© Ward Heirwegh

De zin en onzin van lokaal kunstenbeleid

Nabijheid tussen cultuur en bestuur: tussen bevrijding en doemscenario

Sinds 2016 komen de Vlaamse gelden uit het Decreet Lokaal Cultuurbeleid terecht in het Gemeentefonds. De ingreep kadert in een decentralisatie-operatie die zich op meerdere beleidsdomeinen voordoet, maar in voorliggend geval het Vlaamse kunstenbeleid definitief losmaakt van het lokale cultuurbeleid. Voor de cultuurcentra betekent dit een nieuwe verhouding tot hun bestuur, angsten én opportuniteiten incluis. Op een symbolisch niveau staat de ontkoppeling voor een fundamentele verschuiving in de Vlaamse visie op kunst- en cultuurbeleid.

Er roert wat in de cultuurcentra. Tijdens het afgelopen Theaterfestival was er een sectoroverleg waarin de VVC (Vereniging Vlaamse Cultuurcentra), oKo en Kunstenpunt de aanbieders en lokale afnemers van podiumkunsten samenbrachten om zich over hun gemeenschappelijke toekomst te beraden. Op tafel lagen de dalende spreidingscijfers voor professionele podiumkunsten die Kunstenpunt bij die gelegenheid naar buiten bracht. Onder de titel Blijspel of tragedie? Een toekomst voor de Vlaamse cultuurcentra kwam de VVC met een tekst die zowel noodkreet als utopie wilde zijn en waarin de rol van de cultuurcentra grondig werd herdacht.

Kort daarop verschenen het artikel van Wouter Hillaert omtrent de spreidingsproblematiek en de opiniestukken van theaterdirecteurs Stijn Devillé en Els De Bodt, die in het kielzog van de cijfers respectievelijk de lastige programmatiecontext en de weinig risicovolle programmatiekeuzes van de cultuurcentra op de korrel namen.

“De lokale besturen functioneren heel erg op continuïteit. Dat verhaal van alles of niets, zoals het in Nederland soms gebeurt, lijkt me in Vlaanderen ondenkbaar.”

Al deze kwesties leidden op 5 oktober in de Commissie Cultuur, Jeugd, Sport en Media (CJSM) tot een pittig debat tussen onder meer volksvertegenwoordigers Bart Caron (Groen) en Katia Segers (sp.a) enerzijds en minister van Cultuur Sven Gatz (Open Vld) anderzijds.11Blijspel of tragedie? Een toekomst voor de Vlaamse cultuurcentra is te lezen via cultuurcentra.be/standpunten. Het tweeluik Spreiden doet lijden?/Spread the new: acht strategieën voor een verruimde spreiding van Wouter Hillaert vind je terug op rekto:verso.be. Uw cultureel centrum is een supermarkt aan het worden van Stijn Devillé via focus.knack.be. Bang voor Niets van Els De Bodt verscheen op 7/9/2017 in De Standaard. Het verslag van het commissiedebat van de Commissie CJSM van 5/10/2017 lees je hier: vlaamsparlement.be/commissies/ commissievergaderingen/1192858/ verslag/1195815.

Maar waar draait al die zenuwachtigheid eigenlijk om? De aanleiding is gekend: sinds 2016 wordt het voorheen geoormerkte Vlaamse geld uit het Decreet Lokaal Cultuurbeleid rechtstreeks in het Gemeentefonds gestort, waarmee ook de verplichte ‘bestemming’ van deze gelden – onder meer het spreiden van professionele podiumkunsten – vervalt. Dat betekent dat de stad of gemeente sinds 2016 vrijelijk kan beschikken over het geld dat het anders ‘verplicht’ aan cultuur moest besteden.

De reden dat daar nu pas onrust over ontstaat, ligt in het feit dat de werking van de cultuurcentra verankerd is in het meerjarenplan – met de bijbehorende budgetten –v an de gemeente voor de lopende legislatuur. Maar na de gemeenteraadsverkiezingen van 2018, met mogelijk nieuwe schepenen van cultuur die bovendien bevrijd zijn van hun Vlaamse ‘waakhond’, is de toekenning van die middelen aan de cultuurcentra niet meer gegarandeerd.

