Girls © Amaury Avermate

Werk voor een jong publiek

Dirk De Lathauwer over 20 jaar fABULEUS

fABULEUS, het Leuvense productie- huis voor jong talent, vierde vorig jaar zijn 20ste verjaardag. In twee decennia groeide het uit van een piepklein jongerengezelschap tot een uniek dans- en theaterhuis met internationale uitstraling. In juni 2017  werd fABULEUS bekroond met de Ultima Podiumkunsten. Tijd voor een terug- en vooruitblik met artistiek leider Dirk De Lathauwer.

Dinsdag 13 juni 2017. Dirk De Lathauwer en zijn team staan te stralen op het podium van de Gentse Vooruit. Hun theaterhuis, waar tientallen jonge podiumkunstenaars – onder wie Evelien Bosmans, Timeau De Keyser, Jan Martens, Tom Struyf, Katrien Valckenaers, Michiel Vandevelde, Sarah Vanhee, Thomas Vantuycom en Jozef Wouters – als jongere in alle veiligheid en vrolijkheid konden groeien, heeft zopas de Ultima Podiumkunsten 2016 gewonnen. ‘Daar waar kinderen niet langer aan het handje van hun ouders lopen, opent fABULEUS deuren, zonder bij het handje te nemen, met grote bevlogenheid en oprechte interesse en vertrouwen in de verscheidene kunnens van de jonge snaken’, aldus de jury. ‘Dat de jury onze producties én onze praktijk loofde, is veelzeggend,’ zegt Dirk De Lathauwer, sinds 1996 artistiek leider van fABULEUS. Hij schuurt tegen de vijftig aan, maar is gezegend met de energie van een bijna-twintiger. Is fABULEUS het perfecte excuus om zijn bestaan in jeugdbewegingsmodus te houden? ‘Helemaal niet’, zegt hij. ‘Ik had nooit veel met jeugdbewegingen. Ik ben wél sinds mijn kindertijd gefascineerd door literatuur en theater. En terwijl ik in Leuven Romaanse Talen studeerde, ontdekte ik in STUK de hedendaagse podiumkunsten. Daarna dook ik in de theaterwetenschap en deed tegelijk mijn burgerdienst bij Jonna, een toneelwerking voor kinderen en jongeren vlak bij Leuven. Uit die cocktail is fABULEUS ontstaan.’

ETC Jonna is een toneelschool die aanvankelijk de sociale cohesie in een arbeiderswijk wilde versterken. Welke rol speelde u er?

Dirk De Lathauwer: Naast de workshops organiseerden zij sinds 1991 een tweejaarlijks internationaal theaterfestival voor jongeren: Fabuleus. Mijn burgerdienst bestond erin de festivaleditie van 1993 te coördineren. We wilden internationale jeugdvoorstellingen met jongeren tonen en ontmoetingen tussen jongeren van verschillende culturen mogelijk maken.

ETC Hoe prospecteerde u?

We bekeken vooral ingestuurde VHS-cassettes. Mijn blik werd beïnvloed door het feit dat ik theaterwetenschapper was. Ik koos niet voor stukken waarin jongeren als een ‘probleem’ of een ‘pedagogisch project’ werden beschouwd, maar voor stukken die artistieke kwaliteit bezaten en professioneel aanvoelden.

ETC Hebbes, de profilering van wat het productiehuis fABULEUS zou worden.

D.D.L. Klopt. Al is die profilering vooral een gevolg van een organische evolutie. Elk scharniermoment in onze groei kwam er door een vraag of ontmoeting. De eerste fABULEUS-productie – ‘t Barre land (Remko Van Damme, 1995) – was een antwoord op de vraag van enkele jongeren die met een professionele regisseur wilden werken en hun stuk overal wilden spelen. Jonna had het moeilijk met de auditieformule: onze artistieke doelstellingen botsten met hun maatschappelijke en laagdrempelige insteek. Volkomen legitiem. Dus gingen we vanaf 1996 autonoom verder en we vonden een tijdlang onderdak bij de cultuur-educatieve organisatie Artforum. We wilden een productiehuis worden dat even straffe jongerenvoorstellingen maakte als Paul Peyskens toen bij Bronks.

Liefdesverklaring © Anja Beutler

ETC Wie of wat zorgde nog voor een groeispurt?

