Wouter Deprez

Wouter Deprez en Wim Helsen nemen hun publiek op de korrel

Marc Holthof zag dit voorjaar twee verschillende komieken (Wouter Deprez en Wim Helsen) in twee zeer verschillende voorstellingen (Hier is wat ik denk en Spijtig spijtig spijtig), op twee diverse plekken (Brugge en Merksem). En twee keer de vraag: waar gaat het hier eigenlijk over? Over meer dan u denkt, wanneer u breed lachend de zaal verlaat.

Stand-upcomedians zijn dezer dagen bijzonder populair. Dankzij programma’s als Canvas’ Comedy Casino zijn onder meer Wim Helsen, Wouter Deprez, Alex Agnew en Nigel Williams bekende Vlamingen geworden. Televisie, kranten en weekbladen doen interviews met hen, ook over dingen die niets met comedy te maken hebben. Soms lijkt het alsof een hele generatie Vlamingen nog enkel is geïnteresseerd in comedy.

Comedy is dan ook een interessant en ernstig onderwerp. Veel meer dan die andere rage van het moment: koken. Claude Lévi-Strauss’ theorieën over ‘le cru’ et ‘le cuit’ ten spijt getuigt vandaag comedy, veel meer dan koken, van het laatste dat ons rest aan ‘beschaving’. De stand-upcomedians van vandaag zeggen iets over deze wereld, ze hebben er een mening over. Het is alsof ze willen bewijzen dat de komedie nog altijd (potentieel) zwaarwichtig is, net zoals indertijd bij de oude Grieken. Een komedie is niet (alleen) om mee te lachen. Ze dient om op te luchten, als tegengif voor de dagdagelijkse sleur, ze dient om problemen weg te lachen. Maar ook om ze aan te kaarten.

Bij de oude Grieken was de komedie de tegenpool van de tragedie. Een tragedie toont een conflict waarin twee partijen tegenover elkaar staan die elk hun eigen grote gelijk hebben (de wet zowel als het individu, Kreoon zowel als Antigone). Precies het feit dat elk van hen het gelijk (in de een of andere vorm) aan zijn zijde heeft, zorgt voor het tragische element. In een komedie daarentegen heeft niemand gelijk en wordt iedereen, held of nietsnut, arm of rijk, over de hekel gehaald.

Wie de wereld komisch wil bekijken, moet dan ook afstand nemen van het eigen grote gelijk, en de wereld beschouwen ‘with dis-tachment’, vanop een afstand. Die afstand is in Hier is wat ik denk, de nieuwe voorstelling van Wouter Deprez, letterlijk te nemen. Je kan hem meten in kilometers, vlieguren of ‘frequent flyer miles’. Het is namelijk de afstand tussen Zuid-Afrika en Vlaanderen. Na in 2008 de mooie voorstelling Je zal alles worden te hebben gemaakt (nu uit op dvd) en in 2011 Maanziek met Wannes Cappelle, nam Wouter Deprez een sabbatjaar en volgde zijn vrouw naar Plettenberg, aan de westkust van Zuid-Afrika. En dat gaf hem meteen een prima uitkijkpositie om Vlaanderen vanop grote afstand te bekijken in zijn vijfde soloshow.

1

Wouter Deprez, Hier is wat ik denk

Concertgebouw Brugge, 7 april 2013

Twaalfhonderd man, waaronder ondergetekende, wachten in het nokvolle Concertgebouw Brugge op zondag 7 april rond 20 uur tot het zaallicht dooft en de voorstelling begint. Geregeld zal het licht in de zaal terug aangaan. Niet omdat het alweer pauze is (er is er geen), neen, wel omdat wij – het publiek – meespelen. Wij willen niet alleen Wouter zien, Wouter wil ook ons zien. Want het publiek is een heuse tegenspeler, een tegenpool, een antagonist in deze voorstelling.

