Tom Struyf © Linda Lemmen

Leestijd 13 — 16 minuten

Circuit X: de spreidstand tussen CC en KC

Het traject Circuit X geeft een ‘nieuwe generatie’ theatermakers een tournee langs de Vlaamse cultuur- en gemeenschapscentra cadeau. De bedoeling van dit initiatief van Het Theaterfestival, LOCUS en het Vlaams Theater Instituut? De doorstromingsproblematiek aanpakken. Een mooi credo, maar hoe werkt dat dan?

De onevenredige verhouding tussen het ontzettend grote productieaanbod en de moeizame spreiding van de Vlaamse podiumproduc-ties baart de kunstensector al een tijdje zorgen. In haar beleidsnota 2009-2014 vraagt minister Joke Schauvliege zich af‘of een afname van het productieaanbod zich niet opdringt en hoe we doorstroming van onze kunstproducties naar diverse circuits kunnen stimuleren’. Op initiatief van LOCUS (steunpunt lokaal cultuurbeleid) en het Vlaams Theater Instituut (VTi) bestudeerde een reflectiegroep – bestaande uit medewerkers van kunstencentra, werkplaatsen, alternatieve managementbureaus, culturele centra en verkoopbureaus – deze problematiek, en formuleerde een aantal suggesties. Zo bedachten ze onder meer ‘’Circuit X’, dat de doorstroming tussen kunstencentra en culturele centra dient te stimuleren. Op Het Theaterfestival 2011 werd het nieuwe format boven de doopvont gehouden.

In Nederland bestaat een gelijkaardig concept al langer. Daar biedt ‘Blind Date’ nieuwe theater- en dansmakers al zeventien jaarlang de mogelijkheid om een tournee te doen langs Nederlandse podia. De jury van ‘Blind Date’ selecteerde bijvoorbeeld makers/collectieven als Bambie, Emio Greco, Boukje Schweigman, Laura van Dolron, Sanja Mitrovic en Ilay den Boer. Zij zijn nu allemaal succesvol in de kleine of grote theaterzaal, vaak in Nederland én in Vlaanderen. Sinds 2005-2006 is aan ‘Blind Date’ ook een prijs verbonden, de bng Nieuwe Theatermakers Prijs, die de meest veelbelovende maker van het seizoen 45.000 euro schenkt om een nieuwe voorstelling mee te maken.

Ook wordt er aan het einde van het seizoen een ‘Blind Date Publieksprijs’ uitgereikt. Voorlopig is aan Circuit X nog geen wedstrijd gekoppeld.

Wat?

Circuit X is een initiatief van Het Theaterfestival, locus en het VTi, en wordt ondersteund door minister van Cultuur Joke Schauvliege en de Gewestelijke InvesteringsMaatschappij voor Vlaanderen (Gimv). Circuit X wil voornamelijk de spreiding bevorderen van ‘verrassende’ producties van een ‘nieuwe generatie talentvolle podiumkunstenaars’, bij voorkeur Vlaamse makers uit de kunstencentra, die klaar zijn om getoond te worden in de culturele centra, maar daar om de een of andere reden niet (voldoende) geraken, aldus Els De Bodt (coördinator van Het Theaterfestival). Heel wat voorstellingen zijn amper te zien buiten de grote steden. De ambitie van Circuit X is om via een omkaderde tournee langs de cultuur- en gemeenschapscentra 1 een breder, openminded publiek in contact te brengen met het werk van deze makers, en omgekeerd.

Voor het seizoen 2010-2011 werden vijf voorstellingen door de jury van Het Theaterfestival geselecteerd. Een surplus is de Soiree X, een mix van kortere, vernieuwende projecten uit de kunstwerkplaatsen. In 2010-2011 bestond de Theaterfestivaljury uit Valentijn Dhaenens (acteur SKaGeN), Eddie Guldolf (programmator C-mine Genk), Sarah Vankers-schaever (journalist De Standaard), Pietjan Dusee (artistiek leider Productiehuis Brabant) en Eva Brems (hoogleraar UGent). Soiree X werd geprogrammeerd door Barbara Raes (kc Buda, Vooruit) en Linda Suy (werkplaats de Pianofabriek). De vierentwintig centra die dit jaar intekenden op Circuit X, dienden drie voorstellingen te kiezen uit een lijst van vijf, met de mogelijkheid – als alternatief voor een voorstelling – te opteren voor een avondje ‘Soirée X’ op maat. Educatieve en promotionele ondersteuning zit mee in het pakket.