Autonomisering van het lokale bestuur

Om het grotere plaatje in het vizier te krijgen, is het interessant het boek Over Bach, cement en de postbode (2017) van Miek De Kepper te raadplegen.22De Kepper, Miek, Over Bach, cement en de postbode, Pelckmans Pro, 2017. Wie deze gedetailleerde geschiedenis van vijftig jaar lokaal cultuurbeleid doorneemt, leest daarin dat Vlaanderen zijn culturele centra (nadien: cultuurcentra) in de jaren 1960 nauwgezet optuigt met infrastructuur, mensen en middelen vanuit een emancipatorische gedachte die wortelt in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Alleen het beste is goed genoeg: Vlaanderen regelt tot in de details de omstandigheden waarin de Vlaming ‘zijn’ cultuur kan beleven. De opdracht van de cultuurcentra is welomschreven: spreiding van hoogwaardige cultuurproducten en gemeenschapsvorming door ondersteuning van het lokale verenigingsleven en door diverse projecten.

© Ward Heirwegh

De sterk sturende hand van Vlaanderen zorgt de eerste decennia voor een kwaliteitssprong en een sterke professionalisering van het lokale cultuurleven, maar ook voor planlast en volgens sommigen voor ‘bemoeizucht’. In het kader van de opeenvolgende staatshervormingen komt het ook voor cultuur tot een decentralisatieproces, waarbij Vlaanderen gaandeweg zijn infrastructuur, zijn professionaliseringseisen voor de lokale cultuurambtenaren, de inhoudelijke opdracht en de daaraan gelinkte middelen opnieuw lost. Het Decreet Lokaal Cultuurbeleid uit 2001 raakt steeds verder uitgehold, tot het anno 2017 vrijwel niets meer reguleert. In die zin is de overheveling van het geoormerkte geld het logische sluitstuk van een al langer lopend proces van ‘autonomisering’ of ‘responsabilisering’ van de lokale besturen.

“Is het niet logischer om de functies ontwikkeling en productie, die moeilijker een eigen couleur locale hebben dan bijvoorbeeld participatie, over te laten aan de organisaties binnen het Kunstendecreet?”

Het is trouwens nodig meteen een kanttekening te maken bij de diverse realiteiten in het veld. Tussen de cultuurcentra onderling is het verschil groot: in schaal, in ligging, in bevolkingssamenstelling en niet het minst in de verhouding tot het bestuur. ‘Het’ cultuurcentrum bestaat niet, net zoals ook de bestuurscultuur van elke gemeente verschillend is. Sommige gemeentebesturen zullen het vanzelfsprekend vinden om de Vlaamse gelden opnieuw naar het cultuurcentrum te laten vloeien, andere zullen andere prioriteiten stellen. De impact van het Vlaamse decentralisatiebeleid zal niet overal dezelfde gevolgen hebben; dat maakt het voor de cultuurcentra moeilijk om op één lijn te gaan staan.

Doemscenario’s

In het licht van die diversiteit is de decentralisatieoperatie eigenlijk logisch: de Vlaamse regelgeving lijkt te generiek voor zulke verschillende contexten. Door de overheveling van de middelen kan elke gemeente nu eindelijk op maat werken van de culturele noden van haar eigen bevolking en haar eigen cultuurcentrum. Vlaanderen houdt de internationaal belangrijke Kunstinstellingen en de professionele kunstproducenten met supralokale uitstraling bij zich via het Kunstendecreet, en brengt de lokale cultuur terug naar het niveau waar het thuishoort: het lokale niveau. Maar die ‘nabijheid’ tussen cultuur en bestuur houdt ook risico’s in. We lijsten enkele veelgehoorde angsten op.