Deprez pakt het publiek rechtstreeks aan, pikt er enkele Chinese vrijwilligers uit die hij ondervraagt over hun leven, beroep en hobby’s (die avond in Brugge blijken de ondervraagden vaak ingenieur te zijn of daarvoor te studeren). Het lijkt risicovol voor een comedian om het levensverhaal van een willekeurig iemand uit het publiek mee het verloop van de show te laten bepalen. Maar het is een berekend risico. Want eigenlijk staat Deprez voor de zaal zoals een kind voor een kermiskraam waar het ‘altijd prijs’ is. Hij hoeft maar een willekeurig iemand aan te duiden en hij weet dat hij beet heeft, hij weet welk verhaaltje hij te horen gaat krijgen.

Het leven en de aspiraties van de doorsnee Vlaming zijn immers perfect voorspelbaar: trouwen, kinderen, huisje, tuintje. Vijftien jaar hard werken en nog eens werken. Steeds minder en minder seks. Scheiden. Een nieuw lief. En dan alles van vooraf aan opnieuw. En zo voort, ‘till death do us part’. Zo was het ook die avond in het Concertgebouw Brugge. En zo is het ongetwijfeld elke avond in de lange reeks voorstellingen die Deprez speelt.

Het is die voorspelbare Vlaming die Deprez op de korrel neemt, die hij uitdaagt, aan wie hij lastige vragen gaat stellen. Bijvoorbeeld: ‘Wie kijkt er naar porno? Wie durft er toegeven dat hij naar porno kijkt?’ Niemand van de twaalfhonderd mannen (en vrouwen) in het Concertgebouw steekt zijn (haar) vinger op. Wat bij Deprez de respons uitlokt: ‘De Vlaming geeft nog liever toe dat hij een driejarige vingert dan dat hij toegeeft dat hij naar porno kijkt.’

De Vlaming is hypocriet over seks. Maar hij is nog hypocrieter over geld: daarover wordt helemaal niets toegegeven: het is een nog groter taboe dan de prestaties in bed. Heeft iemand zijn werk verloren door de crisis? Zo daagt Deprez zijn publiek uit. Niemand reageert. Terecht waarschijnlijk: zo goedkoop zijn de tickets van deze show niet. Wie zijn werk verloren heeft door de crisis, kan zich dit soort avondje niet permitteren. Wie niet tot de bange, blanke middenklasse behoort, heeft er gewoon geen zin in.

Rijk

In het verleden maakte Deprez sommige grappen ‘omdat ik graag wilde dat u (het publiek) me sympathiek vond. In de nieuwe show zeg ik gewoon eens eerlijk wat ik denk’. Deprez heeft het over de economische crisis in Europa en bekijkt die vanuit het gezichtspunt van het verre Zuid-Afrika. Hij stelt zich voor dat de zaak hier zo erg is dat als hij terugkomt de euro zal verdwenen zijn, samen met onze sociale zekerheid. Dat er soep bedeeld wordt op straat, de eerste minister vermoord en verkracht is (in die volgorde). Maar wanneer hij terug is in Vlaanderen, blijkt er nauwelijks iets aan de hand te zijn. Ford Genk sluit, maar dat belet niet dat met de kerstdagen het record voor elektronisch betalingsverkeer is gebroken.

Vlaanderen is rijk (waarschijnlijk rijker dan ooit). Maar de solidariteit is verder te zoeken dan ooit. In Zuid-Afrika heeft Deprez de begrafenis van de vader van een arme kennis betaald, een begrafenis die uitgroeide tot een heus feest. Deprez zelf kon daarbij overigens een typisch Vlaamse reflex niet onderdrukken: ‘Ga ik nu echt die begrafenis betalen? En hoe veel gaan er hier het komende jaar nog doodvallen?’

Deprez bespeelt virtuoos zijn publiek. Hij creëert medeplichtigheid door (tenminste binnen de eigen provincie) onvervalst West-Vlaams te spreken. En het publiek in Brugge geniet. Hij is een van hen, hij spreekt hun taal. Maar tegelijk houdt hij hen, vanuit Zuid-Afrika, een spiegel voor. Zo stelt Deprez een aantal draconische maatregelen voor om het aantal gepensioneerden hier te doen dalen. Naar analogie met Zuid-Afrika, waar de pensioenleeftijd op zestig ligt – maar de gemiddelde levensverwachting… tweeënvijftig is.

