

Jeronimus Neen.

Birgit Omdat het niet waar is.

Birgit Je houdt dus nog van haar?

Jeronimus Nu ze weg is voel ik me meer tot haar aangetrokken dan vroeger.

Birgit Is dat geen sentimentaliteit?

Jeronimus Misschien…

Birgit En wij?

Jeronimus Wij? O liefste… (Birgit begint zijn rug te masseren. Fie komt op met een volle fles jenever. Die zet ze op tafel, met glaasjes)

Fie Dat is voor hem.

Juul Ge gaat me niet tegen mijn kar rijden he FIE?

Fie Vera is de hoofdzaak, he Juul, en we gingen samenkomen om mekaar te helpen…

Juul Helpen? Hij is al vijf minuten over tijd. Hij zal zijn leske nog aan ‘t leren zijn.

Fie Als ge der nu niet mee ophoudt, dan laat ik u zitten, en dan zal ik wel op mijn eigen mijn plan trekken. Gij doet precies alsof Jeronimus haar heeft verstopt.

Juul Dien dichter is tot alles in staat, let op mijn woorden.

Jeronimus Vanmorgen heb ik een politie-inspecteur op bezoek gekregen. (Birgit stopt haar beweging. Stilte. Ze kijken mekaar aan)

Birgit Wat vroeg die?

Jeronimus Of mijn vrouw weg was. En of ik dat officieel wilde aangeven. Ik zei: neen, mijnheer, dit is een privé-aangelegenheid. “Denkt u dat, mijnheer Van den Water?” vroeg hij, Ik zei: natuurlijk, het is niet de eerste keer, ze zal haar redenen hebben. “Bent u dan niet ongerust, mijnheer Van den Water?” Toch wel. “En u doet niets?” Voorlopig niet. “Waarom niet?” Ik heb mijn redenen. “Zoals?” Word ik beschuldigd, mijnheer? “Neen, dat moet u niet zo opvatten, mijnheer Van den Water, en zus en zo,”

Birgit Hoe wist die dat?

Jeronimus Dat vroeg ik hem ook. “Ik heb mijn redenen om u dat niet te zeggen, mijnheer.” En zo staan de zaken.

Birgit Denk je dat Juul er voor iets tussen zit?

Jeronimus Ben ik zeker van.

Birgit Je kan het vragen straks.

Jeronimus Reken maar.

Birgit Kom je nog langs?

Jeronimus Waarschijnlijk,

Birgit Wees voorzichtig. (terwijl ze afscheid nemen) Zou je het… heel erg vinden, als Vera… niet meer terugkwam? (stilte)

Jeronimus (duidelijk verstoord. Hij haalt een klein pakje uit zijn zak) Voor jou. Maak het open als ik weg ben. Mijn nieuwste poëtische uitvinding… Lees de gebruiksaanwijzing.

(Jeronimus verdwijnt, Birgit gaat zitten, en begint het pakje open te maken. Het blijkt te bestaan uit een aantal minuskule rode blaadjes waarop elkens een tekst staat. Juul kijkt verstoord op zijn horloge. Fie breit weer)

Juul Een halfuur. Als het niet was dat het over Vera ging, ge zoudt eens wat zien. (Hij schenkt zich driftig een borrel in uit de fles die Fie heeft binnengebracht) ‘t Is toch gepermitteerd he, uit mijnheer zijn fleske? (Fie zwijgt schijnbaar ongeïnteresseerd) Ik zou niet willen dat die iets te kort kwam he, Ne jongen die zo in de put zit, dat zijn vrouwke weg is. Gelukkig heeft hij nog een schoonmoeder, en dat is er geen gelijk in de mopkes he. O neen. Dat is er een, och manneke, dat kunt ge niet geloven, die is haar dochter kwijt door de schuld van dien haring van een schoonzoon, en denkt gij nu dat die daar kwaad op is? Bijlange niet. Ze is in staat om ervoor te bidden, (Fie zit bijna ongemerkt te huilen) Allé, wat doet ge nu? Fie? Het was toch niet zo bedoeld? Verdoeme toch. Dat die ons hier zo laat plakken he, in zo nen toestand, dat maakt me razend he, en dan zeg ik zo van die stomme dinges… Dju. (Er wordt gebeld. Fie staat op, en gaat uit de ruimte. Ze komt na een poosje terug met Jeronimus)

Jeronimus Avond.

Juul Ha. Vroeg is anders.

Jeronimus Ja.

Fie Ga zitten, jongen.

Juul Ja jongen, kom erbij. (Ze gaan allemaal zitten. Stilte)

Fie En? Nog iets?

Jeronimus Neen.

Juul Zijt ge thuis geweest vandaag?

Jeronimus Waarom?

Juul Voor als ze zou telefoneren of zo.

Jeronimus Je kent haar toch.

Juul Hoe ge kent heur?

Fie Iemand die op die manier vertrekt, belt niet he, Juul.

Juul Waarom niet? Gij kent ons Vera niet.

Fie Gij wel, dat valt dan weer mee.

Juul Volgens mij heeft die al gebeld. Maar ja, gij zijt nooit in uw kot, he.

Jeronimus Ik kan niet overal tegelijk zijn.

Juul Juist. Maar wat gaan we doen?

Jeronimus De katten eten geven.

Juul Komt gij hier om te zwanzen? Het is niet omdat gij te lui zijt of wat anders, dat die beesten moeten verhongeren he. Ge moet me trouwens nog tweehonderd frank.

Jeronimus (Haalt geld boven)

Fie Laat dat nu, dat zegt hem toch maar om te lachen.

Juul En gij denkt dat?

Jeronimus Ik denk dat ik de katten ga wegbrengen.

Juul Gij zijt niet goed juist zeker?

Jeronimus Ze zijn van haar.

Juul Juist daarom. En wat van haar is, daar blijft gij af,

Jeronimus Ze zitten in mijn huis, en zij is weg.

Juul In haar huis bedoelt ge.

Jeronimus In haar huis, akkoord, maar als zij

er niet is om mij eruit te zetten, dan wordt dat

mijn huis, he Juul, daar moet je geen geleerde

voor zijn om dat te snappen.

Juul Gij moest eens niet zo hoog van den toren

blazen, he vriend…

Fie Wilt ge iets drinken, Jeronimus? Een witteke?

Jeronimus Dat heb je voor mij toch niet speciaal gehaald?

Juul Neen, neen, maak u niet ongerust, dat is voor mij, maar pak gerust. (Fie schenkt Jeronimus in. Juul pakt zelf)

Jeronimus Dank je. Gezondheid. Ik ga dus die katten wegdoen. Mogen ze hier niet komen?

Juul Gij laat die katten waar ze zijn.

Jeronimus Ik heb geen tijd om er voor te zorgen.

Juul Maar ik wel.

Jeronimus Dat is het hem juist. Ik wil dat niet langer.

Juul Ah, gij wilt dat niet…

Fie Zijn wij hier nu bijeen om over ons Vera te spreken, of over die katten?

Juul Die katten, dat is ons Vera! En wie aan die katten raakt, raakt aan haar. Is dat goed verstaan? En die beesten blijven in huis, in haar huis!

Fie Ge moet niet zo roepen, we hebben u wel gehoord

Juul Steek het maar goed in uw kopke. Over mijn lijk. (Schenkt zich nog een borrel in) Ons Vera heeft hij er al uit gekregen, en dan komt alles wat van ons komt, ik ken dat, want die beesten heb ik haar gegeven, he vriend, dan bestondt gij nog niet — en op het laatste wij buiten, ik heb hem door. Maar dat zal nu eens niet pakken zie.

Fie Wat denkt ge, Jeronimus, zouden we niet aangeven, dat ze weg is?

Jeronimus Dat is al gebeurd. Fie Hoe?

Jeronimus Weet ik niet.

Fie Gij hebt het niet gedaan?

Jeronimus Ik niet.

Fie Hoe weet ge het dan?

Jeronimus Ik heb de politie op bezoek gehad. Deze morgen.

Fie Hoort ge dat, Juul?

Juul Ik ben niet doof.

Fie Hebt gij soms…

Juul Ik weet van toeten. Maar die mensen weten dat immers.

Fie Hoe?

Juul Hoe? Gij denkt zeker, dat over zoiets niet geklapt wordt? Ons Vera had nog vrienden he? Gij denkt toch niet dat zoiets geheim kan blijven. Ik vind dat trouwens heel goed dat dat gebeurd is. GIJ hadt dat moeten doen! Jeronimus Ik?

Juul Ja, gij. En dat ge het niet gedaan hebt, bewijst, dat er stront aan de knikker is, vriend!