  1. ‘Kunst- of wegenwerken?’, kopte De Morgen in een bijdrage over de overheveling.33Verberckmoes, Yannick, ‘Kunst- of wegenwerken?’ in De Morgen van 14/4/2017. Het is wat kort door de bocht, maar theoretisch gezien bestaat de mogelijkheid dat de gemeente het Vlaamse geld besteedt aan andere zaken – cultuur is in nooddruftige tijden zelden prioritair. Daarmee hoeft het cultuurcentrum nog niet meteen de deuren te sluiten, want het Vlaamse geld maakte sowieso maar een deel uit van het totale werkingsbudget, stelt Miek De Kepper: ‘Ook vóór 2016 droegen de gemeenten al pakweg 50 procent van de kosten van het verhaal en soms ook meer, en ze hebben dat budget altijd geïnvesteerd. Wel is het zo dat door de financiële situatie van de gemeenten álle budgetten, ook die van cultuur, kritischer worden bevraagd.’44Alle citaten van Miek De Kepper zijn afkomstig uit een interview dat werd afgenomen op 9/10/2017.
    Personeels-, prospectie- en programmatiebudgetten staan in de huidige economische omstandigheden inderdaad onder druk, zo bevestigt een aantal directeurs. De kans is reëel dat steden en gemeenten nijpende tekorten zullen opvangen met geld dat ze voorheen aan cultuur uitgaven.
  2. Een tweede valkuil is het risico op inhoudelijke bemoeienis vanwege het lokale bestuur. Op de sporadische (en uitstervende) injecties van de provincie of wat privaat geld na hebben de cultuurcentra nu nog slechts één broodheer. Het is denkbaar dat de deels politiek samengestelde raden van bestuur meer zeggenschap opeisen over het aanbod. If mayors ruled the world… In het geval dat hun cultuurschepen zou vinden dat ze te ‘elitair’ programmeren, dat er meer zou moeten worden ingezet op zaalverhuur of dat de onrendabele scholenprogrammering moet worden afgebouwd, hebben de cultuurcentra nu geen paraplu meer. Het kan natuurlijk ook omgekeerd: een bevlogen schepen kan van ‘zijn’ cultuurcentrum een persoonlijk speerpunt maken. Crux is dat de cultuurcentra de speelbal dreigen te worden van lokale politieke ambities. Miek De Kepper gelooft echter niet dat het zo’n vaart zal lopen: ‘De schepen van cultuur speelt een belangrijke rol. Maar zware beslissingen worden door het hele college genomen. Een schepen die het cultuurcentrum niet genegen zou zijn, kan door het college gecorrigeerd worden, door zijn partij of door het middenveld. Het systeem voorziet in een aantal remmen.’ Wel erkent De Kepper dat de huidige economische en sociale uitdagingen de prioriteiten doen schuiven. ‘De opdrachten waarvoor de gemeenten zich zien gesteld, zijn groot: veiligheid, integratie, migratie, leefmilieu, armoede, … De maatschappelijke atmosfeer nu is wel degelijk anders dan bij het ontstaan van de cultuurcentra.’
  3. Er speelt een ‘mentale’ factor: het wegvallen van een gemeenschappelijke missie en niet het minst van het steunpunt Cultuur Lokaal (later LOCUS), dat de onderlinge afstemming en het gesprek tussen de cultuurcentra mogelijk maakte, plaatst de cultuurcentra meer dan ooit op hun eilandje – ‘eigen gemeente eerst’. En dat terwijl voor de intergemeentelijke samenwerkingen, waarvan er vandaag al een hoop dynamische voorbeelden bestaan (onder meer in het Waasland en in West-Vlaanderen), in de toekomst een cruciale rol is weggelegd, zo wordt in de tekst van de VVC gesteld. Wie om zich heen kijkt, ziet dat ‘de regio’ in opmars is, en niet alleen in politieke zin. Ook voor cultuurbeleid is de supralokale (of regionale) schaal een vruchtbaar niveau. De Kepper: ‘Op regioniveau lopen er een aantal waardevolle creatieprojecten die te groot zijn voor één gemeente, maar te lokaal om onder het Kunstendecreet te resideren. Vaak hebben ze te maken met de identiteit of thema’s van een specifeke streek: het Meetjesland, de Kempen… Door het ontmantelen van de provincies wat betreft de persoonsgebonden materies vallen de financieringsmogelijkheden voor deze projecten weg, tenzij ze kunnen genieten van de voorlopige overgangsregels.’ Voor een aantal initiatieven op provinciaal niveau wordt nog steeds koortsachtig naar oplossingen gezocht, in afwachting van het beloofde Regiodecreet, dat in 2020 in voege zou komen en waarin minister Gatz – hopelijk – een aantal stimuli zal opnemen voor bovengemeentelijke samen- werkingen rond kunst en cultuur.
  4. Last but not least is er het spreidingsdebat, zo oud als het bestaan van de cultuurcentra zelf, met in de kiem het con ict tussen dienstbaarheid (moet het cultuurcentrum er zijn voor het lokale verenigingsleven?) en volksverheffing (moet het cultuurcentrum er zijn om de ‘hoge kunsten’ onder de bevolking te (ver)spreiden?). Dat er een probleem is met de spreiding van de professionele podiumkunsten in de cultuurcentra lijken de cijfers van Kunstenpunt te bewijzen, maar volgens De Kepper is dat niet te wijten aan de inkanteling van het Vlaamse geld in het Gemeentefonds – het afkalven was al lang daarvóór bezig. Verantwoordelijk is een samenloop van meerdere factoren (zie ook Hillaerts analyse), waaronder de opkomst van het vrije circuit met zijn aanwas aan comedy, cabaret en BV-gerichte producties. Dat deze evolutie problemen oplevert voor de gezelschappen binnen het Kunstendecreet, die ook op spreiding worden beoordeeld, staat wel vast.

