Zonder bloed – Inne Goris & Dominique Pauwels/LOD muziektheater

Door het lijden heen  

Een oorlog is voorbij, maar gaat onverminderd door in de hoofden van de betrokken partijen: wat rest is meer verwarring, wraaklust, een willekeurig moorden. Alessandro Baricco’s novelle Senza Sangue brengt twee mensen samen die slechts enkele seconden verleden delen, maar hun leven lang rond dat ene moment zijn blijven draaien. Zij (Lieve Meeussen), ooit een kind, verscholen onder een luik in de vloer terwijl haar vader en broertje meedogenloos werden afgeslacht. Hij (Johan Leysen), diegene van haar vaders moordcommando die als eerste zou hebben gevuurd. En te midden van dat alles: een intieme blik, hij die het nalaat ook haar te doden. Inne Goris en LOD ensceneren in hun nieuwe productie Zonder Bloed een ontmoeting, na jaren van gespannen stilte tussen beiden. Daarin blijken zowel tekst (Peter Verhelst), regie (Inne Goris) en compositie (Dominique Pauwels) in elk detail trouw aan de kleinheid van dat ene, onbegrijpelijke gebaar.

Zo plaatst deze voorstelling tegenover de mateloosheid van het oorlogsgeweld een taal zo versimpeld dat ze de dingen alleen nog wil omlijnen, een woordenschat enkel en alleen bereid om het hoogst noodzakelijke te dragen. Het is alsof Verhelst het gewelddadige teveel van een oorlog wil compenseren door zijn taal elke vorm van autonomie te ontzeggen, en daarmee elke mogelijkheid tot ontsporing. Om zoveel mogelijk betekenis te controleren, bedient hij zich daarvoor vooral van woorden met een minimale deining. Bovendien spreken monden, hoofden en lichamen alle op dezelfde toon, misschien de enige gepaste: de toon van een leven lang onverwerkt zwijgen. Het spreken dat eindelijk los breekt, bedient zich zo van een onwennige vastberadenheid, eenvoudig strak en gestript van al het overbodige. Hoewel die talige zuinigheid consequent is met de bedachtzame spaarzaamheid van gebaren en woorden die deze voorstelling lijkt te cultiveren, is het lang niet zeker dat Verhelsts tekst ook voorbij deze overweging kan overtuigen.

Zo ook lopen in het spoor van diezelfde talige vlakheid de gesproken dialoog, reflectieve bevindingen en descriptieve passages zonder onderscheid in elkaar over. Met deze ingreep, waarbij de tekst een deel van de actie overneemt en die omkaderende gebaren of overwegingen een zeker talig gewicht geeft, versterkt Goris de beladen intimiteit van het gesprek. Ook het overige materiaal op scène wijst in die richting: op een kleine tafel na – waarrond een vierkant zand beide gesprekspartners tot elkaar lijken te veroordelen – is het zwart glanzend speelvlak nagenoeg leeg. Wat buiten de gedeelde intimiteit van hun woorden plaatsvindt, refereert aan een verleden: het houten luik dat zich in projectie steeds ongezien vervormt, de schim van het meisje dat eerst letterlijk tussen hen in ligt, dan wat rondhangt aan de krijtwitte grenzen van heden en verleden. Haar fluisterende stem zingt steeds dezelfde bezwerende regel: “Buig je benen/krul je op/wees een schelpje dat zich sluit/en het licht gaat nu uit”. Hoewel dit lied zich aanvankelijk als herinnering lijkt aan te dienen, gaat het steeds compulsiever als gebod functioneren – ook al blijft de toon altijd even minzaam als troostend. Eens de bulderende geluidsband van de oorlog is uitgedoofd, bespeelt zo ook Pauwels’ minimale interventie – die misschien nog best kan omschreven worden als een vorm van muzikale interpunctie – datzelfde ingehouden register waarop de tekst voortdrijft.

Uiteindelijk staan daar – zowel als intern conflict als tussen hen in – tegenover elkaar: de brute kracht van de wraak en die stille, ontziende blik. Het is in de dialectiek van die tegenstelling dat beide levens opnieuw, en noodgedwongen, bij elkaar aanhaken om iets van betekenis vast te zetten. Cruciaal voor die ontmoeting lijkt een specifieke temporaliteit die de essentie van de wraak van binnenuit begrijpt: hoewel de tijd van de oorlog voorbij is, blijft die ook buiten dat kader om als iets onuitgesproken aandringen. Voortdurend ligt daar dan ook in tekst en beweging die mogelijkheid van ‘datgene dat moet gebeuren’. Zoals gezegd probeert ook het scènebeeld die temporele verhouding te vatten, met grenzen die steeds opzichtiger uitgesmeerd raken, alsof heden en verleden zich steeds intiemer verstrengelen. Uiteindelijk zal de voorstelling zelf een antwoord formuleren op het van binnenuit kloppende gebod tot vergelding – al gebeurt dat met een verrassende lichtheid. Zonder Bloed verzacht zo de wraak door het verleden te ontbinden op dezelfde onbegrijpelijke manier als deze voorstelling begon: binnen de contouren van een stille geborgenheid. Dat het een boodschap mag zijn die inspireert.

Gezien op 13 april 2016 (première) in Kaaitheater, Brussel

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

Jan-Jasper Persijn