Jeronimus Ik ben niet van plan me nog langer te laten beledigen. Ik haal er een advokaat bij,

Juul Haal maar bij, haal er heel Antwerpen bij, maar laat die mensen dan maar eens met mij komen klappen.

Jeronimus Dat zullen die wel doen.

Juul Dan zal ik hun eens vertellen over uw potten en pannen. Nen advokaat, stuk pretentie. Gij komt mij niet afdreigen he vriend, daar ben ik te oud voor geworden. Wat gaat gij dien advokaat vertellen over uw Zweedse hoer?

Fie Juul, zwijg.

Jeronimus Om te beginnen — VRIEND — zal ik die mens laten ontdekken dat mijn vrouw ziek was.

Juul Door u! Omdat gij niks kunt! Een nul, overal, en vooral in bed!

Jeronimus Ik zal die mens zeggen, dat ze met haar vader kon goedmaken, wat ze op al die verschillende matrassen te kort kwam…

Juul Gij gaat uwe smoel houden…

Fie Juul!

Jeronimus Ik laat mij niet langer doen door een vulgair ventje dat zelfs zijn dochter niet met rust kan laten…

(een geweldige woedeuitbarsting van Juul Hij trekt een mes. Vliegt op Jeronimus af Steekt. Fie trekt hem weg. Jeronimus verdwijnt. Ondertussen heeft Birgit alle papiertjes opengemaakt en gelezen, en binnenin het laatste zit een klein doosje, en daaruit haalt ze nu een vrij grote diamant, die flikkert in het licht. Birgit leest het laatste blaadje)

Birgit Dit is mijn eerste grote uitvinding, een fortuin voor wie mij liefheeft. Ik heb er drie jaar aan gewerkt. Vertel aan niemand, liefste, dat wat jij in je handen houdt de triomf is van de liefde over de dood. Verbrand nu alle briefjes die je hebt gelezen. Hun geheimen kennen wij alleen. (Tijdens de nu volgende scène Juul-Fie verbrandt Birgit één na één de blaadjes) Fie Juul, luister naar mij.

Juul Ik wist niet wat ik deed.

Fie Ge moet mij iets beloven, Juul… Neen, niet meer drinken. Juul? Beloofde van naar mij te luisteren? Kom dan hier zitten. (Fie is heel lief voor hem) Luistert ge? Juul Ik probeer…

Fie We gaan met Jeronimus klappen…

Juul Ik niet, ik kan niet…

Fie Het is onze enige uitweg, Juul. (stilte)

juul Die kerel is in staat om ons voor de deur te laten staan, dat slecht karakter.

Fie Ik pak den trein naar Oostende. Die kan hij moeilijk op slot doen… En nog iets… luistert ge nog?

Juul Ik ben moe…

Fie Moe of niet, ge moet me nog iets beloven. (Juul grijpt naar de fles jenever, Fie houdt ze vast. Ze bekijken mekaar. Fie laat dan de fles los) Ik zou graag hebben, dat ge mee gaat beewegen.

Juul Beewegen, ikke?

Fie Doe het voor mij, Juul.

Juul Ik geloof niet in mirakels.

Fie ik wel.

Juul Gij wel, en dan?

Fie Wat hebben we eigenlijk al gedaan om Vera TERUG TE VINDEN? Zijn niet alle middelen goed? En naar de Heilige Dorothea zijn we toch ooit samen met haar geweest, weet ge dat niet meer?

Juul Dan kunnen we ook naar een pendelaar gaan.

Fie Voor mij niet gelaten. Maar eerst naar Westbergen. Beloofd?

Juul Ik geloof er niet in, maar ik zal het doen voor u.

Fie Ik weet niet wat het is, maar na vanavond is het zo precies alsof er eigenaardige dingen met ons moeten gebeuren…

Juul Eigenaardig… ja, maar als gij dat denkt, dat er iemand uit een wolk gaat komen om ons te zeggen: uw dochter zit daar of daar, denkt dan maar wat anders…

Fie Beloofd Juul?

Juul Maar niet met een bus ouwe mensen he…

(hij verdwijnt. Fie gaat weer zitten breien. Gloster komt in het licht, en spreekt tot het publiek)

Gloster Vera Van den Water is nu tien dagen weg, en alhoewel verdwijningen dagelijkse kost zijn in elk gestresseerd neurotisch land, verontrust dit geval me in sterke mate. Als je er goed over nadenkt, is hier geen enkel voldoende motief, dat een zo radikale breuk van een jonge, levenslustige vrouw met haar onmiddellijke omgeving liet vermoeden. Of beter: dat is er nog niet. Er is overal naar haar gezocht, er werd niets gevonden, U bent er, net als ik, van overtuigd dat Vera dood is, nietwaar? Waarom is ze zo ver gevlucht om zich een kogel door het hoofd te schieten? (stilte) Is die revolver niet een afleidingsmaneuver om gewoon te kunnen verdwijnen? De dingen zijn nooit wat ze schijnen. Nu zal u zeggen: wat een cliché. Goed. Begrijpelijk. Maar laten we ons niet allemaal om de tuin leiden door de schijn? Iedereen is op zijn hoede, iedereen zegt: mij hebben ze niet, IK heb de schijn door. En toch laten we ons telkens weer vangen, nietwaar? Het leven zou er trouwens ellendig uitzien, als we niet geprogrammeerd waren om ons telkens weer om de tuin te laten leiden. Dat is de hele natuur: verschalken, ja, maar ook verschalkt worden: dat is de essentie van leven. U bent om de tuin geleid door de gedragingen van mensen die u gezien hebt, u bent misleid door de schijn. Kijk, ik ga u een anecdote vertellen. Ik heb een dochtertje — negen jaar is ze — begaafd en gelukkig nog niet door het leven misvormd, en die heeft soms van die invallen… Ze weet dat ik voortdurend bezig ben met mensen die dingen doen die niet mogen. Mijn vrouw en ik zijn natuurlijk voorzichtig in het beschrijven daarvan, maar toch ervaart dat kind op een speciale manier iets van goed en kwaad. En op een avond, drie vier dagen geleden, stop ik haar in bed, en ze vraagt me: papa, wie is Vera? Ik bekijk haar. Hoe kom je aan die naam, schat, vraag ik. Ik ken ook een Vera, zegt ze, en jij spreekt met mama over Vera, en ik heb ook eens gehoord dat je telefoneerde over Vera. En welke Vera ken jij dan wel schat? Dat is de moeder van Maarten. En wie is Maarten? Een schoolkameraadje. En wat is er met die moeder? Die is weggelopen, en toen heeft Maarten gehuild, maar dan is ze teruggekomen… En dan schat? Dan? Niks. Ze is teruggekomen en misschien is het wel die moeder waar jij nu dingen over zoekt, die niet mogen… Neen, schat, neen, neen. Maar die is ook weg? Ja… En die komt niet terug, en die is stout, (lange stilte. Gloster kijkt naar het publiek) Zij kent de schijn der dingen niet, de zogenaamde achtergronden, en daarom zegt ze : die is stout. Wij DURVEN niet meer zeggen: die is stout. We vinden dat Vera werd bedrogen, misleid… en we denken aan zelfmoord… Maar is ze niet stout!

(Gloster gaat naar Juul en Fie) Wat denkt u, mevrouw, over de revolver?

Fie Ne revolver? Welke revolver? (Stilte. Fie bekijkt Juul)

Juul Ik vind die revolver niet. In heel hun huis is die niet te vinden.

Fie Welke revolver?

Juul Ik had die voor haar gekocht.

Fie Daar hebde mij niets van gezegd.

Fie Dat was ook niet voor u geschikt.

Fie Juul, welke rol speelde gij hierin? Waarom hebde gij die revolver gekocht?

Juul Omdat ik vond, dat ze zich in geval van nood moest kunnen verdedigen. Voilà, nu weet ge het.

Fie Ik weet helemaal niks.

Juul Wat begrijpt ge nu van ons Vera? Wat weet gij nu, wat dat kind heeft afgezien, de,laatste weken? Is er ene persoon die dat weet? Weet u het, mijnheer Gloster? Vertel het haar dan maar eens. Want ik zwijg over al die mizerie om heur te sparen, maar dan ziede wat er gebeurt: ze wordt achterdochtig, en op den duur heb ik het nog gedaan ook he. Kom inspecteur, gene schrik, vertel haar maar eens over wat er gebeurd is twee dagen vòòr dat ze verdwenen is. (Gloster kijkt vragend naar Fie)

Fie (rustig) Doe maar, inspecteur.

Gloster Twee dagen voor ze vertrokken is, is Vera hier geweest.

Juul Hoe, is Vera hier geweest?

Fie Laat mijnheer nu vertellen he Juul, ge hebt het zelf gevraagd.

