Foto’s Willy Cornette

Marianne Van Kerkhoven

Leestijd 8 — 11 minuten

Bert Verminnen

Vergeten visionair

Bert Verminnen omschreef – naar Artaud – het Vlaamse theaterbestel als ‘Le théâtre et la peste’. Met zijn uitdagende radicaliteit was hij op vele vlakken een voorloper. Hij stierf, vergeten. Een reconstructie, door Marianne Van Kerkhoven, en twee teksten van Bert Verminnen.

Op 30 maart 1984 ging Bert Verminnen dood. Hij was 42 jaar. Geen enkele krant heeft over zijn dood bericht.

Verminnen was dichter, regisseur, acteur, essayist, toneelauteur. Zijn stukken –meestal korte teksten, meestal ongepubliceerd ook – liggen verspreid in schuiven bij vrienden. Fragmenten van een oeuvre, vnl. tot stand gekomen in de eerste helft van de jaren 70, in een sterk beeldende schriftuur, die reeds lang en complexloos afgerekend had met elke vorm van kneuterig naturalisme of beperkend psychologisme; teksten die uiting waren van een volwassen theatraal bewustzijn. Bert Verminnen was in vele opzichten een voorloper.

Een reconstructie van zijn weg doorheen de toneelwereld – die hij op het moment van zijn dood reeds een 6-7 jaar de rug had toegekeerd – moet bijeen geplukt worden uit haastige getuigenissen. Een aantal van de hierna vermelde feiten dienen nog verder geverifieerd te worden. Alleen Jaak Van Schoor in De Vlaamse dramaturgie sinds 1945 bericht vrij uitvoerig over zijn stukken.

Verminnen was regent Germaanse talen, maar gaf slechts een tweetal jaren les. Hij studeerde ook Russisch : zijn geestesverwantschap met een soort Russische ziel, met auteurs als Dostojevski en Gogol moet reeds vroeg aanwezig geweest zijn. Het eerst manifesteerde hij zich als dichter – meestal onder de naam van Bert Verm – maar vrij snel werd hij ook betrokken bij het initiatief T61, een klein theatertje dat van 1961 tot 1964 in Vilvoorde opereerde en waar mensen als Charles Cornette en François Beukelaers hun eerste sporen verdienden; zij brachten o.m. Mulisch’ schandaalstuk De Knop naar België.

Charles Cornette getuigt: ‘Ik zie hem nog altijd binnenkomen, met zijn wapperende donkere krullen. Mijn broer Willy had ons gewaarschuwd: er komt vanavond een Vlaamse dichter kijken.” En aan het einde van de voorstelling vroeg Verminnen of hij mocht meedoen. Het ‘klikte’ onmiddellijk en geweldig.” Verminnen acteerde er in Albee’s Zoo Story, Becketts Krapp’s Last Tape, in Dr Korczak en de kinderen van Erwin Sylvanus, in De Grafbewaker van Kafka in een bewerking van Francois Beukelaers… Hij regisseerde er ook Frank De Crits’ eenakter Het Bad.

In het seizoen 1968-69 werkte Verminnen als schrijver mee aan een improvisatieproject dat Eva Bal in het BKT realiseerde onder de titel Hak iedere dag een boompje om en dat bestond uit een collage van fait-divers en ander documentair materiaal. Deze werking verliep echter niet zoals Verminnen ze wenste. Ondertussen verbleef hij, aangetast door TBC, lange tijd in een sanatorium. Hij had bewondering opgevat voor het werk van Jerzy Grotowski en verkreeg in diezelfde periode (waarschijnlijk 1970) een beurs om in Polen te gaan studeren. Hij vertrok voor zes maanden (of was het een jaar?) naar Wroclaw waar hij o.m. als assistent van Ludwig Flaszen fungeerde. Dat verblijf in Polen heeft hem diep getroffen. Pierre Vlerick (Proka-Gent) getuigt: “Hij was in de wolken teruggekomen, maar een echt werk-systeem had het hem niet opgeleverd.” Zijn broer, Johan Verminnen, vertelt dat de Poolse ervaring hem erg veranderd had “daar de omstandigheden die hij ginder gezien had – hoe mensen leefden en werkten – in zo’n schril contrast stonden met de ‘bedorvenheid’ binnen het Vlaamse theater-bestel.”