Tussengeneratie

De selectie van dit seizoen bestond uit diverse voorstellingen van makers die al een tijdje meedraaien. Echt ‘nieuw’ valt deze generatie podiumkunstenaars niet te noemen: het gaat hier eerder om de zogenaamde ‘tussengeneratie’. Niet meer fris van de schoolbanken, maar ook nog geen gevestigde waarden. Een generatie die dit jaar al eerder in the picture kwam te staan op de presentatie van de veldanalyse van het VTi (4 april 2011). De tussengeneratie heeft het niet gemakkelijk, hoorden we: job-hoppend van project naar project, continu zwoegend op subsidiedossiers en permanent afhankelijk van de goodwill van gesubsidieerde organisaties. Dat Circuit X deze makers een duwtje in de rug geeft, is mooi meegenomen. Alleen rijst alweer de continuïteitsvraag: wat komt hierna? Misschien is het een idee om – in navolging van de aanbevelingen van locus en het VTi (zie verder onder) – de Circuit X-voorstellingen twee jaar ‘op het repertoire’ te houden en tournee-ondersteuning te bieden? Op die manier zouden de CC’s en hun publiek vertrouwd kunnen raken met de nieuwe makers, en kan mond-aan-mondreclame echt beginnen werken. Zo zouden de voorstellingen werkelijk kunnen renderen.

Selectie

Pieter Ampe en Guillermo Garrido omarmen en bevechten hun vriendschap (en al hun lichaamsdelen) op speelse en tedere wijze in de intieme dansvoorstelling Still Standing You. Annelies Van Hullebusch timmert letterlijk en figuurlijk aan Dorp: nostalgisch objecttheater waarin kartonnen huisjes de evolutie van (haar) dorp tot stad verbeelden, en waarin het publiek rondom het speelvlak, met een boekje in de hand, onontbeerlijk is als medespeler. Tom Struyf reconstrueert zijn jacht op zijn mysterieuze droomvrouw/dievegge Tatiana in The Tatiana Aarons Experience, aan de hand van Google Maps en email, flirtend met de grens tussen feit en fictie. Sadettin Kirmi-ziyüz brengt in De Vader, de Zoon en het Heilige Feest verslag uit van zijn reis naar Mekka en gaat samen met het publiek op zoek naar zijn vader en de oorsprong van de moslimcultuur. En Koen De Prêter en Maria Ibarretxe gaan de musicaltoer op in het vrolijk-dansante While Things Can Change, waarin je zowat alle deuntjes kunt meezingen en -dansen (Mariiiiaaaa!). Kortom, de selectie omvat een breed palet: in het pakket zitten theater én dans, het nostalgisch-herkenbare én het spannend-onbekende, vormexperimenten én klassieke zaalvoorstellingen. Perfect!

Criteria

Niet zomaar elke voorstelling komt in aanmerking voor een speelreeks langs cultuur- en gemeenschapscentra. De voorstellingen moeten 1) kwalitatief hoogstaand, 2) ‘toegankelijk, leesbaar’, 3) aantrekkelijk voor een publiek dat onbekend is met deze makers, 4) niet te duur zijn. Circuit X komt tegemoet aan de kwalitatieve en publieksgerelateerde eisen van de cultuurcentra door de Theaterfestivaljury de selectie te laten maken, en in deze jury (minimum) één deskundige uit een cc te laten zetelen. Bovendien doet Circuit X ook een toegift in de prijs door een deel van de uitkoopsom op zich te nemen. Daarbovenop krijgen de centra communicatieve ondersteuning (flyers, affiches) en omkadering in de vorm van voor- of nagesprekken, een introductiefilmpje,… Op die manier wordt het cc-publiek ‘voorbereid’ op de hen onbekende makers.