Veel van deze doemscenario’s spelen zich af in een hypothetische toekomst, zo voerde volksvertegenwoordiger Marius Meremans (N-VA) aan in het commissiedebat: ‘Ik heb die doemscenario’s al verschillende keren gehoord. Maar tot nu toe heb ik er nog geen enkel bewijs van.’55Zie het commissiedebat van de Commissie CJSM van 5/10/2017.
Ook De Kepper begrijpt de bezorgdheid, maar meent dat de impact van de Vlaamse beleidswijzigingen op de lokale situatie moet worden gerelativeerd: ‘De wetgeving rond de cultuurcentra is nooit zo impactvol geweest als men in de kunstensector wel denkt. De spreiding van kunst was bijvoorbeeld maar een van de vier opdrachten die een cultuurcentrum diende te vervullen. In principe kunnen na 2018 cultuurcentra omgevormd worden tot bejaardencentra, ja, maar de kans is klein dat dat gebeurt. De lokale besturen functioneren heel erg op continuïteit. Dat verhaal van alles of niets, zoals het in Nederland soms gebeurt, lijkt me in Vlaanderen ondenkbaar.’

“Heeft Geel dan geen recht op Rosas? Is Eeklo niet klaar voor Abattoir Fermé? Zou er in die kleinere steden en gemeenten dan echt geen lokaal publiek voor de kunsten te werven vallen?”