… ronddwalen in de Poolse sneeuw brengt je wellicht onvermijdelijk dichter bij Dostojevski…

Toneelmarathon

In het seizoen 1969-70 (voor of na zijn Poolse ervaring?) bracht de Studio Herman Teirlinck met succes zijn stuk De Rioolvogels uit (gepubliceerd in Dramatisch Akkoord, 1969, Amsterdam, P.N. Van Kampen en Zoon, 1970). Dit was ook het begin van een samenwerking tussen Bert Verminnen en Alfons Goris. Goris regisseerde in 1971 zijn ‘anekdotische eenakter’ De Tortel in Theater Arena te Gent en in 1972 produceerden ze een gezamenlijke tekst Inferno naar Dante, die door de Studio Herman Teirlinck werd opgevoerd met Herman Gilis en Ronny Commissaris jn de hoofdrollen. (Inferno werd gepubliceerd in het tijdschrift Teater, V,2). Op dat moment doceerde Verminnen in de Studio ; hij gaf er trainingen en assisteerde o.m. bij produkties van François Beukelaers.

In de Zwarte Zaal te Gent organiseerde hij een ‘Toneelmarathon’ ; het initiatief was gegroeid uit een cursus voor de leerlingen ‘Decorbouw’ van de Gentse academie; om de betekenis van ‘decor’ te begrijpen zou men een produktie monteren waarbij uiteindelijk… bitter weinig decor nodig bleek. Drie stukken van Bert Verminnen (o.m. Een tuin van puin I en De Tortel) werden er opgevoerd en daarna telkens en telkens herhaald. De avond door, de nacht in. De bedoeling was om o.m. de vermoeidheid te constateren en de veranderingen die dat in het spel te weeg bracht, volgens Pierre Vlerick “een boeiend Fabreavant-Fabre experiment”. Op het laatste moment liep er wat mis in de samenwerking met een aantal studenten: Johan Verminnen moest inspringen en speelde De Tortel samen met Michiel Mentens (nu wellicht bekend als acteur van Brussels by Night). In de jaren daarop volgden een aantal vrije produkties; Bert Verminnen acteerde in en regisseerde zijn eigen werken : Fotoroman of de versteende lichamen en Bobok (Vrije Theaterproduktie Pan vzw); Onbekende Bewoners dat zich in een reëel decor, een steegje, afspeelde en gecreëerd werd op 26 juli 1973 in de Jules Lahayestraat 21 te Jette (ook gespeeld in het Patershol te Gent) ; en ten slotte Nachtelijke Bezoekers (eerste opvoering 14 februari 1975 in de (oude) Workshop, Navezstraat 10, Brussel).

Met Bert Ghysels — de hoofdrol in Nachtelijke Bezoekers en de Generaal in Bobok— zou hij in 1977 (?) een workshop animeren aan de VUB waaruit een produktie moest groeien op basis van Verminnens Wachten in het wachtlokaal. Ook dit experiment liep spaak: tussen de braafschoolse studenten en de hermetische poète maudit was geen contact mogelijk. Dat was een van de laatste toneelervaringen van Bert Verminnen. Daarna “hakte hij,” aldus Bert Ghysels, “alle kabels door”. Het theater zoals het hier gemaakt werd, interesseerde hem niet (meer), noch in zijn artistieke pretenties, noch in het pseudointellectualisme waarmee het zich omgaf. Bovendien was Verminnen ontgoocheld door de reactie op zijn eigen werk. Bert Ghysels: “Voor kritieken was hij zeer gevoelig; hij kon daar kapot van zijn. Je kon hem niet overtuigen dat negatieve kritiek beter was dan ‘doodzwijgen’. Het kwetste hem zéér zéér diep. Met z’n leven ging het ook zo raar. Hij werd verward in de dingen die hij zei, soms zelfs volledig onbegrijpelijk.”