Wie wat doorvraagt bij de organisatie over de logistiek-financiële kant van de tournee, constateert echter al gauw dat er nog meer criteria meespelen. Hoeveel voorstellingen hebt ü gezien die kwalitatief hoogstaand, toegankelijk en leesbaar zijn (ook letterlijk: theater waarin Engels of Frans gebruikt wordt, is voor velen al moeilijk), een lage uitkoopsom hebben (zelfs mét wat hulp), technisch eenvoudig zijn, geen extra opbouwdag nodig hebben, in een ‘gewone’ zaal kunnen spelen, voldoende publiek toelaten om ticketinkomsten te garanderen, en ook nog op tournee zouden kunnen gaan in het seizoen 2011-2012? Niet bijster veel, inderdaad. Dat doet op zich geen afbreuk aan de kwaliteit van de vijf geselecteerden voor dit seizoen, maar het doet wel vragen rijzen over het concept van Circuit X zelf. Is dat niet wat té nauw? Zijn de criteria van de culturele centra niet te strikt?

Door de strenge criteria lijken bovendien een heleboel makers van de ‘nieuwe generatie’ uitgesloten te worden. Eigen aan deze makers is immers dat ze vaak de grenzen van het medium theater opzoeken. Ze laten de zaal voor wat ze is, maken grootschalige bouwsels of spelen net voor een zeer intiem publiek.

Ze creëren installaties, performances en objecten, flirten met film, plastische kunst en wetenschap, of schuren provocerend aan tegen inhoudelijke grenzen. Met Soirée X hebben de organisatoren een compromis gezocht om aan deze artistieke realiteit tegemoet te komen. Naast een danssolo van Etienne Guilloteau en een sarcastische performance van het Waalse Ramdam Collectif, bevat deze mixed hill ook wat meer ‘hybride’ werken, waaronder een docufilm (Because We Are Visual, van Olivia Rochette en Gerard-Jan Claes), een installatie (L’Autre, van Claudio Stellato) en een video-installatie (Just One Fall, van Els van Riel). Deze projecten kunnen nog steeds in een CC-zaal terecht en hebben een aanvaardbaar prijskaartje, maar zijn wel al heel wat ‘vernieuwender’. Het vormelijk-abstracte voorproefje van Soirée X dat we te zien kregen op Het Theaterfestival, Letter Pieces/Bedtime Stories (Letter Piece Company), stimuleerde echter eerder onze lachspieren dan onze interesse. De mogelijkheid dat deze korte ‘La Tourette’-performances onvoldoende ‘leesbaar’ zouden zijn voor een cc-publiek, en bijgevolg averechts zouden werken, is in dit geval niet onbestaande. Waarom zit er bij de selectie voor Soirée X geen medewerker van een cultuurcentrum in de jury?

Wat verder opvalt, is dat de voorstellingen van Circuit X voornamelijk solo- of duo-voorstellingen zijn. Ook werkplaatsen en jongemakersfestivals constateren dat steeds meer nieuwe makers met ‘mono-werk’ afkomen. Vaak wordt in dat opzicht verwezen naar de autobiografische nood van de jonge maker. Maar is die maker misschien niet vooral realistisch, opgevoed als culturele ondernemer, zijn inkomen en de potentiële verkoop van zijn voorstelling indachtig? Het solowerk heeft misschien vooral een financiële motivatie: hoe minder medewerkers, hoe meer loon voor zichzelf in de creatieperiode, en hoe meer de uitkoopsom gedrukt kan worden. Is het niet jammer dat financierings- en spreidingskwesties de zin voor avontuur en kruisbestuiving (tussen meerdere makers) tegengaan? Welk antwoord zou Circuit X hierop kunnen bieden? Els De Bodt hoopt dat de grenzen van Circuit X op termijn wat rekbaarder kunnen worden. De vraag is niet alleen of dat inhoudelijk haalbaar is, maar ook of de huidige economische situatie in België en Europa van die aard zal zijn dat dit effectief mogelijk wordt voor alle betrokken partijen.