Toch zou het, alle hysterie terzijde, kortzichtig zijn om niet op de mogelijke problemen te anticiperen – zodra de nieuwe coalities zijn gevormd en de gemeentelijke beleidsplannen opgemaakt, is het te laat om te beginnen praten. Het gaat daarbij over veel meer dan over geld. Onder de evidente angst van de cultuurcentra om fondsen te verliezen sluimert de onzekerheid over hun toekomstige rol én over de aard van het cultuurbeleid tout court. In die zin rijst de vraag wat die hele decentralisatie eigenlijk betekent. Zoals De Kepper aangeeft kadert ze in een liberaal denken over bestuur in termen van governance in plaats van government: het beleid wordt niet meer exclusief door de overheid ‘gemaakt’ maar komt tot stand in een netwerk van meerdere spelers (verschillende overheidsniveaus, middenveld, bedrijven, burgers) die elk hun verantwoordelijkheid opnemen.66De Kepper, Miek, Over Bach, cement en de postbode, p. 285. De overheid treedt binnen dit netwerk op in de bescheiden rol van regisseur. De Big Society is niet veraf, maar zoals we weten is dat een society waarin de grens tussen ‘responsabiliseren’ en ‘aan zijn lot overlaten’ flinterdun is. Hoewel minister Gatz zich in De Standaard van 21 september haastte om zijn engagement tegenover de cultuurcentra te benadrukken (‘We laten de cultuurcentra zeker niet los’)77Tielens, Filip, ‘We laten de cultuurcentra zeker niet los’, in De Standaard, 21/9/2017. blijft de perceptie dat Vlaanderen zijn handen aftrekt van de lokale cultuur. De inkanteling is de ultieme ‘knip’, de doorbreking van de al sterk verslapte banden tussen het Vlaamse kunstenbeleid en het lokale cultuurbeleid. Op de ideologische betekenis van die boedelscheiding komen we straks terug.

Naar een nieuwe rol voor de cultuurcentra?

Laten we eerst onderzoeken hoe die nieuwe autonomie van een andere, meer positieve kant bekeken zou kunnen worden. ‘Bevrijd’ als de cultuurcentra nu zijn van hun historische Vlaamse opdracht, kunnen ze andere rollen gaan spelen, nieuwe functies gaan vervullen, naargelang de vraag die uitgaat van de specifieke lokale context. De teksten van de VVC en van Wouter Hillaert wijzen op de opportuniteiten om ‘van een kwantitatief spreidingsmodel echt de sprong te maken naar een kwalitatief samenwerkingsmodel’.88Hillaert, Wouter, ‘Spread the new: acht strategieën voor een verruimde spreiding’. Daarbij gaat het om een op-maat-samenwerking tussen het cultuurcentrum, de lokale gemeenschap en de (lokale) kunstenaar. In de tekst van de VVC klinkt dat zo: ‘Het cultuurcentrum overstijgt de rol van louter infrastructuurleverancier voor (inter)nationale kunstproducties en lokale (cultuur)verenigingen, maar is tevens een initiator en mede-actor in het aangaan van zowel nieuwe allianties (culturele actoren en buiten de sector) als in de zoektocht naar vernieuwde modellen in het omgaan met de aloude allianties (zoals scholen en verenigingen).’99In ‘Blijspel of tragedie? Een toekomst voor de Vlaamse cultuurcentra’. Korter gezegd gaat het om de transformatie ‘van zalencomplex tot creatieve hub’.1010Idem. Om te beginnen kan het cultuurcentrum daarmee zijn relevantie op lokaal vlak versterken. Als een drietrapsraket schiet de tekst vervolgens door van het lokale cement naar regionale en interregionale verbindingen. Het centrale idee is dat de cultuurcentra zich, door de krachten te bundelen, de hele keten van de kunstproductie eigen kunnen maken: van idee tot uitvoering, van ontwikkeling en productie tot presentatie, reflectie en participatie – de functies zoals die ook in het Kunstendecreet zijn gedefinieerd.

© Ward Heirwegh

Dat is inderdaad een nieuwe, actieve opdracht, die sterk afwijkt van de eerder ‘passieve’ spreidings- en gemeenschapsvormende opdracht die de cultuurcentra historisch gezien in het DNA dragen. Voor een deel is die evolutie al gaande, met het Dommelhof in Neerpelt als typevoorbeeld: opgestart als allereerste cultureel centrum (in 1967) met een focus op vorming en experimenteel theater noemt het zichzelf bij zijn vijftigste verjaardag een ‘creatiecentrum’. Stijn Devillé benoemde in zijn opiniestuk die verruimde rol als ‘lokaal curatorschap’. De vraag is in hoeverre het ‘lokale’ aspect bewaakt blijft – of er een duidelijk aanwijsbare band blijft tussen de initiatieven van het cultuurcentrum en de lokale gemeenschap. Bij participatieve projecten spreekt dat voor zich, maar wat bijvoorbeeld met de residentenwerking, zoals die zich nu al ontplooit in grote centra in pakweg Oostende, Genk en Leuven? In hoeverre verschilt deze werking nog van de activiteiten van de (ex-) kunsten- centra en werkplaatsen uit het Kunstendecreet, voor wie ontwikkeling en productie de corebusiness is?