D.D.L. In 2002, bijvoorbeeld, merkten we dat Sofie Palmers na Meisje Niemand (2000) en The Way Young Lovers Do (2001) klaar was voor méér dan spelen met leeftijdsgenoten.Tegelijk vroeg Marijn Vandeweghe – jeugdprogrammator van 30CC – om iets voor kinderen te maken. In diezelfde periode viel Steven Beersmans op tijdens zijn opleiding bij LUCA. We vroegen hem om met Sofie iets te maken.
Zo ontstond Antoon en Mirabella (2002), onze eerste kinderproductie. Ander voorbeeld: mijn jeugd was gekleurd door de videoclips op MTV. Toen ik in 1997 Randi De Vlieghe zag dansen bij Contrecoeur, vermoedde ik dat hij een dansvoorstelling met jongeren kon maken. Artistiek hoogstaand maar met dezelfde poppyness als de choreografieën van Michael Jackson, Prince of Madonna. Ego Sublimo (1998) werd onze eerste dansproductie.
Of nog: telkens als we merken dat we te lang in dezelfde vijver vissen, verruimen we onze blik. Daarom werkten we in 2003 met Stef Lernous, in 2009 met Alexandra Broeder en de voorbije periode met onder meer Nicole Beutler en Ugo Dehaes. De komende jaren zijn Haider Al Timimi, Claire Croizé, Abattoir Fermé, Jan Martens en Radouan Mriziga nieuwe namen. Twintig jaar en 87 producties verder durven we iedereen uitnodigen om met jongeren te werken.

ETC Hoe vult u de verantwoordelijkheid in naar jongeren voor wie de drempel te groot is?

D.D.L. Ik erken die verantwoordelijkheid. We voeren daar veel gesprekken over, proberen dingen uit. Maar jongeren toelaten omdat ze bijvoorbeeld een beperking of een kleur hebben, is niet de oplossing.
In 2004 stelde Iris Bouche voor om Lilium te maken, een danscreatie over bewegingsplezier. De cast moest bestaan uit jongeren met en zonder een beperking. Ik fronste, tot bleek dat haar insteek puur artistiek was. Ze wilde die mensen met een beperking geen plezier doen, ze wilde gewoon met hen werken.

“In het huidige diversiteitsdiscours lijkt het soms alsof de kunstensector geen diversiteit zou willen. Onzin! Wij willen niets liever. Maar er zijn nog veel stappen te zetten, en niet alleen door ons.”

Uiteraard wil je op de scène ‘de wereld’ weerspiegeld zien. Uiteraard willen we dat er mensen van verschillende culturele achtergronden naar onze audities komen. Maar het is niet haalbaar om een deelwerking op te starten zodat we net die jongeren bereiken. Hiervoor kunnen we beter samenwerken met jeugddiensten of OKAN-werkingen. Al is de inhoudelijke kloof tussen ons en die werkingen nog groot. Ondertussen rusten we niet op onze lauweren.Ter voorbereiding van de urban dance-productie Rats (2017) organiseerden we workshops in De Kriekelaar, in Zinnema en in Vilvoorde. De doorstroom naar de productie was schraal: één Brusselse jongere haalde de cast. Waarom? Die jongeren moeten vaak op eigen houtje in Leuven raken. Dat lukt om allerlei redenen niet. Ook daarom gaan we in zee met Al Timimi en Mriziga. Zij komen zelf naar ons toe met nieuwe verhalen, een ander netwerk én kunnen zelfs, indien nodig, de jongeren meenemen naar de repetitie.

Er passeerde overigens al veel kleur, al dan niet letterlijk. En bijna elke jongere met roots in Noord- Afrika of het Midden-Oosten die de laatste jaren in een toneelopleiding is terechtgekomen en nu doorbreekt, kwam als jongere al bij ons. Ik denk aan Mourad Baaiz (They Have Got What it Takes to Be a Legend (2008), nu Action Zoo Humain), Rashif El Kaoui (Wolfsroedel (2006) en Jeanne (2007), nu KVS) en Maxime Waladi (Kasimir en Karoline (2010) en Sueños (2011), nu Action Zoo Humain).

En neen, ik wil niet ‘uitpakken met namen’. Ik toon dat jongeren die op zoek zijn naar wat wij bieden, ons vinden. Whatever hun afkomst. In het huidige diversiteitsdiscours lijkt het soms alsof de kunstensector geen diversiteit zou willen. Onzin! Wij willen niets liever. Maar er zijn nog veel stappen te zetten, en niet alleen door ons. Dit is een sociologisch en demografisch proces dat
je niet kunt forceren.

ETC Bieden jullie een vorm van jeugdwerking?