Kunstencentra versus culturele centra: suggesties

Circuit X is een ontzettend interessante remedie tegen de bestaande doorstromingspro-blematiek: er wordt niet alleen gezorgd voor doorstroming, maar ook voor de noodzakelijke omkadering, publieksbegeleiding, financiële en promotionele ondersteuning. Het is alvast een duw in de goede richting. Maar een structurele oplossing kan Circuit X niet genoemd worden. De belangrijkste oorzaak van de gebrekkige doorstroming en spreiding is immers (nog) niet verholpen: het enorme verschil tussen de werking van kunstencentra en de werking van culturele centra kan niet zomaar van de baan geveegd worden door een paar edities Circuit X.

Maar Circuit X ambieert dat ook niet. Het traject staat immers niet op zich, maar maakt deel uit van een oplossingspakket, net als de ontmoetingsdagen ‘Zet mij in cc’, het opleidingstraject over communicatie en publieksbemiddeling ‘Bonjour Public’ en – last but not least – een adviesnota voor het kabinet Cultuur.

De kloof tussen kunstencentra en cultuurcentra begint op decretaal niveau. Staf Pelckmans (cultuurcentrum de Warande in Turnhout) hamert er al jaren op dat het Decreet Lokaal Cultuurbeleid en het Kunstendecreet dringend op elkaar moeten worden afgestemd. Culturele centra en kunstencentra hebben verschillende opdrachten (gemeenschapsvorming, cultuurparticipatie en cultuurspreiding versus creatie, presentatie, communicatie, spreiding en publiekswerking) en verschillende beoordelingscriteria. Hoe logisch is het dat binnen eenzelfde domein – ‘de kunsten’ – het ene centrum op basis van kwantitatieve criteria beoordeeld wordt, en het andere op basis van kwalitatieve criteria? Natuurlijk zijn de criteria van culturele centra streng en vooral logistiek-financieel, natuurlijk kiezen zij vaak voor commercieel, laagdrempelig werk met cabaretiers en BV’s. Zij denken in publieksaantallen en ticketinkomsten, zeker nu de crisis boven hun hoofd hangt. Natuurlijk strookt dat alles niet met artistiek experiment en risico.

LOCUS en het VTi pleiten eveneens voor een betere afstemming van het Kunstendecreet en het Decreet Lokaal Cultuurbeleid. Zij voegen er aan toe dat ook het Participatiedecreet moet meegenomen worden in het denken over spreiding. Binnen dat decreet bestaat bijvoorbeeld zoiets als ‘Aanbod Podium’, waarbij de Vlaamse overheid een deel van de uitkoopsom van een productie terugbetaalt aan culturele organisatoren. ‘Aanbod Podium’ bestaat uit drie luiken; gericht op bekende makers, nieuwe gezelschappen (of gezelschappen die een ander pad inslaan) en specifieke doelgroepen uit de welzijnssector. Het biedt ook uitstekende spreidingsmogelijkheden aan werk geproduceerd binnen het Kunstendecreet, al merken locus en het VTi op dat de momenteel vereiste tweejarige tourneetermijn aan herziening toe is.

Ondermeer uit de ontmoetingsdagen ‘Zet mij in cc’, ‘Start to Book’ en ‘Start to Cook’ haalden het VTi en LOCUS heel wat suggesties met betrekking tot een betere afstemming van productie en spreiding, en van de decreten.

De verzamelde adviezen werden neergepend in een nota voor het kabinet, ‘Naar een betere afstemming van de productie en de spreiding van de podiumkunsten’, met denkstof voor beleid en praktijk.2 Sommige beleidsadviezen werden intussen geconcretiseerd in beloftes van minister Schauvliege, zoals een opwaardering van de projectmiddelen (ook voor hernemingen) of aandacht voor exit-strategieën voor organisaties waarvan structurele subsidies stopgezet zullen worden. Andere voorstellen vragen vermoedelijk wat meer tijd, zoals onder meer de afstemming van de subsidiëringstiming van het Kunstendecreet op die van het Decreet Lokaal Cultuurbeleid (cultuurbeleids-planning volgt de timing van de gemeentelijke legislaturen), het herbekijken van het ‘Aanbod Podium’ binnen het Participatiedecreet of het opstellen van ‘een coherente beleidsvisie op de keten van opleiden en creëren tot presenteren en spreiden in de Vlaamse podiumkunsten’. Suggesties als de ‘functionele benadering van organisaties in het Kunstendecreet’, met een ‘welomschreven visie op gewenste en realistische spreidingsmogelijkheden’ of het maken van meer ruimte voor culturele centra in het kader van het Kunstendecreet (bijvoorbeeld door middel van een grotere vertegenwoordiging van cc-medewerkers in commissies, of de toekenning van Kunstendecreetsubsidies aan culturele centra), vergen misschien wel een hertekening van het bewuste decreet.