Juul Ja ja maar…

Gloster Juul was gaan biljarten…

Juul (tot Fie) Dat heb ik u zelf gezegd, maar gij hebt mij niets gezegd over Vera, dat die hier geweest was…

Fie Laat de mensen uitspreken.

Juul Maar niet op die manier, he. (tot Gloster) Gij speelt vals gij, nen echten… de mensen uit hun tent lokken, de mensen hun ziel laten blootleggen, en… (tot Fie) En gij hebt dat spelletje meegespeeld… al dien tijd hebt gij u van den domme gehouden he, en onder één hoedje gespeeld met dien dichter en met de politie; eindelijk wraak he? Maar hoe? Mijn heel leven hebde gij mij kwalijk genomen, en dat Vera meer hield van mij dan van om het even wie, dat hebde gij allemaal opgekropt, en gedacht: als ik hem ooit te pakken krijg, dan zal het den doodsteek zijn. En daar zijde gij zelfs voor gaan beewegen, om te bidden voor mijn dood, want gijlie wilt allemaal van mij verlost zijn. Wat ben ik ne lomperik, dat ik dat niet doorhad, maar ge zijt niet van mij vanaf he. Geen minuut rust zult ge nog hebben. Dan kent te Juul nog niet he, al denkt ge van wel.

Gloster Moet ik nog vertellen, hoe Vera heeft afgezien?

Juul Gij, gij… gij zijt ne garçon van mijn voeten, ne pestkop, gij hebt mij al meer dan ene keer van mijne positieve gebracht, maar zot zijn ik nog niet he vriend, zal ik u eens zeggen wat gij zijt? Ne lafaard, en nen hele lompe. Gij weet zeker niet, dat zij daar dingen ziet die niet bestaan. Blauwe sprinkhanen, en bisschoppen die zitten te vrijen in den trein, stel u maar eens voor, en daar luistert gij naar. Dat is gemakkelijk he… Vera hier geweest zonder dat ik daar iets van wist, maak dat de ganzen wijs, hé vriend. Op zo’n mensen daar spreek ik op, maar ‘t is afgelopen he, geen bakkes doe ik nog open, en (tot Fie) gij… gij hebt nog niet met mij gedaan he… want denk nu niet, dat ik schrik heb he. Van niemand. En als de politie te lam is om ons Vera te vinden, dan zal ik het zelf wel doen, en als ik haar vind, zal ik zeggen: “Kom kind we trekken er uit, ga niet terug naar die kakkerlakken, ze willen uw dood.” Want er is hier maar ene naar wie ze luistert en (tot Fie) gij wist dat. Maar dat kondt ge juist niet verdragen… (Hij raakt wat uitgeraasd, en beseft, dat hij misschien wat te ver is gegaan, Stilte)

Fie Nog iets, Juul? (stilte) Zo is hij altijd geweest, mijnheer, let er maar niet te veel op. Die luistert niet, behalve naar zijn eigen. Nen andere mens zou geren horen wat er gebeurd is, die dagen voor dat ze vertrok, maar hij niet, en weet ge waarom niet?

Juul Omdat het fantazie is! Gij hadt met nen dichter moeten trouwen, om onnozele dingen te schrijven die iedereen de keel uithangen, maar uw eigen dochter gaat toch voor die flauwe kul? Of niet soms?

Fie Mijn eigen dochter, dat is goed gezegd, ik weet tenminste dat ze van mij is. (Geladen stilte.

Juul kijkt naar Fie. Fie kalm) En alleen een vrouw kan dat weten. Gij denkt, dat ge door een paar avontuurkes alles van vrouwen kent. Vergeet het, (Stilte. Juul duidelijk totaal uit zijn evenwicht)

Gloster Vera is hier geweest, om je te zeggen, dat ze een kind verwacht.

Fie En ik mocht er met niemand over spreken, de eerste tien dagen.

Juul Van wie is dat kind?

Fie Ze heeft het niet willen zeggen, ‘t Is haar geheim,

Juul Dan is ze misschien gewoon weg, om dat kind te laten weghalen?

Gloster Neen, Juul. Dat wilde ze niet.

Juul (tot Fie) Maar waarom hebt gij haar dan laten gaan? Waarom hebt ge niet naar ’t café gebeld? Ik zou direct gekomen zijn…

Fie Ze wou dat ge der buitenbleef.

Juul Dat is geen reden. Ge moet niet altijd luisteren naar kinderen. Ze doen stomme dingen, en wij zijn er om dat te verhinderen.

Gloster De enige die er iets mee te maken heeft is Jeronimus.

Juul Die vraagt niet beter, als dat ze verrekt.

Fie Niet waar, Juul. Jeronimus was op de hoogte.

Juul Had ze het hem gezegd? Hoe weet gij dat?

Fie Ik zag hem wel eens, op den trein, en dan babbelden we over van alles, en over Vera natuurlijk…

Juul Ik draai zot, ik kan niet meer volgen, ik geef het op.

Gloster Niet doen Juul. Vooral nu niet. Jij bent de enige die ons echt kan helpen nu, geloof me.

Juul Ik? Ik weet het niet meer.

Gloster Ik begrijp heel goed wat jullie te lijden hebben, en ik vergeet al wat je daarnet hebt gezegd. Ik weet ook dat heel je houding wordt vergiftigd door je afkeer van Jeronimus, maar nu vraag ik je: als je van Vera houdt — en daar twijfel ik niet aan — tracht haar dan eens te zien, zoals ze IS, Juul.

Juul En kunt u me zeggen hoe dat is?

Gloster Mislukt,

Juul In haar huwelijk, ja, maar…

Gloster In alles, Juul.

Juul Door hem.

Gloster Mogelijk. Maar moeten we niet trachten te verhinderen dat van kwaad erger komt,

Juul Dat snap ik niet.

Gloster Vera was niet het type dat zich zomaar laat vertrappen door haar man, door zijn fantazietjes zoals je zelf zei, door zijn vriendin. Akkoord?

Juul Gelukkig niet, ik heb haar altijd geleerd zich niet te laten doen…

Fie En dan zei ik: moeid oe nie.

Juul Gij waart bang.

Gloster ‘t Is ook om bang voor te zijn, Juul. Vera SCHIJNT alleen maar een slachtoffer te zijn.

Juul Dat is ze ook

Gloster Niet meer voor lang. Tracht je te herinneren, of er in de verhouding van Vera met de anderen geen perioden, of momenten, waren waarop ZIJ kwaadaardig was, of gewoon maar verkeerd.

Juul Daar zal ons Fie u wel op antwoorden.

Gloster Ik vraag het aan jou, Juul.

Juul (na stilte) Wel… waarom eigenlijk?

Gloster Omdat ik nog niet voldoende over haar weet, om een tragische afloop te verhinderen.

Fie Er is van alles aan ‘t verkeerd lopen, Juul dat heb ik u al ‘dikwijls gezegd…

Gloster Vera is niet langer een vrouw die verdwenen is, niet langer een dochter die je kwijt bent, een ongelukkige echtgenote. Vera keert als een boemerang naar jullie allen terug. Dreigend, en ongrijpbaar. En daarom wil ik uitzoeken welke haar methodes kunnen zijn om haar wraak uit te voeren. Ik weet dat het hevig moet aankomen, maar ik wil jullie alleen maar helpen nu. Ze is een vijand geworden, en er bestaat geen gevaarlijker vijand dan een verongelijkte vrouw. Je moet trachten me te begrijpen, Juul. Er staan levens op het spel.

Juul Vera kon geen vlieg kwaad doen, inpecteur…

Gloster De Vera, die jij je voorstelt, Juul, bestaat niet meer, (indrukwekkend) IK WIL JULLIE BESCHERMEN, mensen!

Juul Zeg gij eens iets, Fie.

Fie Ik heb allang gevoeld, dat den inspecteur gelijk heeft. Maar ik kon het niet zo goed zeggen. Maar gij weet dingen over Vera, die ge — misschien om goed te doen — altijd verzwegen hebt, zoals die revolver, en… zijn er nog Juul?

Juul (Na stilte, hevige ‘worsteling met zich zelf’ zoals dat wel eens heet) Ik heb haar beloofd te zwijgen.

Gloster (valt aan nu) Als je blijft zwijgen, Juul, zal ik onverbiddelijk mijn eigen gang gaan, en voor al wat er verder gebeurt ben je medeverantwoordelijk. Dit is mijn laatste woord.

Juul (gaat een beetje door de knieën) Die revolver… ik had nooit kunnen denken…

Gloster Wat, Juul?

Juul Die kan voor veel dingen dienen, zei ze…

Gloster Wanneer zei ze dat? Wanneer?

Juul De dag voordat ze weggegaan is…

Gloster Waar was dat?