D.D.L. Wij zijn een soort mentoren voor jonge mensen met artistieke neigingen. Jarenlang hebben we de artistieke kwaliteit benadrukt en hebben we het nauwelijks over het proces gehad om toch maar niet in het vakje ‘jeugdwerk’ gestopt te worden. Maar de jury die ons de Ultima heeft uitgereikt, looft ons artistiek verhaal én de manier waarop we investeren in jongeren, als publiek en performers. Je merkt ook dat elk zichzelf respecterend theaterhuis een jongerenwerking opstart. De samenleving neemt jongeren ernstig, deels wegens de onbewuste associatie met ‘radicaliserende jongeren’. Anderzijds beseft de sector dat we aan publieks- verjonging toe zijn. Een artistieke, educatieve of participatieve jongeren- werking uitbouwen, is een mogelijk antwoord.

ETC Een repertoire uitbouwen, zoals jullie, kan ook een antwoord zijn.

D.D.L. Zeker. Daar zit trouwens een paradox in onze werking. In de artistieke creatie houden we zo weinig mogelijk rekening met het feit dat ze jongeren zijn.Tegelijk maken we geen artistieke keuzes die ingaan tegen hun belang. Zo kon Liefdesverklaring (2014), het successtuk dat Nicole Beutler en Magne van den Berg bij ons maakten, een geweldige tournee door Frankrijk maken. We hebben het niet gedaan, want de jongeren speelden de voorstelling al lang genoeg. Je moet hen vrij laten en hun nieuwe kansen gunnen. Wij geven jongeren een ontwikkelingskans door hen als publiek of als performer een eerste positieve kijk- of speelervaring mee te geven. Daarom schrijven we elk jaar audities uit. Zo krijgt elke generatie de kans om te spelen óf om dit spel als toeschouwer te ontdekken.

Onze producties met jongeren zijn vaak toegankelijker voor volwassenen dan voor jongeren, omdat ze codes hanteren die wat kijkervaring vragen. Maar omdat de performers leeftijdsgenoten zijn van de jongeren in de zaal, is er altijd wel een ingang en gaat er veelal een wereld voor hen open. Ook hier kun je niks forceren.

ETC Waarom hebben jullie nooit toegegeven aan de trend om de biografie van een jongere te ensceneren?

D.D.L. Als ik een maker vind die dat letterlijke kan overstijgen, zou ik het overwegen. Maar het wordt zo veel gedaan: vanuit improvisatie met jongeren een stuk maken ‘over hun leefwereld’. Dat levert meestal dezelfde voorstelling op. Ons principe? We zoeken materiaal dat op het eerste gezicht ver van de jongere af staat, maar een fascinatie is van de maker. Vervolgens proberen we via dat materiaal zowel een ontmoeting als een botsing tot stand te brengen tussen de wereld van de maker en de wereld van de jongeren. De afstand tussen beide ‘leefwerelden’ wordt door het materiaal én het proces overbrugd. Dat levert spannend werk op. Niet zelden breekt die aanpak bovendien het referentiekader van de maker open.

ETC Welk stuk toont scherp waar fABULEUS voor staat?

Misschien wel Girls (2013) van Ugo Dehaes, bijgestaan door Natascha Pire. Hij stapte naar ons met het idee om de choreografie die hij voor Women (2011, kwaad bloed) met acht oudere danseressen maakte, door meisjes te laten dansen. Die productie incorporeert op de meest extreme en pure manier – door de moeilijkheidsgraad voor zowel de performers als de toeschouwers – waar fABULEUS voor staat: de afstand tussen een maker en zijn materiaal enerzijds en de performers anderzijds, werd tijdens het creatieproces gestaag overbrugd. We ontwikkelen een ‘praktijk’ waarin we én artistieke producties maken én jonge mensen begeleiden. Per productie bekijken we welke artistieke en mentale skills de performers nodig hebben. Van skills die ervoor zorgen dat ze de tournee aankunnen, tot vaardigheden die hen helpen de taal van de maker te begrijpen. Voor sommige toeschouwers was dit een té uitdagende creatie. Het abstracte dansmateriaal liet pas na een tijd het spelplezier en de persoonlijkheid van de meisjes doorschemeren. Dit bewijst vooral dat we geen jeugdtheater zijn.

ETC Hoezo, jullie zijn geen jeugdtheater?

D.D.L. Slechts een deel van onze werking is jeugdtheater in die zin dat er op voorhand een minimumleeftijd op wordt geplakt. Denk aan Popcorn (2016), Snipperdagen (2014) of Klutserkrakkekililokatastrof (2017), producties van startende professionelen die deels uit onze jongeren- werking zijn doorgegroeid.

Wij zetten jonge performers op de scène en in de zaal zitten verschillende generaties. Of de naam of categorie ‘jeugdtheater’ relevant of gewenst is, is cyclisch. Om de zoveel tijd claimen huizen en kunstenaars van niet, in het streven naar een perceptie van artistieke volwaardigheid. Daarna ontstaat de behoefte om ‘werk voor een jong publiek’ –e en betere naam, overigens – te onderscheiden van de rest van het veld, vaak net om de artistieke kwaliteiten te benadrukken.