Er doet zich wat betreft de ‘jacht op de jonge talenten’ nu al de merkwaardige paradox voor dat de race om de beloftevolste jonge theatertalenten leidt tot vroegtijdige ‘cherrypicking’ op de scholen, terwijl er naast die bright young stars talloze jonge kunstenaars (of minder jonge, want vooral de generatie dertigers-veertigers heeft het moeilijk) uit de boot vallen. Willen we aan die race de cultuurcentra als nieuwe concurrenten toevoegen? Hillaert citeert Veerle Van Schoelant van 30CC: ‘Het zijn toch niet enkel de kunstencentra die het privilege hebben op innoverende projecten? Wij hebben een maatschappelijke taak en die gaat verder dan louter presenteren. Je wil je daar als cultuurcentrum mee op profileren.’1111Hillaert, Wouter, in: ‘Spreiden doet lijden?’.

Een tweede vraag is waar het geld vandaan moet komen waarmee de cultuurcentra die taken van coproductie, cocreatie en participatie willen opnemen. Uit hun werkingsmiddelen, allicht, die de komende jaren met grote waarschijnlijkheid niet zullen toenemen. Maar je kunt elke euro maar één keer uitgeven, zoals elke goede huisvader weet. Een cultuurcentrum dat residenten ondersteunt, houdt minder over om receptief te spreiden.Tenzij het cultuurcentrum natuurlijk extra middelen aanvraagt via de projectenpot van het Kunstendecreet – maar daarmee dreigt de druk, die nu al absurd hoog is, nog toe te nemen. De VVC stelt duidelijk dat dit niet de bedoeling kan zijn, maar opnieuw: is het niet logischer om de functies ontwikkeling en productie, die moeilijker een eigen couleur locale hebben dan bijvoorbeeld participatie, over te laten aan de organisaties binnen het Kunstendecreet, in plaats van de concurrentie met deze organisaties aan te gaan? Als de kunstencentra en werkplaatsen te zeer ondergefinancierd zijn om die taak te vervullen, lijkt het zaak dat debat op te nemen met de subsidiërende Vlaamse overheid, eerder dan dat het lokale cultuurcentrum inspringt als ‘doekje voor het bloeden’.

“Programmeer in een klein centrum maar eens hedendaagse dans, met vijf man in de zaal, terwijl ze vijf kilometer verder hetzelfde proberen. Onzin: leg dan een bus in naar Gent.”

Een laatste vaststelling, opnieuw in het kader van de grote verschillen tussen de cultuurcentra, is dat niet elk cultuurcentrum expertise in huis heeft om dat soort creatie-, participatie- of ontwikkelingstrajecten terdege te begeleiden. De tekst van de VVC mikt wat dat betreft op bovenlokale samenwerkingen met de grotere centra, waar vaak de meeste ervaring en knowhow zitten. De VVC geeft echter zelf ook aan dat deze samenwerkingen vaak stoten op tegenstand van het lokale beleid, dat het geld graag naar de eigen gemeente ziet gaan. Bovendien stelt dit soort ‘procesbegeleiding’ zelfs in de grotere cultuurcentra de taakomschrijvingen van het personeel op de proef, zeker nu een hele generatie ervaren pioniers van de cultuurcentra met pensioen gaat.