Juul Bij haar thuis.

Gloster Je was met haar alleen?

Juul Ja, Jeronimus stond met de late…

Gloster Verder!

Juul Ik had aan FIE gezegd, dat ik was gaan biljarten…

Gloster Verder, Juul! VERDER! Juul Ze had me geïnviteerd… Pake, zei ze… Het is afschuwelijk… ik kan niet geloven dat ze meende wat ze zei,..

Gloster Ze meende het, Juul… WAT zei ze precies?

Juul Het moet helemaal anders worden, zei ze. Ik ben… (hij heeft hier duidelijk de moeite van een gebroken, moe man) ik ben… een blok aan het been van u allemaal.. En dan heb ik met haar geklapt, zoals we dat dikwijls hebben gedaan… we hebben wat gedronken en toen was ze rustiger… en als we alletwee wat op hadden… heb ik haar in mijn armen genomen, zoals een klein kind, en gezegd: op mij kunt ge altijd rekenen kind. Dat weet ik, zei ze, maar ik wil op niemand meer rekenen… En dan heb ik nog gezegd: ga dan van Jeronimus weg, ga alleen wonen, ik sta achter u… Neen, zei ze, ik wil het helemaal anders, er zijn dingen gebeurd, die ik u niet kan zeggen, misschien bedoelde ze toen dat ze in verwachting was maar dat wist ik dus niet, en ik wil dat alles voorbij is.., en toen hebben we afscheid genomen, en… ik heb haar niet meer gezien… (hij knakt door en huilt)

Gloster Dank je, Juul. Nog één vraagje: denk je dat Vera op de hoogte was van de smokkelpraktijken van Jeronimus?

Fie Neen, Dat heeft hij heel de tijd verborgen gehouden.

Gloster Wisten jullie wat er gebeurde?

Fie Ik wel.

Gloster Je hebt nooit gevraagd, waar hij met die steentjes bleef?

Juul Hoe is dat nu mogelijk, als ge nu toch weet dat die kerel smokkelt, en haar wijsmaakt dat hij potten en pannen aan de man brengt, dan doet ge toch iets?

Fie Ik heb het daar met Jeronimus wel eens over gehad. Laat mij maar doen, zei hij dan.

Juul Laat hem maar doen, zie maar eens wat er van terecht is gekomen!

Gloster Het is zo goed als zeker, dat hij er een fortuin mee verdiend heeft. Dat maakt het niet gemakkelijker… Waar is dat fortuin?

Fie Kan zij dat meegenomen hebben?

Juul Vera is geen dief he Fie. Ze mag dan van alles in hare kop hebben, maar hebt ge haar ooit op dat soort oneerlijkheid betrapt?

Gloster Die smokkelaffaire is bijzaak… dat heeft met Vera — voorlopig — niets te maken… denk ik.

Fie Denkt u dat ze… dood is?

Gloster Hoe het ook afloopt, ik probeer jullie te beschermen.

(En een beetje raadselachtig laat hij de twee alleen. Stilte. Dan gaat Fie naar Juul, en in een ellendig klein licht nemen de twee mensen eikaars handen vast. Jeronimus komt in het licht Hij kijkt heel lang voor zich uit)

Jeronimus Die steen was voor jou, Vera. Gek hoe alles kan verkeren. Ze zijn er achter gekomen, en de betrachtingen van een romanticus worden platgetrapt door een vulgair onderzoek naar schuld. Maar er hoefde geen schuld te zijn, dat is de grote mislukking, het fatale misverstand. Nu draagt Birgit het geheim dat voor jou was voorzien. Wat een clownerie is het leven toch. Ik ben gemaakt om uit te vinden… en ik vind niets anders dan mezelf. (Gloster is in z’n beeld gekomen!)

Gloster Ik wil uitvinden, Jeronimus.

Jeronimus Wat?

Gloster Of Vera werkelijk een kind verwacht.

Jeronimus Niet van mij.

Gloster Had je van haar dat soort spel vermoed?

Jeronimus Is dit nog spel?

Gloster Dat is de vraag. Wat vindt Birgit ervan?

Jeronimus Het heeft geen zin Birgit te belasten met narigheden van dat soort. Birgit en ik zijn nieuw en uniek.

Gloster Vrezen jullie Vera niet?

Jeronimus Geen angst kan ONS nog scheiden.

Gloster Je keuze is definitief?

(Gloster fungeert hier duidelijk als het onrustig knagende onderbewustzijn van Jeronimus)

Jeronimus Zelfs als ze terugkomt.

Gloster Ze komt niet terug, nietwaar?

Jeronimus Jij brengt de stank mee uit mijn hel van twijfel.

Gloster. Ik dwaal in donkere kringen en zoek de wierookstaaf, de paasklok, het bevrijdend woord. Maar eerst moet ik mijn geest ordenen, zorgvuldig nagaan hoe ik mijn aanklagers om de tuin kan leiden.

Gloster (Plotse gedaanteverwisseling naar advokaat, een cynisch-juridische pletwals over de gevoelens heen) Dat is de goede houding, mijnheer Van den Water… (Beurtelings tot een ingebeeld gehoor en tot Jeronimus) Wat van binnen knaagt, beste mensen, knaagt tien keer harder en luider in de stilte van een gevangeniscel. Beeld u niet in, dat de uitspraak van een rechter, van een jury, het knagen stopt. Maar hoe wreder het knagen in het hoofd van anderen, hoe verderaf voor u! Dat is waar wij voor zijn: het knagen inpakken, en het heimelijk verbergen achter het behang van andere slaapkamers, zoveel mogelijk andere slaapkamers. Van Vera’s opvoeders, van haar werkgevers, van haar minnaars, van haar ouders. ZIJ moeten wakker liggen, mijnheer Van den Water, gewoon omdat zij niet mijn cliënten zijn. Zo eenvoudig boosaardig is het. O, het gebeurt, dat op dat ogenblik een profeet met een vermolmde baard rechtstaat, dat een zielzorger, die in de zakken onder zijn ogen de kanker van andermans leed meedraagt, ook rechtstaat, dat padvinders rechtstaan, en vredesapostelen, en kommunisten, en mij met spandoeken en slogans en opgeheven V-vingers het huis uit willen jagen, maar ik heb de micro, en zolang ze mij niet overhoop schieten, verplettert mijn klank dat hele zielepoterig gekronkel: “Hoe durven jullie, gespuis! Dit is mijn cliënt: ecce homo. En hij schiet met het scherp van ontelbare wetsartikels de pijpen stuk, die jullie hebben opgehangen in het kraam van je verdoken begeerte.” En ze kruipen weg, mijnheer Van den Water, als pissebedden voor de zon (zakelijk) Maak u geen zorgen, u hebt geërfd wat ZIJ met Vera hebben aangericht. (Nog zakelijker, in papieren kijkend) Die jonge wielrenner die ze ooit heeft gekend is dood. Dat is jammer, maar ook interessant. Doping, drugs, geen afstand. U hebt Vera zelf nooit aan verdovende middelen geholpen, nietwaar?

Jeronimus Neen.

Gloster Maar u bent wel bereid te getuigen, dat ze er — af en toe — gebruikte?

Jeronimus Af en toe, ja.

Gloster (inspecteur) Hoe wist u dat?

Jeronimus Heeft ze me ooit eens verklapt.

Gloster Lang geleden ?

Jeronimus Een maand.

Gloster En waar haalde ze die vandaan?

Jeronimus Weet ik niet.

Gloster Van Juul?

Gloster Mogelijk.

Gloster Niet zeker?

Jeronimus Neen.

Gloster Wist iemand anders daarvan?

Jeronimus Mijn schoonmoeder.

Gloster Heeft die er ooit met u over gesproken?

Jeronimus Ja.

Gloster Wanneer?

Jeronimus Veertien dagen geleden.

Gloster Waar?

Jeronimus Op de trein.

Gloster Welke trein?

Jeronimus Naar Oostende. Mijn trein.

Gloster Waarom op de trein?

Jeronimus Ze wilde niet, dat iemand iets van onze ontmoetingen wist.

Gloster Waarom niet?

Jeronimus Weet ik niet.

Gloster U hebt er niet om gevraagd?

Jeronimus Neen.

Gloster Angst voor Juul?

Jeronimus Mogelijk.

Gloster Wat zei ze?

Jeronimus Dat ze vermoedde, dat Vera drugs gebruikte.

Gloster Vermoedde?

Jeronimus Ja.

Gloster Waarom?

Jeronimus Omdat ze weer net zo reageerde als vroeger.

Gloster Vroeger?

Jeronimus Toen we elkaar pas kenden.

Gloster En zelf hebt u niets gemerkt?

Jeronimus Neen.