Het zogenaamde Vlaamse jeugdtheater draagt toch een kwaliteitslabel. Dat bewijst het juryrapport van Het Theaterfestival 2017, de ASSITEJ Award for
Artistic Excellence van 2017 die Johan Desmet kreeg, de Taalunie Toneelschrijfprijs 2015 voor Freek Mariën, onze Ultimaprijs én het aanzien van het Vlaamse jeugdtheater in het buitenland. Het vervelende is dat het toch altijd ‘iets voor kindjes’ blijft voor wie de kwaliteiten ervan niet live heeft meegemaakt. Zo spijtig …

ETC Wat hebt u van de jongeren geleerd?

D.D.L. Het boeiendste is als maker met hen werken.Tijdens de dramaturgische gesprekken over wat er in de wereld gebeurt, ben je geneigd om een homogene utopische generatie in hen te zien. Je zou verwachten dat zij het transitiedenken al helemaal belichamen. Maar in al hun verscheidenheid zijn ze ook nog eens kinderen van twee werelden, met een vaak verrassend conformistisch toekomstbeeld.

ETC Welke rol speelt u als maker in de evolutie van uw huis?

D.D.L. Peter (Anthonissen, huisdramaturg, red.) omschrijft mijn producties als een barometer voor de weg die ons huis aflegt. In de eerste tien jaar van fABULEUS lag de klemtoon op het plezier van de exploratie van het medium. Vanaf 2005 werd de betrokkenheid op mens en samenleving groter, en het wereldbeeld grimmiger. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het speelse The Way Young Lovers Do versus het veel donkerdere Speeldrift (2012) of Merlijn of het Barre Land (2017).

ETC Is er een boek dat leest als de metaforische geschiedenis van fABULEUS?

D.D.L. (twijfelt even) Alessandro Baricco’s essay De barbaren. Hij beschrijft hoe er een waardigheid schuilt in de ‘oppervlakkige’ jongerencultuur – waar men vlot op de buitenkant van de dingen surft en dweept met youtubers die rijk zijn geworden door dwaze filmpjes online te gooien. Er schuilt een waardigheid in het associatieve vermogen van die recente generaties. Vergelijk ons oeuvre met
dat van pakweg Eric De Volder. Hij streefde voortdurend naar uitdieping, met een min of meer vast ensemble. Wij zijn eerder ‘barbaren’ die makers haast inzetten als gast-dj’s. Onze verdieping zit in de praktijkontwikkeling, in de manier waarop we makers en performers begeleiden om artistiek zo ver mogelijk te raken met hun creatie.

ETC Hoe is het veld rond en door fABULEUS veranderd?

D.D.L. We beleven een potentieel hoogtepunt van de Vlaamse podiumkunsten voor jong publiek. Er wordt spannend, vaak stout werk gemaakt door tal van makers die zich niet tot werk voor een jong publiek beperken. Denk aan Tuning People in Vlaanderen of Jetse Batelaan in Nederland. Er is ook meer dansant werk, niet zelden met kinderen en jongeren. Wij hebben een belangrijke rol gespeeld in die evolutie. Tegelijk is er iets kwalijks bezigs: de opgang van het Vlaamse jeugdtheater was niet enkel de verdienste van huizen en makers, maar ook van straffe programmatoren die een langetermijnrelatie aangingen met de makers én het publiek. Door de veranderde opdracht van de cultuurcentra verliezen programmatoren steeds meer autonomie. Dat beknot de bloei. Er wordt te veilig geprogrammeerd, net nu het werk zo spannend is. De grote uitdaging is dus om die langetermijnrelatie nieuw leven in te blazen.

Op 9 september 2017 ging Virginity (regie: Michai Geyzen / Stijn Van De Wiel), een coproductie van fABULEUS en HETPALEIS, in première in HETPALEIS in Antwerpen. Alle info en speeldata: www. fabuleus.be en www.hetpaleis.be

interview
Leestijd 9 — 12 minuten

Els Van Steenberghe

Els Van Steenberghe studeerde Kunst- en Theaterwetenschappen aan de Universiteiten van Gent, Antwerpen en Stellenbosch (Zuid-Afrika). Ze verrichtte onderzoek naar het kindbeeld in het Nederlandstalige jeugdtheater en gaf het boek Groot Toneel. Teksten over jeugdtheater (2003) uit. Zij publiceert/publiceerde in Knack, De Morgen, Etcetera, Documenta, De Leeswelp en Theater & Educatie.