Binnen de culturele organisaties zelf is er nood aan tijd, geld én de juiste mentaliteit om zich van hun taken te kunnen kwijten. Producerende organisaties (kunstencentra, gezelschappen en eventueel zelfs werkplaatsen en festivals) zouden niet alleen aandacht moeten besteden aan creatie, maar ook aan de spreiding van producties. Daarvoor is het noodzakelijk dat zij voldoende (financiële) ruimte krijgen om hierin te investeren. De boodschap van het VTi en LOCUS aan de commissies en de overheid is wederom dat er nood is aan structurele keuzes om de versnippering van organisaties en middelen tegen te gaan. Maar uiteraard ligt de verantwoordelijkheid niet enkel bij het beleid, ook intern moeten er scherpe keuzes gemaakt worden: minder kwantiteit, meer kwaliteit. Minder makers ondersteunen, maar die makers méér ondersteunen. ‘Een aanbeveling voor de sector is om de toegekende middelen minder in te zetten op productie, maar meer op het laten renderen van producties: meer investeren in hernemingen, in communicatie, in publieks werking,…’, wordt terecht opgemerkt in de nota van het VTi en LOCUS.

Ook in het geval van de cultuurcentra spelen de factoren tijd, geld en mentaliteit een cruciale rol. Niet elke programmator van een cc heeft voldoende tijd/geld/zin om veelvuldig te prospecteren. Is de opdracht van de cultuur-functionaris/programmator niet te breed? De kwaliteit en de evolutie van het podiumkunstenveld zijn uiteraard ook belangrijk voor het publiek van een cc. Zonder voortdurende heroriëntatie en bijstelling van het kijkgedrag aan de nieuwe podiumtrends die nieuwe (en reeds bekende) makers lanceren, is een ‘cul-tuurcentrumpubliek’ uiteraard niet klaar voor ‘nieuw’ werk. Een ideale programmatie bestaat dan ook uit een evenwicht tussen continuïteit en vernieuwing, in vormen én gezichten. Een programmator van een cc moet de kans krijgen om het kunstenveld van nabij op te volgen en zijn knowhow bij te schaven. Ook in het Decreet Lokaal Cultuurbeleid zouden taken, middelen en functieomschrijvingen in dat opzicht herbekeken kunnen worden.

Het VTi en LOCUS formuleren ook concrete adviezen die in de praktijk toegepast kunnen worden zonder beleidswijzigingen. Enkele suggesties hebben betrekking op de nodeloze creatiedrang: laat producties meer renderen en hou ze langer op het repertoire (zie verder boven). Daarnaast wordt vooral gehamerd op transparant overleg tussen kunstencentra en cultuurcentra over uitkoopsommen, programmatiebudgetten, ticketprijzen, boekingspe-riodes, programmatietiming of alternatieve tegemoetkomingen. Maar dramatisch is de situatie allesbehalve: heel wat samenwerkingsadviezen worden al regelmatig in de praktijk gebracht. Zo wordt bijvoorbeeld in Antwerpen op basis van de inhoudelijke profilering van de bestaande cultuurcentra bepaald welk cultuurcentrum welke voorstelling best programmeert, in Leuven en Mechelen is er een nauwe infrastructurele en publieksgerichte samenwerking tussen kunsten- en cultuurcentra, en overal te lande zijn er culturele centra die een lang parcours met kunstenaars uitzetten. Meer van dat!