Gloster Kéék u nog wel naar Vera?

Jeronimus Minder.

Gloster U was veel weg?

Jeronimus Ja.

Gloster Bij Birgit?

Jeronimus Ja.

Gloster Meer dan een vermoeden was het niet?

Jeronimus Neen.

Gloster Het interesseerde u niet?

Jeronimus (Na een stilte) Er bleef tussen ons niet veel meer over, inspecteur.

Gloster U had toen al besloten die steen aan

Birgit te geven?

Jeronimus Ik weet het niet meer.

Gloster U hebt uw vrouw geslagen.

Jeronimus Het spijt me, ik…

Gloster Waarom was dat?

Jeronimus Omdat ze — vulgair — vulgair — lachte. (stilte)

Gloster Waarmee?

Jeronimus Met… mij.

Gloster Wat van U? Uw poëzie?

Jeronimus Mijn lichaam.

Gloster Hecht een man van de geest zoveel belang aan zijn lichaam?

Jeronimus Het kwelt me. Ik wil eruit weg. Soms droom ik, dat ik op reis ben, met mijn lichaam in een reiskoffer, en dat ik douaneposten moet passeren, en angst heb dat iemand me zal vragen: hebt u niets aan te geven? En dat ik door de mand zal vallen, als ik moet zeggen: mijn lichaam, (glimlacht vaag. Dan zeer traag) Ik haat… ik haatte Vera om haar lichaam, (lange stilte, dan trekt het licht weg van hen, naar enerzijds Birgit, die viool speelt, anderzijds naar Juut, die — half kinds ? — voor zich uit murmelt, en verder naar Fie, die breit. Een simultane gedachtenstroom)

Fie Ik heb er geen goed oog in. In iedereen ziet hij dien inspecteur, en dan zegt hij van die dingen om koud van te worden. Ik vrees dat het hersenverkalking is. God weet hoe lang heeft hij dat al… En als die koppigaard nu toch eens een onderzoek wilde passeren, maar neen… ‘t Zal wel van den drank zijn, en soms kan hij zo rood worden, en dan heeft hij bijna genen asem meer… waar moet dat eindigen?

Juul Zijn ekik eigenlijk niet wat te braaf geweest voor u, Vera schat van mijn hart? Was dat niet verkeerd van nooit iets te weigeren? Neem nu dat spul… omdat gij dat absoluut eens wilde proberen, heb ik mijn ziel uit mijn lijf gezocht om iemand te vinden, die zoiets verkocht. Als uw moeder dat moest weten… En wat is daar nu aan? Ge wordt er zalig van, en ge vergeet uw mizerie, want ik denk dat gij uwe pere nogal gezien hebt. Met die revolver — nog zoiets — gaat ge geen stomme dingen doen, he Verake?

Birgit (houdt bruusk op met spelen, tussen haakjes op een muzikale frase mi mi fa sol, mi mi fa kruis sol kruis) Jeronimus, liefste, als ze alles uitvinden over die smokkelketen, word je misschien opgesloten… Maar niemand ontfutselt ons het geheim van je nieuwste poëtische vondst… Ah Jeronimus, liefste, jij zal nooit weten wat je me hebt teruggeschonken, na al die vernederingen, die gruwelijke, onuitstaanbare verplettering van dat zwetend, vet dronken lijf op mij. Ik leef weer. Maar ik ben bang.

Fie Als ze maar geen stommiteiten uithaalt… En dan die revolver… dat die stomme Juul heel zijn leven gedacht heeft, dat hij de slimste was, dat is het ergste. Ne revolver, ons Vera, het is niet te geloven. Wat moet ik nu doen?

Juul Manneke toch, hadde gij die nietsnut maar in de steek gelaten, als ik het u gevraagd heb, maar ja, gij dacht toen nog dat die voor u ‘s avonds aan ‘t werk was… Als ik er aan denk, krijg ik er nog altijd den bibber van… En dien inspecteur, dat staat me niet aan he, die doet zo precies alsof het allemaal mijn schuld is. Het zou me geen zier verwonderen dat die zijnen advokaat kent, allemaal handen op enen buik, die bourgeois. Maar voor die smokkelaffaire gaat hij in ‘t joke, en daar zullen ze de rest ook wel uitvinden. Ze denken, dat ik zot ben, maar… (Dit laatste luider tot Fie, die er van opschrikt) Is het niet? Kom, geef het maar toe.

Fie Wat toe?

Juul Denkt ge dat ik het niet zie in uw ogen?

Fie (Legt breiwerk neer) Wanneer gaat gij nu eens eindelijk naar nen doktoor? Begrijpt gij dan niet dat dat niet meer normaal is, de manier waarop gij overal van alles ziet, dat er niet is, en dat ge met iedereen klapt, die er ook niet is?

Juul Ik klap alleen met ons Vera, en daar moet ik niet voor naar den doktoor!

Fie Juul, het is begonnen als we gingen beewegen, of weet ge dat niet meer? (Juul denkt diep na, en Fie neemt haar breiwerk weer op!)

Juul En wat zit gij daar dan heel den tijd te breien? Is dat normaal? Of is dat soms voor ons kleinkind?

Fie (hevig) Ik brei, om me bezig te houden!

(Zielige stilte. Dan klinkt, luguber, het geluid van een bel. Zowel Juul en Fie als Birgit schrikken van dit geluid. Ze bewegen niet)

Juul Er werd gebeld.

Fie Om dees uur? (Birgit staat recht, neemt een revolver. Juul staat recht. Birgit en Juul bewegen tegelijkertijd. Birgit ‘doet open’ voor Jeronimus. Juul doet open voor Gloster)

Birgit O schat.

Jeronimus Wat is er? Kom nu.

Juul Mijnheer?

Gloster Excuseer, dat ik zo laat kom binnenvallen, wij werken achttien uur als we wakker zijn, en zes als we slapen,

Juul Dat is

Fie, mijnheer.

Gloster Gloster. Ik ben de advokaat van uw schoonzoon,

Birgit (Heeft de revolver verborgen) Ik ben blij dat je er bent.

Jeronimus Is er iets gebeurd? (Birgit omhelt hem)

Birgit Ik ben bang, Jeronimus.

Jeronimus Bang, waarvoor?

Birgit Voor Vera. (stilte) Ik wou… dat ze dood was.

Jeronimus (woedeuitbarsting) Neen, zeg zoiets niet. Nooit meer.

Gloster Beroerd dat ik zo laat moet storen, maar ik zal kort zijn. (Zijn houding en toon terroriseren Juul en Fie) Ik weet niet of Jeronimus u over mij heeft gesproken. En hoe ik ben afgeschilderd. Hindert niet. Hij is mijn cliënt, en ik zeg altijd aan mijn cliënten: ik word betaald voor de indruk die ik maak. Onderbetaald. (glimlach. Haalt mapje boven)

Birgit Wat moeten we doen?

Jeronimus Wandelen? He? Je weet toch dat we ‘s avonds altijd rustig worden als we wandelen?

Birgit Als we samen wandelen.

Jeronimus Samen wandelen, natuurlijk, (een lichtjes strelen)

Gloster Wel kijk, mijn cliënt, mijnheer Van den Water, heeft de indruk dat u dubbel spel met hem speelt, en ik kom gewoon verifiëren in hoeverre mijn dossier dat vermoeden moet verstevigen of niet…

Fie Wat bedoelt u met dubbel spel?

Gloster (Die doorheeft dat Fie dé tegenpartij is) O, met dubbel spel mevrouw, bedoelen wij gewoonlijk dat mensen mensen beschuldigen om zelf vrij te komen. Dat is een gulden regel.

Fie Speelt Jeronimus dubbel spel?

Gloster Pardon?

Juul Als hij maar niet denkt dat…

Fie Zwijg Juul. (Een onbehaaglijke stilte, waarin Gloster een opening zoekt)

Jeronimus Heb je de steen verborgen, schat?

Birgit Op het kerkhof.

Jeronimus De enige ruimte in ons leven waar geen lichaam meer triomfeert. Jij hebt alles aan mij begrepen, liefste. (Ze gaan weg)

Gloster Luister, ik speel open kaart. Mijnheer Brengers, (Juul schrikt) U hebt de verdwijning van uw dochter aangegeven, ja?

Juul Ja, dat…

Gloster En niet alleen dat. U hebt ook meteen laten doorschemeren, dat uw schoonzoon Jeronimus Van den Water, verantwoordelijk is voor die verdwijning. Ja?

Juul Ik…

Fie Dat zou best kunnen. Mijn man heeft gedaan om goed te doen.