De ‘vreemdeman’

Als essayist publiceerde Verminnen o.m. Vlaamse Toneelschrijvers vandaag, een speciaal nummer van het maandblad Nieuwe Stemmen, augustus 1967. Het is een van de weinige overzichten van onze recente toneelliteratuur die bestaan : degelijk in zijn documentatie, intelligent in zijn beoordeling. Verminnen was 26 toen hij het schreef. In het tijdschrift Teater publiceerde hij diverse reacties uit zijn Wroclaw-periode en in 1973-74 stelde hij het speciaal theaternummer van het tijdschrift Enklave samen. Zelf schreef hij daarin een artikel over het pedagogisch systeem van Charles Dullin gebaseerd op de psychotechniek ; en een tekst waarin hij aanstipt 1) wat hem in de actuele Vlaamse en internationale theatersituatie interesseert Mistero Buffo — met restricties weliswaar— Vuile Mong, het Colloquium over Marginaal  theater te Gent, The Family van Lodewijk De Boer, de Engels-Schotse groep 7/84, Grotowski’s navolgers zoals het Théâtre Vicinal enz. en 2) wat hem in diezelfde situatie verontrust : de censuur, het stopzetten van de Werkgemeenschap van de Beursschouwburg, de uitwijking van Vlaamse acteurs, het feit dat niemand Aimé Césaire kent enz. Hij uitte daarin op dat moment —dus nà de verwerking van zijn Poolse ervaring— ook zijn twijfel of er in het theater wel systemen en methodes kunnen bestaan. Het geheel van het Vlaamse theaterbestel doet hij af met een uitspraak van Artaud : “le théâtre et la peste.”

Zijn werk als acteur valt uiteraard moeilijk te reconstrueren. Als regisseur beschrijft Bert Ghysels hem als : “iemand die zijn acteurs vrij liet. Er werd samen ‘gebouwd’. Hij was het oog van de acteurs en combineerde het lichamelijke van Grotowski met een grote aandacht voor de tekst, voor de juiste zegging. Omdat hij meestal zijn eigen werken regisseerde, wist hij zeer goed waar hij met een tekst naartoe wou. Sommige van zijn stukken zoals Bobok noemde hij zelf ‘antihorror-shows’ : daar lachte hij mee.”

Zijn persoonlijkheid, de ‘vreemdeman’, die hij was, spreekt echter het meest uit zijn toneelteksten. Zonder van bewust autobiografische intenties te vertrekken, bevatten die teksten — voor wie hem kende— ontstellende verwijzingen en zelfs duidelijke voorspellingen m.b.t. zijn eigen leven en dood. Het enige Vlaamse toneelwerk waarmee Verminnens stukken enige gelijkenis of verwantschap vertonen is Revolutie van Marcel Van Maele.

In hun getuigenissen noemen bekenden, vrienden en naasten hem ‘een verwarde, maar uitzonderlijke jongen’, ‘een groot visionair’, ‘iemand die de tragiek, het misérabilisme, het masochisme ook van een Dostojevski-figuur met zich droeg’, ‘een hermetisch in zich zelf opgesloten man’, ‘overgevoelig, eigenlijk niet gemaakt voor deze wereld’; niet in staat dus om zijn eigen —onmiskenbare— talenten te organiseren.

Als posthume hulde drukken wij hier twee nooit eerder gepubliceerde teksten van hem af: Onbekende Bewoners, omdat het een van zijn gaafste ontwerpen is, een synthese bijna van de hem eigen thematiek; én Nachtelijke Bezoekers, omdat dit kan beschouwd worden als zijn ‘theatertestament’ en tevens iets van het apocalyptische wereldbeeld toont dat hij in andere —gepubliceerde— werken, zoals De Rioolvogels en Inferno zo krachtig heeft beschreven.