Met verve steekt hij een tirade af tegen de valse veiligheid die verzekeringen bieden. Hij laat zich alle mogelijke verzekeringen aansmeren om toch maar dat valse gevoel van veiligheid te krijgen. ‘Het is in Zuid-Afrika misschien wel onveiliger dan bij ons, maar zij hebben tenminste ons onveiligheidsgevoel niet’, merkt hij op.

Of er is het verhaal waarin hij met zijn vrouw bij de dokter moet omdat hun nog ongeboren tweede kind vijftien procent kans zou hebben om gehandicapt geboren te worden. De dokter stelt abortus voor, ondanks de vrij lage kans dat er iets mis is. Deprez weet echter uit een enquête dat gehandicapten een gelukkiger leven leiden dan de doorsnee Vlaming. Meteen keert hij de zaak virtuoos om en ‘betreurt’ hij het dat zijn kind bij de geboorte compleet normaal blijkt. Nu zal het allicht een normale, dus malcontente, Vlaming worden.

‘Umwertung aller Werte’ noemde Nietzsche dat, en een stand-upcomedian als Wouter Deprez is daar erg goed in – of toch voor eventjes. Zo jaagt Deprez de feministen in het publiek tegen zich in het harnas met enkele vrouwonvriendelijke uitspraken. Maar het is een list waar de dames blindelings in trappen. Wanneer het rumoer aanzwelt, roept hij plots ‘wacht even’ en doet een virtuoze ‘volte-face’ die het protest dadelijk doet verstommen: wij hebben hem verkeerd begrepen, hij blijkt de perfecte huisman.

Orgie

Hier is wat ik denk is een vrolijke, vriendelijke, maar niettemin messcherpe analyse van wat er in de ‘kazemat Vlaanderen’ van ‘fort Europa’ allemaal mis gaat, wat betreft taboes (seks, geld), het egoïsme, de stress, de angst, het populisme en het hokjesdenken. Het publiek kijkt ernaar en lacht ermee. Het is het er allicht zelfs mee eens, want veel meer dan het scherp verwoorden van ‘anders gaan leven’ doet Deprez niet. En wie wil dat niet? Of toch in theorie.

Deprez is het best in de tirades waarin hij alles geeft en zijn grappen tot hyperbolische dimensies opblaast. Zo het slot van de show, een heuse neuk- (of in Deprez’ dialect: poep-) utopie die moet eindigen in een grote orgie of ‘poepmanifestatie’ in het Jubelpark. Als boze reactie op het feit dat de Vlaming ‘een goed gesprek prefereert boven seks’ (een van de bevindingen van een dwaze seksenquête), zet Deprez de hele zaal aan om het alvast met elkaar te doen. Er gebeurt natuurlijk helemaal niets (het publiek lacht groen bij de gedachte dat het zijn vreemde buurman of -vrouw zelfs maar zou moeten aanraken). Er stijgt enkel een ongemakkelijke lach uit de zaal op. En het is deze keer geen onschuldige lach. Het is het soort lach dat elke utopie doodt. Het is het soort lach dat zegt: ‘Hij – Wouter Deprez – meent het niet. Hij is een komiek. En komieken mogen gelijk hebben, maar wij kunnen dat gelijk altijd zonder meer weg-lachen.’