Gloster Ongetwijfeld. Dat is niet mijn zaak. Ik zeg altijd dit: de schuldige, of schuldigen, moet, moeten gestraft. Akkoord. Goed. Maar deze zaak, lieve mensen, is voor mij zonneklaar, en ik zou het jammer vinden hier verder… persoonlijk leed te moeten berokkenen… Ik heb het dossier bestudeerd, en ik vraag u, mijnheer Brengers, gezien diverse artikels, voorzichtig te zijn met aanklachten. Ik ken uw verleden, ik weet wat u met … wat u voor uw dochter hebt gedaan, ik weet alles van de omstandigheden die uw schoonzoon schijnbaar de das konden omdoen, ik zeg schijnbaar, want de buitenechtelijke geschiede nisjes van uw dochter pleiten voor hem, en haar verregaande bindingen met haar vader konden menige rechter wel eens op vreemde gedachten brengen… Ik stel dus enkel dit voor…

Juul Luister nu eens hier, mijnheer, ik weet niet of gij kinderen hebt, ik hoop van niet, en als ge er hebt, dan nooit zo een kinderen als ons Vera, en nu moogt gij nog duizend keren advokaat zijn, nu zal ik u eens iets zeggen; als gij ooit in ons broekske zit, dat zult gij nog dubbel zo hard piepen als wij, want dit kan ik u zeggen he mijnheer den advokaat, gij zijt voor mij niks. En als ik haar ooit terugvind, dan kom ik met haar naar uw huis, en wij zullen u vinden, al zit ge in uwen diepsten kelder, en dan zullen wij u eens een paar vraagskens stellen, en maak nu dat ge buiten zijt… (weer woedeuitbarsting die eindigt in een soort bewustzijnsverlies)

Gloster U kon best een dokter waarschuwen mevrouw. (Fie naar Juul)

Fie Juul? Juul? (Goster naar Juul)

Gloster Hij is alleen maar buiten bewustzijn.

Fie (Is met Juul bezig) Juul…

(Juul komt weer bij. Verdwaasd. Gloster en Fie worden wazige figuren. Juul wil hen benaderen, maar ze wijken voor hem, en meer dan een maskerachtige spookgrijns komt niet op hun gezicht)

Juul Vera, schat, waarom hebde mij dat niet gezegd, dat ge met dien dooie coureur naar Tenerife zijt getrokken? (Ziet in Fie zijn dochter) Ik zou daar niet kwaad voor geweest zijn. Met mij ging dat toch niet. Ge weet hoe achterdochtig uw moeder altijd geweest is. Ge moet gene schrik hebben van dat mes van mij, zeker niet nu dat gij een kindeke verwacht. Zie ik er nu (tot Gloster) zo uit, mijnheer den doktoor? Dat is mijnen doktoor zie schat, die is garçon geweest in een stom café, waardat veel mirakels gebeuren, en daarna inspecteur, maar nu is hij doktoor, en die heeft mijn hersens onderzocht… Maar ik laat niet aan mij prutsen… met elektriciteit op mijne kop, om ons geheim der uit te trekken, dat zal niet pakken he vriend, blijf van mijn lijf… (Fie en Gloster weer in normaal licht, Juul verdwaasd, als bij het begin van de hallucinatie)

Fie Is het beter?

Juul Waar zijn ik? Wat is er gebeurd? Wat heb ik gezegd?

Fie Niets.

Juul Niets?

Gloster U kon best wat gaan rusten, mijnheer Brengers.

Juul Wie is dat, Fie?

Fie Kom Juul.

(Ze gaat met Juut weg. Flash — forward. Gloster begint nu te spreken alsof hij een verhaal heeft verteld aan een verzamelde menigte. Tot het publiek dus)

Gloster En wat is nu in heel die geschiedenis het kapitale punt?

(Hij doet alsof hij luistert. We verwachten geen reactie van het publiek. Indien die er toch komt, of indien Gloster ze wenst uit te lokken, reageert hij daar ook improvisatorisch op, in de geest van:) Was Vera nog in leven? Neen, dat is tweedehands anekdotisch, teken aan de wand voor een al dan niet gewenste attitude. Hier wordt u misleid door een heimelijk, begrijpelijk, doch banaal verlangen. Vera was goed en wel dood. De komi-tragische kant van het noodlot is veel sterker dan het toeval. Wie had schuld aan deze tragedie? Het antwoord ligt voor de hand: elke wàre schuld is weggelegd voor helden. Wie waren de helden? Juul en Jeronimus, zeer juist. Maar toch blijft over: de enige, waardevolle, concrete vraag; welke held was mijn cliënt? (stilte. Hij wandelt even rond) Zodoende heb ik principieel en konsekwent gevochten, en ik verwacht van u hetzelfde. Het kan nooit onze schuld zijn, als het anders verloopt. Ik dank u.(Fie komt terug)

Fie Wil Jeronimus hem kwaad doen, mijnheer Glosters?

Gloster Het kwaad is gebeurd, vrees ik, mevrouw.

Fie Juul gaat er aan ten onder; kunnen we het niet zo laten?

Gloster Het is mijn plicht, mijn cliënt mijnheer Van den Water te beschermen.

Fie Tegen wie? Niemand wil zijn vel.

Gloster Hij ziet het anders, en ik zie wat hij ziet.

Fie Ik heb eergisteren nog met hem gesproken.

Gloster Weet ik.

Fie Dan moet u toch ook weten, dat hij in de grond spijt heeft van al wat er gebeurd is…

Gloster Ik praat hem die spijt uit het hoofd,

Fie Hoe kunt u zo hard zijn?

Gloster Om te overleven, mevrouw.

Fie Ik ben niet zo geleerd, en ik versta dat allemaal maar half, maar ik geloof nooit dat er een soort werk bestaat waarin dat ge kunt overleven door anderen kapot te krijgen.

Gloster Het is niet zo eenvoudig, mevrouw Bengers, Als er alleen maar opsporingspolitie was, die na verloop van tijd kwam zeggen: we hebben haar gevonden, in een beschimmeld kamertje van een hoerenkot in Zuid-Amerika of in de modder van de Schelde in Klein Brabant, dan zou er enkel maar vreugde zijn, of droefheid. Maar wie bracht haar in het hoerenkot van Zuid-Amerika, en wie in de modder van Klein Brabant?

Fie Juul zeker niet, mijnheer. Hij heeft me dikwijls bedrogen, hij is opvliegend, en al wat ge maar wilt, hij heeft met Vera dingen uitgespookt die misschien beter niet geweest zijn, maar er is één ding, mijnheer: mijne man hield van ons Vera, en dat kunt ge zomaar niet wegcijferen. Zo nen mens kunt ge niet als den eerste den beste misdadiger het vuur aan de schenen leggen, gewoon als een advokatenstreek.

Gloster Het is de gewone gang van zaken, mevrouw, dat wij in ons beroep mensen ontmoeten die in de meest tragische situaties voor mekaar met de moed der wanhoop ten beste spreken. Onze plicht, mevrouw, geloof me, is daar niet in te trappen… (lange stilte) Begrijpt u me?

Fie Er is één ding dat ik nu veel beter begrijp… wat MIJN plicht is…

(Stilte. Ze bekijken mekaar. Gloster staat recht. De handdruk is er een van tegenstrevers. Gloster gaat. Jeronimus en Birgit worden zichtbaar. Jeronimus houdt de steen vast)

Jeronimus We verstoppen hem niet langer op het kerkhof, schat.

Birgit Heb je gepraat?

Jeronimus (aarzelend) Ik voel dat ze alles weten…

Birgit Hoe zalig ik me voel bij jou?

Jeronimus Ik heb alles verteld, omdat ik trots was op jou, omdat jij de eerste bent die mij hebt gezien zoals ik ben, geen man van daden maar van dromen…

Birgit Kus me liefste…

Jeronimus Ik heb mijn schoonmoeder nog ontmoet…

Birgit Kus me nu.

Jeronimus Juul gaat achteruit.

Birgit Dichter, harder, kom.

Jeronimus Ik kan niet harder worden, liefste.

Birgit Neen, laat je armen niet los. Ons leven werd door anderen vergald, liefste hou me vast.

Jeronimus Neen! Niet nu, nog niet, robijnen oester van mijn wildste dromen, toren van Babel die siddert bij elke steen die wordt doorgegeven in de wolken… (En langzaam laat ze hem los. Er komt een grote stilte tussen hen. Fie en Gloster worden zichtbaar. Juul vaag op de achtergrond)

Gloster Hoe gaat het nu met hem?

Fie Hij hoort, en ziet, maar wat er allemaal is gebeurd, slaat hij door mekaar.

Gloster En spreken?

Fie Met enige moeite.

Gloster Zou hij niet beter opgenomen worden?