Er zijn echter doorstromingsverhinde-rende problemen die niet zomaar opgelost raken met bovenstaande adviezen. Door het verschil in mentaliteit en werking zijn er ook heel wat wederzijdse vooroordelen ontstaan tussen kunsten- en cultuurcentra. ‘Echte kunstenaars’ willen vaak niet eens in culturele centra spelen. Dat circuit zou immers voor een ‘burgerlijk’ publiek zijn, en ‘wie er werkt, doet gewoon zijn uren’. Zij willen binnen het kunstencentrumcircuit werken (opleidingen > werkplaatsen > kunstencentra / eigen gezelschap / stadstheaters). De trouwe cultuurcentrumbezoeker fronst dan weer z’n wenkbrauwen voor een kunstencentrumpro-duct. ‘Te experimenteel, te moeilijk, raar en elitair, te alternatief’. Zulke vooroordelen zijn niet weg te werken door bijvoorbeeld decreten te wijzigen. Circuit X of ontmoetings- en vor-mingsinitiatieven als ‘Zet mij in cc’ of’Bonjour Public’ zijn eerste stappen in de goede richting. Maar een echte mentaliteitsverandering begint – zoals steeds – bij de basis: educatie. Een publiek Anders’ leren kijken naar voorstellingen en/of bepaalde organisaties, is minder evident wanneer de toeschouwer vijfenvijftig is dan wanneer hij of zij vijftien is. Omkadering en begeleiding van Circuit X zouden doorgetrokken kunnen worden naar omkadering en begeleiding van leerkrachten en scholen. Wat te denken van een Circuit Y voor generatie Y?

Nederland

Stel nu dat de decreten op elkaar afgestemd zouden worden, dat alle adviezen van het VTi en LOCUS in de praktijk gerealiseerd worden, en vergeet alle vooroordelen even. Is het doorstromingsprobleem dan opgelost? Misschien wel, maar toch blijft er nog minstens één ander heikel punt: het probleem van ‘de tussengeneratie’ ligt niet louter bij de doorstroming van kunstencentra naar cultuurcentra. Hoe divers de geselecteerde voorstellingen ook lijken, toch zijn er een aantal opmerkelijke parallellen te trekken wanneer we kijken naar de achtergrond van de voorstellingen en de makers.

Slechts een van de vijf geselecteerde voorstellingen werd effectief gemaakt in de kunstencentra, drie van de vijf voorstellingen werden gemaakt in productiehuizen in Nederland, twee van de vijf werden ondersteund door een cultuurcentrum. Het valt te betreuren dat zelfs binnen Circuit X slechts één voorstelling. Still Standing You, effectief zou kunnen doorstromen van kunstencentrum naar cultuurcentrum, en dat die voorstelling omwille van praktische perikelen maar twee keer kon spelen. Heeft de jury dan niets gevonden in de Vlaamse kunstencentra? Ondersteunen kunstencentra te weinig? Of zijn de kunstencentraproducties te duur? Een feit is dat het aantal coproducenten per productie alsmaar toeneemt, waardoor de investering per kunstencentrum daalt, maar de uitkoopsom niet noodzakelijk. Moet de uitkoopsom dalen? Zijn kunstencentrumproducties te weinig toegankelijk in verhouding tot die van de Nederlandse productiehuizen? Of is dit alles gewoon toeval? Laten we afwachten wat de selecties van de komende jaren brengen.

