Leestijd 3 — 6 minuten

1585

KNS, Antwerpen

Op 17 augustus 1585 werd door burgemeester Marnix van Sint-Aldegonde de overgave van dé stad Antwerpen aan de veldheer Alexander Farnese, landvoogd van de Spaanse koning Filips II, getekend. Hoewel het hier gaat om één van de meest rampzalige data in de geschiedenis van de Scheldestad – de helft van de bevolking, waaronder de mééste intellectuelen, emigreerde binnen de vier jaar naar het Noorden, de Scheldemonding bleef meer dan twee eeuwen gesloten – herdenkt officieel Antwerpen dit gebeuren op 17 augustus 1985 met veel luister.

Precies vier eeuwen later bezoekt de burgemeester van Amsterdam, Ed van Thijn, Antwerpen om er getuige te zijn van een historische stoet, een evocatie van de strijd rond de ‘brug van Farnese’ op het Bonapartedok, en van de creatie van 1585, een historisch toneelspel van Jan Christiaens, huisauteur van de KNS. Tegelijk biedt de herdenking de gelegenheid om een lans te breken voor de geestelijke verdraagzaamheid, belichaamd in de figuur van Marnix van Sint-Aldegonde, vertrouweling van prins Willem van Oranje, dichter en theoloog, militair tegen wil en dank. Dat in heel deze viering een onverholen sympathie voor de verslagenen doorklinkt, ligt voor de hand. Marnix van Sint-Aldegonde, en de geuzen in het algemeen, zijn een symbool geworden voor het vrij denken, ook voor de vrijzinnigheid, en wat dat betreft heeft Antwerpen, officieel en officieus, steeds een vooraanstaande plaats ingenomen in het politiek-culturele landschap van Vlaanderen. Bovendien blijft een ondertoon van bitterheid over de vergane glorie – Antwerpen, het New York of het Tokyo van de 16de eeuw – onderhuids aanwezig in de historische rhetoriek van de Antwerpenaren, in deze omstandigheden vertegenwoordigd door burgemeester Bob Cools.

In deze sfeer van geuzenromantiek en vrijzinnige nostalgie, waarin dit herdenkingsgebeuren baadt, is ook Jan Christiaens’ 1585 te situeren. 1585 is geen onderzoek naar de verhouding tussen geschiedenis en scène, en legt, behalve enkele algemeenheden, geen enkele band met het heden. 1585 wordt door Christiaens zelf een stripverhaal genoemd, maar dan wel in een heel stoffige stijl, en slecht getekend, zoals een recente aflevering van Suske en Wiske.

De vraag is of 1585 een geldige aanleiding is om een boom op te zetten over de theatrale behandeling van ‘grote gebeurtenissen’ uit het verleden, dan wel of je deze produktie moet beschouwen als een historische stoet die op de scène van de Stadsschouwburg toevallig tot stilstand is gekomen. Er staat echter in een persmededeling van de KNS een akelige zin: ‘Het lag beslist niet in zijn bedoeling een groots historisch drama te schrijven over deze gebeurtenissen (zoals bv. Schiller dat deed in Don Carlos, in welk stuk trouwens ettelijke loopjes zijn genomen met de historische waarheid). Jan Christiaens wilde enkel in een historische evocatie een eenvoudige en objectieve voorstelling van de werkelijkheid.’ Dergelijke verklaring klinkt, zeker na het bekijken van 1585, onwaarschijnlijk bot.

Als je Schiller zijn gebrek aan objectiviteit verwijt, dan mag je Shakespeare ook naar de prullenmand verwijzen, want daar klopt ook niets ‘objectiefs’ van. Bovendien lijken mij ‘eenvoud’ en ‘objectiviteit’ nauwelijks te verzoenen invalshoeken. De historische levensfeitelijkheid, zelfs als die objectief te representeren zou zijn, wat ik ten zeerste betwijfel, is niet eenvoudig. Zowel het standpunt van de superstructuren (Marnix en Farnese als helden van de tolerantie en de mildheid), als de visie van onderuit (de volksvrouw Dulle Griet, door Christiaens begiftigd met een Moeder Courage-achtig opportunisme, of de thematiek van Vonk, vuur en asse, het volksspel in de Westhoek over de Bos-geuzen) zijn discutabel, en allerminst tot een ‘eenvoudige voorstelling’ te reduceren. Waar in het recente theaterverleden geschiedenis als zodanig het voorwerp vormt van theatrale bedrijvigheid, en waar dit leidt tot sterk theater – ik denk bv. aan Brechts Galileo Galilei, Kipphardts Oppenheimer of Müllers Leben Gundlings – is steeds de vraag zelf, impliciet (de procesvorm in Oppenheimer) of expliciet (de fragmentatie in Leben Gundlings, naar de verhouding tussen theater en beschrijfbaar verleden (= geschiedenis) aan de orde. Met andere woorden: is de geschiedenis ‘thematiseerbaar’, en in tweede instantie ‘representeerbaar’? Meestal is het antwoord negatief, en dan kan je ofwel grijpen naar een moralisme zoals Robert Bolt bv. (A man for all seasons) of naar effectbejag (Peter Schaffers Amadeus). Maar zelfs al is dit het antwoord – d.w.z. een relatief oninteressante vorm van drama – dan is daar hoedanook de vraag gesteld.

Bij 1585 is er echter geen enkel probleem, laat staan een oplossing. 1585 is, zoals vermoed, een historische optocht die stil is blijven staan, en die bovendien slecht belicht, slecht aangekleed en slecht gecommentarieerd wordt. Zelfs de meest evidente vragen over accuratesse van kostuums, getrouwheid van de taal, zijn niet gesteld: op die manier ziet Herbert Flack(Farnese) eruit als een motorrijder, en Martin Van Zundert (Marnix) als een figurant op een verregend schuttersfeest.

1585 een ‘gemiste kans’ noemen is te vleiend, want ik vrees dat bij de KNS op geen enkel moment de wil heeft bestaan om even ernstig na te denken over dit soort onderneming. Het is vooral, naast andere uitdrukkingen van ressentiment, de zoveelste demonstratie van Antwerpse zelfingenomenheid, in en buiten het theater. Daar doet de bittere ondertoon van dit festijn – het blijft tenslotte gaan om een militaire nederlaag die gevierd wordt – geen afbreuk aan.

1585

auteur: Jan Christiaens;

gezelschap: KNS-Antwerpen;

regisseur: Dom. De Gruyter;

decors: John Bogaerts;

spelers: Martin Van Zundert, Herbert Flack, Julienne De Bruyn, e.a.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#12

19851015

19860114

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!