Deprez heeft overschot van gelijk als hij de benepen Vlaamse mentaliteit van vandaag hekelt (en iedereen in de zaal beseft dat ook). Maar achteraf drinkt men een glas, doet men een plas en alles blijft spreekwoordelijk zoals het was. De gepensioneerde verzamelt nog altijd ‘Italiaanse strips voor volwassenen’. Het koppel prille dertigers stort zich nog altijd in de schulden in hun ijver tot de middenklasse te behoren. Hoewel Deprez hen heeft gewaarschuwd dat als hun huis afbetaald is, het niets meer waard zal zijn. Hij weet het, zij weten het, wij weten het. En toch gebeurt er niets, we doen gewoon voort zoals we bezig zijn…

Intermezzo:

het krukje links op de bühne

Een stand-upcomedian heeft niet veel attributen nodig. Een podium, een microfoon en wat belichting – dat is het. Veel meer gebruikt ook Wouter Deprez niet. Hij treedt aan tegen een donkere achtergrond waartegen wat rode lichtjes prijken. Heel sober. Er zijn wat lichteffecten die bij de sfeer van de voorstelling passen. Meer dan een kruk met een glaasje water en een moppenboekje waarnaar hij af en toe teruggrijpt is op scène niet aanwezig. Het belangrijkste effect is het geregeld aansteken van het zaallicht – zodat het publiek zichtbaar wordt en Deprez er zijn slachtoffers kan uitpikken.

Ook bij Wim Helsen is het decor zo goed als leeg, op het onvermijdelijke attribuut van de stand-upcomedian na: links op scène een houten kubus met daarop een glaasje water en een spiekbriefje. De kubus wordt verder in de voorstelling de wc-pot waarop Helsen zich terugtrekt. Rechtopstaande tl-lampen tegen de achtergrond suggereren een weg of een wachtrij. Boven het toneel hangt een vierkant met tl-lampen. Zij verlichten het toilet waar zich het grootste deel van de handeling zal afspelen. Het wordt door Helsen met plakband afgemeten op de vloer terwijl hij met de voorstelling bezig is (en zonder te verklaren wat hij aan het doen is). Met een minimum aan attributen weet hij zo op de lege bühne feilloos de beklemmende sfeer van een cafétoilet op te roepen.

2

Wim Helsen, Spijtig spijtig spijtig

cc Merksem, 10 april 2013

Toch spijtig van al dat geweld

en van de euro

en dat de economie achteruitgaat.

Spijtig ook van de bankencrisis

en dat er nog altijd mensen criminele feiten plegen

om allerhande redenen

zoals bijvoorbeeld slecht karakter.

Maar ook spijtig van dat religieus extremisme

met al zijn ontploffingen en afgunst

en van politiek extremisme

en van dictators en verdrukking.

En nu ik eraan denk:

spijtig eigenlijk dat politiekers zoveel met politiek bezig zijn

in plaats van met ons.

Spijtig zeg.

Spijtig dat we dat niet weten.

Spijtig spijtig spijtig.

Spijtig genoeg (of misschien ook niet) was er begin april jongstleden weinig over van dit tekstje waarmee Wim Helsen de voorstellingsreeks aankondigde die na de try-outs van vorig jaar in januari begonnen was. Dit soort optredens verandert nu eenmaal in de loop van de reeks. Spijtig genoeg leek daarmee ook (althans op het eerste gezicht) veel van de sociale betrokkenheid verdwenen die op Helsens webpagina beloofd werd. En ook al spijtig (of misschien toch weer niet) ligt de voorstelling van Helsen daarmee flink wat verder weg van die van Wouter Deprez dan op het eerste gezicht leek.

Van het wervende webtekstje blijft in de voorstelling – al dan niet met opzet – vooral dit (nog ongeciteerde) fragment over:

Toch spijtig dat…

…wij zoveel met onszelf [bezig zijn]

en met al onze moeilijke problemen

in plaats van

ja in plaats van wat eigenlijk?

Spijtig zeg.

Spijtig dat we dat niet weten.

Maar precies met dit solipsisme, dit narcisme boort Wim Helsen naar de essentie van wat er mis is met deze tijd: dat wij vooral met onszelf bezig zijn. Anders dan Wouter Deprez, die met één been in Zuid-Afrika staat, gaat Helsen dat solipsisme met een ongemene zin voor ironie belichamen – tot in, en ver voorbij, het absurde.