De opvallendste parallel is wel deze: alle geselecteerde makers studeerden (ooit) in Nederland, terwijl maar een van hen effectief uit Nederland afkomstig is. Is dit toe val? Misschien. Hoewel, Vlaamse makers blijken erg populair in Nederland. En dan gaat het niet alleen om de groten à la Van Hove en Cassiers. In een artikel voor rekto:verso (oktober 2010) vermeldt Marjolein van Heemstra de populariteit van jonge Vlaamse theatermakers in Nederland. Naast Joachim Robbrecht noemt ze Sarah Moeremans, Lucas De Man, Leen Braspenning, Jef Van gestel. Bram De Sutter en Sarah Vanhee, die bijna allen afgestudeerd zijn aan Nederlandse toneelopleidingen. En recent onderzocht de Vlaamse productiestructuur fABULEUS – waarbij overigens (toevallig?) drie van de vijf Circuit X-makers een Voorstudie’ maakten op hun geselecteerde voorstelling – de trajecten van de jongeren en jongprofessi-onelen met wie ze de afgelopen jaren gewerkt hebben. Daaruit blijkt onder meer dat van de zesentwintig fABULEUSjongeren die momenteel in een professionele kunstopleiding zitten, maar liefst tien van hen dit in Nederland doen. Er lijkt dus een wederzijdse vraag te zijn: de Vlaamse maker zoekt de Nederlandse opleiding, het Nederlandse podiumcircuit zoekt de Vlaamse maker. En misschien gaat ook dit bruggetje wel op: zoeken de Vlaamse cultuurcentra de Vlaamse makers die door Nederlandse productiehuizen ondersteund worden en/of een opleiding in Nederland genoten hebben? Wat zal er gebeuren wanneer deze Nederlandse productiestructuren over kop gaan door de botte besparingsmaatregelen van Zijlstra? Welke koers zullen de Nederlandse opleidingen varen? Zal de Vlaamse invasie in Nederland standhouden? Wat met ‘’Blind Date’? Het is uitkijken naar de antwoorden die Circuit X en de Vlaamse kunst- en cultuursector zullen bieden op de veranderingen in de Nederlandse podiumsector.

Conclusie

Samengevat: Circuit X is een interessant initiatief dat een goede eerste editie op reis heeft gestuurd. Hiermee wordt de doorstromingspro-blematiek aangepakt en wordt ‘de tussengeneratie’ op z’n minst een stapje vooruit geholpen. Het format Circuit X alleen is echter niet voldoende om deze problematiek ten gronde aan te pakken, beseffen ook het VTi en LOCUS. Er moet terzelfder tijd gewerkt worden op het niveau van beleid, praktijk en intermediairen (steunpunten en dergelijke); op gemeentelijk, provinciaal, federaal en internationaal niveau. Bovendien is de spreidingsproblematiek niet los te denken van maatregelen tegen overproductie en versnippering, beslissingen in de komende subsidieronde, ontwikkelingen in de politieke en economische crisis en reacties op de Nederlandse podiumkunstencrisis.

2011 was voor Circuit X een testeditie, om te voelen of en hoe het schoentje past, met een ietwat voorzichtige selectie, inhoudelijk en logistiek. Op het eerste gezicht lijkt de eerste editie een succes te zijn: maar liefst vierentwintig culturele centra tekenden in. Maar Theaterfestivalcoördinator Els De Bodt nuanceert dat er vaak in groep ingetekend werd, om elk maar één voorstellingetje te moeten presenteren (CC’s vormen in dat geval samen een cluster) en het risico zo laag mogelijk te houden. Het is afwachten of de culturele centra en de kunstencentra bereid en/of in staat zullen zijn hun vooroordelen te laten varen en méér risico te nemen, respectievelijk in hun programmering en in de duurzame investering in nieuwe makers. Misschien kan er dan toch een wedstrijdje aan gekoppeld worden. Wie wordt het kc/cc met de grootste X-factor?

met dank aan het VTi, Het Theaterfestival en fABULEUS

www.circuitx.be

Noten

1 Voor een heldere discussie duiden we het onderscheid tussen cultuurcentra en gemeenschapscentra. Het Decreet Lokaal Cultuurbeleid geeft zowel de cultuurcentra als de gemeenschapscentra drie evenwaardige opdrachten: gemeenschapsvorming, cultuurparticipatie en cultuurspreiding.
Cultuurcentra onderscheiden zich van de gemeenschapscentra door hun stedelijke inbedding en logischerwijze regionale spreidingsopdracht. Gemeenschapscentra vervullen deze opdracht op lokale schaal. In het kader van de professionele podiumkunsten en de vlotte leesbaarheid van deze tekst spreken we hieronder steeds over de cultuurcentra. Hierbij rekenen we ook de gemeenschapscentra die een professioneel podiumkunstenaanbod verzorgen. (Overgenomen uit: ‘Naar een betere afstemming van de productie en spreiding van de podiumkunsten’, www. locusnet.be)

2 De volledige nota is te vinden op www.locusnet.be.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 13 — 16 minuten

#127

01.12.2011

28.02.2012

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!