Fie Dat wil hij niet. hij kan nog alles doen, alleen aan de linkerkant, een klein beetje  moeilijk…

Gloster Weet hij dat u mij hebt gevraagd hier te komen?

Fie Neen, mijnheer Gloster, dan zou hem zijn eigen alleen maar opwinden… Neen, ik zal proberen die zaak alleen af te handelen. Wel, het zit hem hier, ik zijn altijd een moeder geweest, neen, luister, ik zijn zelf heel streng grootgebracht, als wij iets mispeuterden, een kleinigheidje maar, dan vlogen wij voor nen dag en nen nacht de kelder in, en ons vijf frank zondag kwijt, en goed wat mot met de matteklopper. En ik heb dat allemaal vergeven, maar ik zijn het niet vergeten. En ik heb altijd gedacht: ik mag doodvallen, als ik dat mijn kinderen ooit aandoe. En daarvoor heb ekik ons Vera zo los gelaten, dat het eigenlijk wat overdreven is, want kinderen vragen dat eigenlijk niet, maar kom, als ze kleintjes was, ging Juul naar het werk, en ik zorgde alleen voor haar. Dat kind, dat was eigenlijk alleen mijn zaak. En ik dacht: dat zal wel veranderen als ze groter wordt. En dat was ook zo. Maar niet op de manier die ik me had voorgesteld. Stillekesaan zijn ik dat kind kwijtgeraakt. Begrijpt u? Elke keer als ik een opmerking maakte, kwam hij der tussen, en altijd in haar voordeel, maar ik dacht: mens trek het u niet aan, ’tis beter zo dan gelijk als in uwen tijd, en ik zweeg. Ik zweeg zodanig, mijnheer den inspecteur, dat het niet meer schoon was, maar ik had op den duur nog liever mijn tong afgebeten dan hem tegen te spreken, want ik dacht zo: dat kind moet dat allemaal niet weten wat die vent uitspookt, daar krijgt ze alleen maar een heel bitter gevoel van. En ik maar zwijgen. En daar liep vanalles verkeerd met ons Vera, en ik voelde dat toen al, maar ik zweeg, want elke keer dat er weer zoiets was kreeg ik mijne mond vol. En op den duur zweeg ik helemaal, en toen wist ik dat het ooit nog eens een ramp zou worden. Dat kind was bezeten van de mannen. Als ze zestien was had ze der al ik weet niet hoeveel versleten, neem me niet kwalijk mijnheer Gloster, maar ik zweeg, want ik zag goed genoeg dat Juul heel jaloers wierd. En ik heb hem nog veel niet verteld hoor, anders had hem al lang ongelukken gedaan. Als ik hem af en toe nog eens iets zeg, wordt hij al blauw van nijdigheid… En daarin zijn ik verkeerd geweest. Ik weet veel meer van ons Vera, al denkt hij van niet, want dat is nu het vreemde in heel die geschiedenis; hij doet tegenover iedereen alsof hij alles van haar weet, en dat ze alles aan hem kwam vertellen en zo. Dat is niet zo. Van als Vera getrouwd was, had ze een hekel aan haar vader, de manier waarop hij zich overal mee moeide, maar ja, ik zweeg, en dat was mijn fout… en den dag dat hij met vervroegd pensioen moest vanwege zijn werk, diezelfde dag is hij bij ons Vera geweest, en dan hebben ze samen… Toen kende ze Jeronimus nog niet dat moet ik er bij zeggen, toen hebben ze samen… toen zijn ze samen naar bed gegaan… (stilte) Dat heb ik van haar vernomen diezelfde avond als dat ze kwam zeggen, dat ze in verwachting was. En nog meer van die abnormale dingen uit haar leven heeft ze me toen allemaal verteld. Onder andere, en nu komt het, excuseer dat ik het zo lang heb getrokken, onder ander dat Jeronimus, haar eigen vent — die ik in de grond goed kan uitstaan — haar aanmoedigde om verhoudingen te hebben met andere mannen. Om over te kunnen schrijven. En dan heb ik bij mezelf gezegd: hier klopt iets niet meer. Juul is niet te betrouwen, en hij heeft een ziekelijke neiging naar zijn dochter, maar wat is dat voor ne schurk, die op die manier zijn eigen vrouw misbruikt. En ik heb nog altijd gezwegen. Maar ik zijn een gelovig mens mijnheer Glosters en ik WIST dat het slecht zou aflopen. Ik zou u dit nooit verteld hebben, als Jeronimus geen advokaat had genomen, alleen maar om juul te vernietigen. Dat vergeef ik hem niet. ik ben een paar keer met hem gaan praten, op den trein, zogezegd om zeker alleen te zijn, maar eigenlijk omdat ik van hem wilde losmaken wat zijn bedoelingen waren. Ons Vera is weggegaan, en daar zitten wij allemaal voor iets tussen, akkoord, maar dat zo een stuk advokaat zoiets komt zeggen, dat hij ne mens de grond wil inboren om te overleven, o neen, over mijn lijk. Ik heb met mijn vent veel moeilijkheden gehad, akkoord, maar een huwelijk, dat is voor mij nog altijd veel meer als nen advokaat of de mensen doen uitschijnen wat het maar is.

Gloster (na stilte) U hebt dus Jeronimus nog geregeld ontmoet, met de bedoeling om te weten te komen wat zijn intenties waren?

Fie En het zal wel zo zijn, dat die jongen op zijn manier abnormaal bezeten was van iets… ja, van wat? Want denkt u nu, als die met mij klapt, of vroeger, als die hier kwam, dat die gewoon spreekt? Gelijk als ne mens? Neen, bijlange niet, dat klinkt altijd gemaakt, en ik verstaan der d’ helft van tijd gene bal van. Ik vind uit, Fie, zegt hij altijd, ik leef van taal. Verstaat u dat? Iemand die uitvindingen wil doen over taal, ne gewone werkmens, in plaats van met zijn vrouw bezig te zijn gelijk als iederen normalen vent. Soms kon die mij zo zot razen over schijn en droom en niet echt, dat ik er zelf al begon af te slagen. En dan is er die geschiedenis met dat mes bijgekomen. Dat heeft Jeronimus Juul nooit vergeven. Van toen af is die haat begonnen. Hij wilt hem kapot. En ik kan er niets aan doen. Als den doktoor de vorige keer hier geweest is, had ik eenentwintig. Bloeddruk. Madammeke, zei hij, ik begrijp dat ge u zo een dingen hard aantrekt, maar nu moet ge eens aan uw eigen denken ook. Ik zei: dat kan ik niet mijnheer, en ik heb hem alles verteld, gelijk als ik dat aan u vertel, ge kunt niet geloven hoe een deugd dat doet, van eindelijk zo eens aan iemand, gelijk wie, n’ importe welke onbekende, uw hart te kunnen uitstorten. Ik zei: luister, mijnheer den doktoor, ik kan niet aan mijnen bloeddruk denken, en Juul laten afmaken. De mens is op, hij kan zich niet meer verweren. Een beetje opgeleefd. Ge zou het van minder, he mijnheer Glosters? Ik zijn blij dat u het begrijpt.

Gloster Wat bent u nu verder van plan?

Fie Gelooft u er nog in, mijnheer Glosters?

Gloster Waarin?

Fie Dat we ons Vera nog ooit terugzien?

Gloster Er is nog niet bewezen, dat het niet zo is, nietwaar? (na stilte) Ik denk… dat… ze… dood is…

(Lange stilte. Gloster en Fie vervagen. We horen Juul, die onbeweeglijk in vaag licht heeft gezeten, tamelijk moeilijk spreken, dan gebroken roepen:)

Juul Vera… Vera… Fie… Fie… Fie… ik geloof… dat mijn bed… helemaal nat is… (En plots zien we Birgit weer viool spelen — zelfde tema — en Jeronimus die er uitdrukkingloos bijzit, en half in het ijle spreekt)

Jeronimus De katten hebben misschien het huis al verlaten, (stilte) Het zinkend schip. Ik werd ontslagen, Birgit. (Muziek stopt) Speel voort, liefste. (Birgit speelt weer, iets heviger, iets atonaler, iets syncopischer. Zelfde tema.) Ik heb Vera onderschat, mezelf laten vangen in haar schimmig web. Ze leeft, Birgit! (muziek stopt) Speel, liefste, speel… (Birgit speelt, maar nu duidelijk een klank in verwording. Onuitstaanbaar snerpen van snaren, waarin nog af en toe herkenbaar: het zelfde tema) Haar lichaam lag voor mij open, jouw geest stond voor mij open, en ik, dwaas wou in haar lichaam jouw glimlach blazen, en jouw gekwetste ziel ontdooien met de warmte van haar lichaam. Ik had van jullie één vrouw moeten kunnen maken, maar geen steen der wijzen, geen toverdrank heb ik daarvoor kunnen uitvinden, (een alles overheersende ontbinding van vioolgeluid) De rest is pijn. (Hij staat recht, kijkt meewarig naar Birgit. Zij houdt op met spelen. Zij kijkt met angstogen naar Jeronimus) Zien of de katten niet teruggekomen zijn…