Moedwil en misverstand

‘Just a soul whose intentions are good, don’t let me be misunderstood’, zingt Nina Simone op een bepaald moment in de voorstelling. Haar songtekst vat perfect de voorstelling samen. Het ego van de misbegrepen performer staat centraal, of beter: lijkt centraal te staan. Spijtig spijtig spijtig is het verhaal van een inkrimpend, in zichzelf terugkruipend ego. Letterlijk. Want in de fictie die het lege toneel vult brengt Helsen een groot deel van de voorstelling door op een cafétoilet waar hij niet durft uitkomen en waarvan hij de deur gebarricadeerd houdt.

‘Hier ben ik’, roept Helsen wanneer hij huppelend de scène opkomt. Beleefd applaus. Meteen het eerste (gespeelde) misverstand met het publiek, want Helsen had toch wel wat meer animo verwacht, zoals hij niet nalaat op te merken. Op dat verwijt reageert het publiek natuurlijk met (over)enthousiast applaus. Maar ook dat valt in slechte aarde. Want nu beschouwt het publiek Helsen blijkbaar als een sukkel die naar applaus hengelt. ‘Ik kan echt wel zonder’, merkt hij misnoegd op.

En zo rolt de voorstelling van het ene misverstand in het andere. Het initiële misverstand tussen komiek en publiek groeit zelfs uit tot een heuse vete. Of zo beschrijft Helsen het toch verderop in de voorstelling, tot jolijt van het publiek. Het komt blijkbaar nooit goed tussen een komiek en zijn publiek, niet bij Deprez, niet bij Helsen. Helsen omschrijft zijn publiek zelfs als ‘een bende neuroten die hun problemen projecteren op mij’.

Anders dan in Bij mij zijt ge veilig (2005-2007), waarin Helsen zich tot grote leider liet uitroepen en het publiek zowat gijzelde, is de relatie met het publiek deze keer slechts een zijthema. ‘Ik heb de neiging om zijpaadjes te beginnen bewandelen’, stelde Helsen al in Het uur van de prutser (2008-10). Ook Spijtig spijtig spijtig is bijzonder rijk aan zijpaadjes die de handeling doen stagneren. En soms op meesterlijke wijze de tijd doen stilstaan, zoals wanneer Helsen eindeloos zijn handen staat te wassen in het cafétoilet.

Maar al die zijpaadjes leiden uiteindelijk terug naar de snelweg. Want anders dan bij Deprez, heeft deze voorstelling van Helsen een duidelijk en welomlijnd verhaal. Dat gesitueerd is op één welbepaalde plek: café De Molen in Nijlen (het dook al op in Het uur van de prutser – zie verder).

‘Wat zou u denken’, vraagt Wim Helsen aan het publiek, ‘van iemand die de hele avond, van elf uur ‘s avonds tot vier uur ’s nachts niets uitgeeft op café? Die onderwijl mensen beledigt en de kans niet grijpt om dat terug goed te maken? Die zijn geslachtsdeel toont en op iemands schoenen plast? En die tenslotte op het eind van de avond iemand vermoordt? U zal geen al te hoge dunk van de man hebben, nietwaar? Maar wacht even’, stelt Helsen, ‘wacht even: laat mij, voor u de man veroordeelt, tenminste even mijn versie van het verhaal vertellen!’

Wat volgt is het hilarische verhaal van een serie onhandigheden en misverstanden die tot hoger beschreven situaties leiden. Situaties waarin de hoofdfiguur, Helsen dus, steevast met de beste bedoelingen terecht komt. Maar die door zijn onhandigheid, surrealistische manier van redeneren en sociale onaangepastheid, kortom zijn solipsisme, steevast faliekant uit de hand lopen. Helsen speelt in de voorstelling ‘a soul whose intentions are good’, maar hij wordt constant ‘misunderstood’.