Deze bedenkingen impliceren niet dat alles bij het oude moet blijven – de evolutie naar een dynamischer profiel voor de cultuurcentra is in de praktijk overigens volop bezig, zoals het voorbeeld van Neerpelt bewijst. Miek De Kepper is het er mee eens dat het cultuurcentrum zijn werking moet ‘updaten’ aan de huidige noden, maar twijfelt of het bijvoorbeeld moet inzetten op creatie. De Kepper: ‘Ik ben geneigd om te zeggen “Blijf bij je eigen DNA”. Met dien verstande dat je zoekt naar een manier om de oorspronkelijke opdracht rond spreiding en volksverheffing, of noem het hedendaags ‘empowerment’, mee te nemen in deze tijd. Initiatieven rond participatie lijken me perfect bij die noden aan te sluiten, maar de pure creatie… daar heb ik vragen bij.
Ik denk dat dit, gezien de vereiste financiële middelen, tijd en deskundigheid, vooral in de grootste centra zal gebeuren en verder eerder uitzonderlijk als er een specifieke aanleiding of noodzaak toe is.’

Wat met volksverheffing?

Het is zinvol om even stil te staan bij de term ‘volksverheffing’. Naast De Kepper nemen Els De Bodt, Stijn Devillé en in het debat met minister Gatz ook volksvertegenwoordiger Bart Caron (Groen) het woord in de mond. Het heeft de oubollige, autoritaire bijklank van een top-downbeleid, maar misschien zorgt net dat in deze context wel voor een gezond tegenwicht. Natuurlijk is een dynamisch lokaal cultuurveld toe te juichen, maar het begint er zo langzamerhand op te lijken dat het idee van ‘lokaal curatorschap’ de alfa en omega is van het lokale cultuurbeleid, vervat in termen als ‘betrokkenheid’, ‘participatie’, ‘samenwerking’, ‘co-creatie’, … Is het niet, naast het op maat werken van de lokale noden en verlangens, ook de taak van een overheid om haar burgers de weg te wijzen naar wat niet eigen is, naar wat vreemd is, ongekend, naar datgene waarnaar ze uit zichzelf misschien nooit gezocht zouden hebben? Is er lokaal nog plaats voor een kunstenbeleid dat afstand houdt tot die burger, dat zich bezighoudt met wat niet ‘op maat gesneden’ is, maar zich juist – om een term van socioloog Pascal Gielen te gebruiken – in de onmaat bevindt?1212Gielen, Pascal, et al., onderzoeksrapport ‘De waarde van cultuur’, april 2014, CJSM, te downloaden via vlaanderen.be/nl/ publicaties/detail/de-waarde-van- cultuur.

Erwin Mortier schreef in 2006, bij het aantreden van minister Anciaux, een scherp artikel waarin hij stelde dat ‘in een democratie de door wetten gewaarborgde afstand tussen de macht en zijn uitoefening minstens even essentieel is als de volkswil.’1313Mortier, Erwin, ‘De kunst om nee te zeggen’, via rekto:verso.be. Ik lees in het aftuigen van een centralistisch beleid rond kunst en cultuur een oprechte bezorgdheid om dat beleid dichter bij de burger te brengen, maar evengoed houdt die beweging een populistisch risico in. Op het lokale niveau bevindt zich de meest directe vorm van macht. Een partij die de ‘stem van het volk’ meent te vertolken heeft er alle baat bij ook in zijn cultuurbeleid zo dicht mogelijk bij dat ‘volk’ te gaan staan. De vraag wordt dan enkel: wat wil de burger zien in zijn cultuurcentrum?
En niet: wat vindt een hele samenleving belangrijk dat er te zien is in een cultuurcentrum? De kwestie rond de cultuurcentra is trouwens niet de enige aanwijzing dat het Vlaamse beleid, van oudsher aanbod-gestuurd, verschuift naar een grotere vraaggerichtheid. Recent nog werd cultuurmarketeer CultuurNet Vlaanderen herdoopt tot publiq, alsof zijn opdracht alleen nog ligt bij het in beeld brengen van de wensen en verlangens van dat publiek. Mortier: ‘De kunsten lopen in het huidige klimaat voortdurend het gevaar dat hun publieke belang niet alleen wordt gelijkgesteld met het belang van het publiek, maar vooral dat men hun publieke belang als identiek of in een directe zin complementair ziet aan het publieke belang van de politiek.’1414Idem.