(Hij komt in bruusk donker, en Birgit neemt haar viool, en parafraseert nog eenmaal pianissimo het tema. Gloster – advokaat- in het licht. Zelfverzekerd richt hij zich tot het publiek)

Gloster Niemand kon vermoeden dat het op die manier zou aflopen met hem. Iemand die de zelfvernietiging in zich draagt, heb je nooit volkomen in de hand. Wees daarop bedacht, maar laat u niet ontmoedigen. Mijn cliënt werd ontslagen, werd later definitief aangehouden. Niet voor Vera, maar voor smokkel. Wet is wet. Hij weigerde elke verdediging, weigerde nog iemand te zien. Hij kon evengoed zelfmoord hebben gepleegd, en sommige van uw cliënten zullen dat doen. De eerste keer is het een verlammende uppercut voor uw image, een ontgoocheling. Iedereen zit tenslotte met een geweten, opium van een aarzelend verstand. Wat zegt u? Wat gebeurde er met die andere vrouw, Birgit ?

(Hij wandelt rond met de ‘micro’) Wij zijn advokaten, geen psychologen, geen sociale helpers in de breedste zin. Birgit is een ANDER geval, los van mijn voorbeeld. Mijn uiteenzetting ging niet over haar… (Stilte, waarvan hij geniet) Het nieuws van Vera bereikte hem in de gevangenis.

(Transformatie tot inspecteur. Fie en Juul worden zichtbaar. Fie breit, en zo te zien is het een heel lang, niet nader te duiden kledingstuk geworden. Juul drinkt, met enige moeite, een beetje tomatensap. Jeronimus zit een huisje te bouwen. Birgit zit op een afstand. Ze heeft haar teaterkostuum niet meer aan)

Birgit Liefste… (Gloster komt nu centraal tussen Jeronimus enerzijds, en Fie en Juul anderzijds. Alten reageren simultaan op zijn verschijning)

Juul Wie is er, Fie?

Fie Mijneer Gloster (Jeronimus kijkt zonder iets te zeggen naar Gloster)

Birgit Mijn allerliefste…

Gloster Hoe gaat het met hem, mevrouw Brengers?

Fie (Schudt het hoofd)

Juul Wie is het, Fie?

Birgit Herinner je je nog hoe wij mekaar voor het eerst hebben ontmoet?

Gloster Mijnheer Van den Water, het is mijn plicht, mijn droeve plicht…

Fie Rust nu maar, ik spreek wel met mijnheer Gloster.,.

Fie Die zaligheid is nooit meer te vernietigen.

Gloster We hebben haar lichaam gevonden…

Jeronimus Haar lichaam. (Fie heeft zich in het gebreide doek gehuld, een hoopje ellende)

Juul Is — er — nieuws — van Vera?

Birgit Nooit eerder heb ik zulk gevoel gekend, zulke ogen mogen zien…

Fie Zijt u zeker dat zij het is?

Gloster Het spijt me, mevrouw, heel zeker.

Jeronimus En ik moet haar identificeren, zegt u? (Gloster knikt) Wanneer?

Fie Ik wil haar zien.

Gloster Beter van niet, mevrouw…

Birgit Liefste, denk niet dat alles verloren is. De tijd brengt ons bijeen, geloof me…

Jeronimus Waar is ze nu?

Gloster In Dendermonde.

Fie Zo ver…

Gloster Ze heeft een tijdje verborgen gelegen in het riet langs de Scheldeoever…

Birgit Als je vrij komt, zal ik voor je spelen, je ziel masseren, fluwelen bloemen voor je kweken, en…

Juul (Is ‘dichterbij’ gekomen. Hij gaat moeilijk) Is ze vermoord, Fie? Ik heb mijn mes nog.

Jeronimus Wanneer moet ik haar zien?

Gloster Morgenvroeg word je afgehaald.

Fie Laat maar Juul ge weet dat ge u niet moogt opwinden…

Birgit … We maken samen een echtelijk dak dat glimlacht…

Gloster Het spijt me.

(Hij drukt handen. Jeronimus verscheurt zijn papier. Fie neemt Juul onder de gebreide lap. Een zacht geween. Gloster verdwijnt)

Birgit Ik ben niet bang voor Vera, liefste…

(Alles vervaagt. birgit verdwijnt. Fie en juul terug zichtbaar, jaren geleden. Eerst Juul alleen. Hij drinkt een borreltje. Dan komt Fie tevoorschijn. Ze heeft o.a. het lange, gebreide kledingstuk om gedrapeerd)

Juul Lap zeg.

Fie Wat?

Juul Gij ziet eruit of ge ne minister op bezoek krijgt.

Fie Is het soms geen plechtig moment? We hebben maar een dochter, en als heure vrijer den eerste keer binnenkomt, dan moet ge er toch zo wat goed uitzien.

Juul Den eerste officiële vrijer ja.

Fie Ja, ja, ‘t is al goed ik ken u. Ge gaat weer geen flauwe grapkes maken he Juul. En waarom moete nu al die borrels drinken? Het is nog maar drie uur.

Juul Gij zijt nu juist Cleopatra, met die schmink.

Fie Lacht u eigen uit. Ziet dat gij maar niet over uw tong struikelt, subiet…

Juul Waar is ons Vera nu?

Fie Taart gaan halen.

Juul Amai, het kan niet meer op.

Fie Doe niet zo achterlijk.

Juul Ge moet in het begin niet te rap laten zien wat dat ge u allemaal kunt permitteren. Die gasten gaan daar direct van profiteren.

Fie Zo nen achterdochtige mens gelijk als gij heb ik van mijn leven nog niet gezien.

Juul Achterdochtig, ik? Voorzichtig, dat is heel wat anders; en ge kunt niet voorzichtig genoeg zijn met die jonge mannen. Voor dat ge het weet, zijt ge niet alleen uw dochter kwijt, maar nog heel wat meer…

Fie Ik hoop dat ge straks niet zo gaat zagen… (een belgeluid) Dat zal hem zijn. Houd nu uw fatsoen, he Juul.

Juul Daar staat nen taxi voor de deur…

Fie Ga zitten, en doe gewoon… (Juul gaat zitten. Fie gaat opendoen. Jeronimus staat er. Kennismaking. Juul steekt plechtig een sigaar op)

Juul En dan zijt u Jeronimus…

Fie Ga zitten, mijnheer…

Jeronimus Dank u.

Fie Ons Vera is nog efkens een commissie gaan doen, ze kan elk ogenblik hier zijn…

Juul Tenzij dat ze er vandoor is natuurlijk…

(Jeronimus glimlacht met deze ‘grap’. Fie kijkt verveeld in Juuls richting)

Fie Hebt u het gemakkelijk gevonden?

Jeronimus Ik heb een taxi genomen.

Fie Wil u iets drinken, eh…

Jeronimus Jeronimus.

Juul Een borrel? Dat is slecht voor de kop maar goed voor…

Fie Jaja, dat weten we…

Jeronimus Graag een borreltje.

Juul Voilà, da’s mannenklap. (inschenken) En als er iets is waar ons Vera van houdt, dan is het dat! Zwans, en mannenklap…

Fie Ze blijft lang weg…

Juul Wilt u geloven, dat ik echt dacht, dat u in uniform zou geweest zijn?

Jeronimus Uniform?

Juul Van als ik klein was, heb ik altijd van uniformen gehouden, en bij den ijzerenweg hebben ze zo van die schoon kepikes, en ik dacht…

(Hij wordt onderbroken door een geklop, en Gloster staat er, met een pet op van een taxichauffeur. Korte stilte. Iedereen kijkt naar hem. Gloster neemt zijn pet af)

Gloster Excuseer, had u niet gevraagd om te wachten, mijnheer?

Jeronimus Neen, neen, dank u.

Gloster Excuseer. Goeiemiddag. (Hij verdwijnt. Stilte)

Fie Wat is er Juul?

Juul Niks. ‘t Zal maar een fantazieke zijn van mij… ik dacht nen ogenblik… neen, laat maar gaan, schol.

Jeronimus Gezondheid.

Juul Op ons Vera zullen we maar zeggen.

Fie Op uw getweeën.

Jeronimus Ja. (Ze drinken)

 

 

EINDE

1981-1983

 

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

theatertekst
Leestijd 79 — 82 minuten

#5

15.01.1984

14.04.1984

Luk Van Brussel