Het is in het toilet van het café dat de stoppen doorslaan. Hij staat te wachten bij het bezette urinoir. Er komt nog iemand de trap af en die zegt tegen hem ‘Ha, u staat al in de rij’. De gedachte dat hij door die woorden, door dat ene zinnetje, plots in een wachtrij gedwongen wordt, doet Helsen steigeren. Hij houdt helemaal niet van rijen, hij vermijdt ze zo veel mogelijk. Rijen – zelfs rijen van twee personen – roepen bij hem dadelijk associaties op, tot en met Nürnberg en de nazi’s . De man die de opmerking maakte, wordt dan ook meteen ‘public enemy number one’. De rivaliteit met deze ‘wachtrij-nazi’ ontketent een heuse lawine aan moedwil en misverstanden die de rest van de voorstelling voortduurt.

Zoals Deprez is ook Helsen op zijn sterkst wanneer hij doorholt, wanneer hij de ultieme logica uit zijn komische omkeringen puurt. Schitterend is de manier waarop hij de zaak uit de hand laat lopen en vertelt hoe hij zijn wc-rivaal, half per ongeluk, uit de weg ruimt, en meteen ook de geliefde om wie het allemaal te doen is. Even ga je als toeschouwer geloven in dit horrorscenario dat wel de plot lijkt van een goedkope griezelfilm. Maar neen, het blijkt niet ‘echt’ gebeurd te zijn. Helsen heeft het toilet van café De Molen in Nijlen niet verlaten – hij verstopt er zich tot vier uur ’s nachts. Hij heeft wel degelijk iemand vermoord, maar dat is niet meer dan de kever Gregor (Kafka!), die hem in het toilet gezelschap hield.

Het is het slot van een hilarisch, absurd en prachtig gebracht verhaal dat door het publiek terecht op een stormachtig applaus wordt onthaald. Applaus dat Helsen – de vete met het publiek uit het begin oprakelend – afdoet met een meewarig: ‘Nu kan het blijkbaar wel!’

De onmogelijkheid tot handelen

Wim Helsen speelt in Spijtig spijtig spijtig alweer de pathetische schlemiel, loser en prutser, een Woody Allen in het kwadraat, een rol die hij – soms tot op de rand van het debiele – al eerder met veel plezier incarneerde. Tot in den treure soms, zoals hij zelf toegeeft: ‘Wordt die gast zichzelf nooit beu? Nee, ik blijf dat plezant vinden.’ Of in de voorstelling Het uur van de prutser: ‘Na zeventien keer wordt dat nog veel grappiger!’ Maar op een dieper niveau weerspiegelen de moedwil en misverstanden, waarop Helsens afdaling in de hel van het cafétoilet drijft, iets zeer ernstigs: de postmoderne onmogelijkheid tot handelen.

De ‘grap’ (?) die Helsen over Syrië vertelt zegt daar alles over: ‘Ik begrijp dat die Syriërs malcontent zijn, ze worden beschoten door een leger waarvoor ze belastingen hebben betaald!’ De gruwel van de Syrische burgeroorlog wordt hier gereduceerd tot de clichématige Vlaamse klacht over te hoge belastingen en falende overheidsdiensten. Het soort klacht dat de lijfspreuk en essentie is van de Vlaamse middenklasse, de Vlaamse middenklasse belichaamt.

Deze Syrische ‘grap’ met driedubbele bodem toont natuurlijk perfect het solipsisme van de Vlaming:

waarom…

… wij zoveel met onszelf [bezig zijn]

en met al onze moeilijke problemen

in plaats van

ja in plaats van wat eigenlijk?

Met Syrië dus (om maar iets te noemen uit een erg lange lijst).

De moraal van het verhaal

Ik zei het al aan het begin van dit artikel: comedy is een ernstige zaak en het gaat ondanks, of beter dankzij de lach over ernstige, over essentiële dingen van vandaag. Zoals bijvoorbeeld blijkt uit dit stukje dialoog uit Het uur van de prutser waarin Helsen in gesprek is met zichzelf:

– God, die bestaat toch niet meer…

– Is die dood dan?

– Bah ja, al meer dan honderd jaar.

– Da wist ik niet. Dat heeft niemand mij verteld!