Mag er meer lokaal cultureel initiatief zijn? Natuurlijk! Maar niet alleen dat. Met de overheveling van de Vlaamse gelden houdt de Vlaamse gemeenschap geen enkele tool meer in handen om de ‘moeilijke’ kunsten tot in de kleinere steden en gemeenten te brengen in het kader van een, zeg maar, lokaal kunstenbeleid. De mogelijkheid daarvan lijkt door sommigen tout court al opgegeven. In het artikel van Hillaert heeft David Bauwens van Ontroerend Goed het over het inefficiënte ‘dagjesprogrammeren’ en ook de tekst van de VVC bepleit een meer centralistische aanpak met het inleggen van bussen vanuit de kleinere steden en gemeenten naar de centrumsteden. Miek De Kepper onderschrijft eveneens die regionale strategie: ‘Het gaat erom dat zowel de kunstenaar of uitvoerder als het publiek recht heeft op een optimale beleving. Programmeer in een klein centrum maar eens hedendaagse dans, met vijf man in de zaal, terwijl ze vijf kilometer verder hetzelfde proberen. Onzin: leg dan een bus in naar Gent. Er zijn veel podia, maar er zijn niet veel podia waar je op een kwaliteitsvolle manier tot het uiterste kunt gaan.’

De argumenten van ecologische, financiële en productionele aard wegen zwaar. Maar dat doet de ’30 kilometer’-regel ook, die stelt dat de Vlaming zich voor zijn cultuurbeleving zelden verder verplaatst dan binnen een straal van 30 kilometer rond zijn woonplaats. Heeft Geel dan geen recht op Rosas? Is Eeklo niet klaar voor Abattoir Fermé? Zou er in die kleinere steden en gemeenten dan echt geen lokaal publiek voor de kunsten te werven vallen? Te werven, of, om nog maar eens een verdoemd woord te gebruiken, op te voeden? Bart Caron merkt op dat ook die educatieve gedachte tot het DNA van de cultuurcentra behoort: ‘Gedreven programmatoren van cultuurcentra willen het publiek dat stapje verder laten zetten, voorstellingen laten zien die ze nog niet of nog niet goed kennen. Dat pedagogische aspect is altijd in de centra aanwezig geweest, al lijkt het wat op de achtergrond geraakt.’ De Kepper is sceptisch, wijst op de grenzen van de toeleiding: ‘Ik ben een fan van de bemiddelingsgedachte, maar je kunt die taak niet op elke schaal oppakken. Ik was jarenlang directeur van het cultuurcentrum in Bierbeek. Ik heb daar véél geprobeerd, maar op een gegeven moment heb ik, zeer tegen mijn zin, moeten toegeven dat je sommige dingen gewoon beter in Leuven programmeert.’

Oké, dat is een realitycheck. De Kepper ziet voor kleinere gemeenten wél mogelijkheden in de integratie met bredere formats als een festival, een breed stadsproject, een toerismetraject… Binnen zo’n format is een groot en breed publiek gegarandeerd en kunnen de kunsten een plek krijgen als prikkelende smaakmaker. Ook de creatieve strategieën die Hillaert in zijn artikel opsomt, wijzen in die richting: het zoeken naar bijzondere locaties, het bedenken van originele presentatieformats et cetera. Sowieso zijn het allemaal strategieën die moeite, tijd en geld kosten, maar ze zijn zinvoller dan het simpelweg opgeven van de poging om de kunsten tot in de kleinere steden en gemeenten te brengen. Het gaat er uiteindelijk om ook daar de onmaat niet uit de weg te gaan.
De lokale gemeenschap heeft naast de knusse nabijheid van het vertrouwde evengoed recht op het vergezicht van wat misschien niét meteen binnen handbereik ligt.

beleid
Leestijd 14 — 17 minuten

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.