Als een rode draad doorheen zijn stukken loopt er een marginale zwerversfiguur : in Bobok en Fotoroman wordt ze ‘vreemdeling’ genoemd ; in De Tortel heet ze ‘indringer’; in Onbekende Bewoners de ‘tweede bewoner’; in In de lichtcirkel de ‘haveloze’ ; in Nachtelijke Bezoekers wordt het de ik-figuur. Deze man heeft meestal zijn tegenhanger omdat begrippen als ‘buiten’, ‘zoeken’, ‘onderweg zijn’ pas hun ware betekenis krijgen in contrast met hun tegendeel ‘binnen’, ‘vinden’, ‘thuiskomen’: een voortdurende dualiteit, een constante dubbele eenzaamheid. Zijn hoofdpersonages zijn altijd onderweg; ze zitten in een treincoupé, een wachtkamer of een herberg die ‘De Toevlucht’ heet. Ze gaan weg zonder te weten waarheen, keren weer, maar voelen zich nergens thuis. Ze zijn rusteloos, niet in staat in een kamer te blijven. Ze
krijgen geen vat op deze wereld, maar willen ze dat wel? Wilde Verminnen dat wel?

Talent is het begin, maar talent heeft een kader nodig om in te gedijen en een organiserende kracht om zich zelf ‘efficiënt’ te maken. Het Vlaamse theaterbestel van toen had geen plaats voor een figuur als Verminnen en er was niemand die naast hem kon staan om hem een methode te leren waardoor hij zich zelf kon realiseren, ook al hebben al diegenen die met hem werkten het zeer graag en met veel liefde gedaan. Maar zelfs wanneer het klimaat en de hem omringende figuren optimaal waren geweest, dan nog zou Verminnen zeer waarschijnlijk zijn eigen-grillige-reis-zonder-bestemming gemaakt hebben. Wat doe je met iemand die acht talen kent en zijn kennis, van het Russisch b.v., gebruikt om met de nachtwaker van de Petite Rue des Bouchers —een Rus met Lepold II-baard, met grote cape en kepi— hele nachten door te praten, mekaars leven te stelen en dan verder niets? Wat doe je met iemand die met een vriend naar het Anarchistencongres in Basel vertrekt —als goeie anarchisten met één spoorkaartje voor twee— en ginder in allerlei vermeende en echte achtervolgingen terecht komt, zodat hij van het congres enkel de slotspeech meemaakt ? Wat doe je met iemand die in het sanatorium aangekleed op bed ligt, klaar om uit te gaan, de eerste bezoekers de weg wijst naar het café en zelf door de haag kruipt om die bezoekers daar te vervoegen? Zo iemand die elke externe systematiek of aanvaarde orde overboord smijt en zijn eigen persoonlijkheid als enige absolute coherentie naar voren schuift, moet opbotsen tegen alle muren, zeker tegen die van het Vlaamse theaterbestel. Het is niet te verwonderen dat die ophoudt met schrijven, dat die zelfs zwijgt over zijn verbittering en zijn ontgoocheling alleen maar opdrinkt. Het is niet te verwonderen dat die met zijn handen gaat werken en alleen maar kilometers en kilometers gaat stappen door de natuur…

Bert Verminnen is dood nu. Hij stierf in de week waarin hij voor het eerst in zijn leven met alle papieren van de sociale zekerheid in orde zou zijn geweest…

Bert Verminnen is dood en we kunnen alleen maar pijn hebben én bewondering om zoveel radicaliteit en om zoveel tederheid waarmee hij die trachtte te verwoorden…

Bert Verminnen is dood en zijn dood was opnieuw zo ontstellend helemaal van hem: weggaan op je werk omdat je je ziek voelt. Kilometers en kilometers vér lopen en dan gevonden worden, in het water, tas op de oever. Of nu jijzelf of je lijf beslist heeft dood te gaan, Bert, wat doet het ertoe. Voor jou was slechts één ding zeker: doodgaan doe je onderweg, op weg naar huis en naar nergens.

Marianne Van Kerkhoven

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#7

15.07.1984

14.10.1984

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).