– Ik dacht dat de Fried u dat ging vertellen…

– Welke Fried?

– Hawel, de Fried van café De Molen in Nijlen, die ging u dat vertellen…

– Die heeft mij niks verteld, de Fried. En hoe is die dan gestorven?

– Wie? De Fried?

– Is de Fried ook dood?

– Nee, de Fried is zot geworden en mishandeld door de nazi’s.

– Zijn de nazi’s terug? Daar wist ik niks van!

U herkent hem wel, denk ik (makkelijker dan het publiek voor wie deze passage maar een adempauze in de voorstelling is): de Fried is niet zo maar een tooghanger in café De Molen in Nijlen. De Fried is Friedrich Nietzsche, de filosoof die God dood verklaarde. En als God dood is, beweerde Dostojevski in De gebroeders Karamazov, dan is alles toegelaten. Waarmee hij ons meteen tot de ‘condition postmoderne’ veroordeelde.

Die ‘condition postmoderne’ zou je kunnen samenvatten als: hoe goed doen? Hoe moreel handelen in een postmoderne wereld waarin alles toegelaten is? Dat is in het post-Dutroux tijdperk een essentiële, ja een existentiële vraag waarover natuurlijk ook stand-upcomedians een mening hebben. Een flink deel van hun publiek heeft er misschien weinig of geen boodschap aan, het zit er alleen om te lachen, of om even – al was het maar imaginair – aan de dagdagelijkse kwellingen van het neoliberale bestaan te ontkomen.

‘Ik lach met alles.’ – ‘Het doet echt deugd om twee uur niet te moeten nadenken.’ Dat zijn een paar van de ‘lofbetuigingen’ aan zijn adres die Wouter Deprez op het einde van zijn show Je zal alles worden over de hekel haalde. Het is ook het soort opmerkingen dat (met opzet?) de essentie van echte comedy (zoals die van Deprez en Helsen) miskent. Je kan alleen bewondering hebben voor Deprez en Helsen en hun zeer verschillende pogingen om zo niet hun publiek een geweten te trappen (Deprez), dan toch om het de eigen zwakheden en contradicties te tonen (Helsen). Hun comedy leert je, zo niet om anders te gaan leven (Deprez), dan toch om anders te gaan denken (Helsen).

Comedians hebben vandaag dus wel degelijk een boodschap. Of zoals Helsen in Het uur van de prutser stelde: ‘Die twee prutsers [uit het publiek] daar moeten duidelijk nog een keer naar de voorstelling komen kijken.’ Dat wil zeggen: ze hebben het (nog) niet begrepen. Maar als ze terugkomen, helpt het misschien wel, betekent het misschien iets.

Maar klopt dat? Betekent comedy iets? Werkt het? Dat is de vraag die zich opdringt (en die altijd weer bij elke vorm van komedie opduikt): werkt comedy? Werkt het als meer dan humor? Kan lachen meer zijn dan weglachen, kan het bevrijdend werken, zoals expliciet Wouter Deprez en impliciet Wim Helsen betrachten? Kan comedy een spiegel zijn waarin het zelfgenoegzame Vlaanderen zijn ‘ware’, weinig fraaie gezicht te zien krijgt?

Misschien, zeer misschien. Deprez’ oplossing is om zich in de ander in te leven, om de parallel met het ongecompliceerde leven in Zuid-Afrika te maken. Bij Helsen lijkt elke vorm van moreel handelen onmogelijk, zelfs de beste bedoelingen leiden tot rampen. Helsens repliek op de ‘condition post-moderne’ is een ironisch ‘laat ons het toilet invluchten’. Daarmee verwoordt hij de ‘laat me gerust’-houding van de doorsnee Vlaming. Vlaming die – om de metafoor van Wim Helsen te gebruiken – het toilet van Café De Molen in Nijlen ingevlucht is. Om er – anders dan Helsen – nooit of te nimmer nog uit te komen. ð

www.wouterdeprez.be

www.wimhelsen.be

essay
Leestijd 14 — 17 minuten

Marc Holthof