Neon © Julie Laiymani (via Unsplash)

een anoniem lid van Sectie MoFo

Leestijd 4 — 7 minuten

Waar een wil is …

Naar een kunstensector die écht werk maakt van pluralisme

De Vlaamse podiumkunstenorganisaties zien diversiteit en inclusie als toverwoorden die mooi klinken in beleidsverklaringen, maar van daadkracht is droevig weinig sprake. Ja, er zijn heel wat diversiteitsmedewerkers met een migratieachtergrond, maar zij worden herleid tot excuusallochtoon zonder werkelijke zeggingskracht. Toch werken jonge kunstenaars hard aan nieuwe, stedelijke netwerken. Het is aan de instellingen om de boot richting pluralistische toekomst niet te missen.

Een tijd geleden kreeg ik de vraag van een grote gesubsidieerde organisatie of ik niet in hun nieuwe werkgroep rond diversiteit wilde zetelen. Wij, de uitverkorenen,
 de mensen met een migratieachtergrond, dienden hun medewerkers — ‘die niets van diversiteit afweten’ — van input te voorzien zodat diezelfde medewerkers daarmee aan de slag konden in hun creatief proces. Wij zouden dus een deel van hun werk doen, maar zij zouden daarvoor betaald worden én de erkenning krijgen. Op geen enkel moment maakte de organisatie de bedenking dat wij misschien wel evenwaardig waren en dat we dus voor onze netwerken en ervaring vergoed zouden moeten worden. Ik sloeg het genereuze aanbod af.

Bovenstaande vraag en de daaropvolgende onwil van de organisatie om onze inspanningen te erkennen, bracht echter een reeks andere vragen teweeg. Wie bepaalt wat kunst is en of iemand zich kunstenaar mag noemen? Wie geeft mee vorm aan de ‘tirannie van de esthetiek’ in de podiumkunsten, om het met Rachida Lamrabet te zeggen?11Lamrabet, R. (2017). Zwijg, allochtoon!. Berchem, Uitgeverij EPO Lamrabet verwijst hiermee naar hoe kunstorganisaties esthetiek invullen: zij bepalen de norm waartegen kunst wordt afgezet, en vaak vinden zij dat kunst gemaakt door mensen met een migratieachtergrond gewoon niet goed genoeg is: te anders, niet mooi en kwalitatief ondermaats.

Beyond the Binary © Eslem Akdag/KVS

In de eerste plaats zijn het dus de kunstorganisaties die deze macht bezitten en toepassen. Artistiek leiders
 en programmatoren bepalen in onderling overleg welke kunstenaars op hun podia mogen staan. Zij beslissen wie ze binnenlaten in hun huis, op basis van wat zij
 als kunst bestempelen. Zij bakenen de voorwaarden af waaronder in hun organisatie aan kunst wordt gedaan. Dat het podiumlandschap nog steeds erg wit is, en dat kunstenaars met een migratieachtergrond vooral vanuit de marginaliteit opereren, staat hier dan ook rechtstreeks mee in verband.

Deze kunstenaars worden vaak beschouwd als tijdelijke gast in het algemene wereldbeeld van de kunstorganisatie. Ze zijn het ultieme bewijs van hoe de organisatie diversiteit omarmt, ze moeten — soms letterlijk — kleur geven aan de organisatie. Er wordt gesproken in termen van ‘verrijking’, ‘ontmoeting’, ‘laagdrempeligheid’, maar nooit in termen van… kunst. Impliciet wil dat zeggen dat dit niet de norm is waaronder de organisatie opereert, maar dat het een ‘experiment’ betreft, een ‘oefening’, of zelfs een ‘kans’ die ze geeft aan deze kunstenaars, waarvoor zij eeuwige dankbaarheid moeten tonen. Zolang kunstorganisaties niet bereid zijn om hun voorwaarden aan te passen of gedeeltelijk op te geven, zolang ze de structuren van hun taal niet willen bevragen op basis van een gesprek met mensen die andere kwaliteitsvereisten hebben, zullen deze kunstenaars steeds naar een zekere exotische marginaliteit worden geduwd, of soms zelf de deur worden gewezen.

“Er wordt gesproken in termen van ‘verrijking’, ‘ontmoeting’, ‘laagdrempeligheid’, maar nooit
in termen van… kunst.”

Ook mensen met een migratieachtergrond die zich als medewerker willen engageren in de podiumkunsten krijgen vaak de rol van publiekswerker of diversiteitswerker toegewezen. Voor deze groep is het moeilijk
 om hoger te klimmen op de beslissingsladder, waar er inspraak is over wat kunst is en wat dus een plek op de podia verdient. Deze publiekswerkers of diversiteitswerkers worden aangeworven om dat te doen wat de kunstorganisatie niet zou doen als die medewerker er niet zou zijn: de organisatie aantrekkelijk maken voor een gekleurd publiek. Maar net daardoor is dit werk moeilijk, omdat diversiteit niet de hoofdopdracht is van de kunstorganisatie. De diversiteitswerkers moeten dus vaak opboksen tegen uitsluitingsstructuren die ferm ingebed zijn in de kunstorganisatie.

De rigide structuur van de taal die deze organisaties gebruiken om de verschillende realiteiten te benoemen die onze steden vandaag vormgeven, zorgt voor weinig flexibiliteit. Normatieve manieren om met diversiteit om te gaan — veelal opgelegd van bovenaf en dus van overheidswege gedefinieerd — sijpelen gemakkelijk binnen in de dagelijkse praktijk en in onderhandelingen over essentiële keuzes in de artistieke praktijk. Binnen die restricties hamert de diversiteitswerker met de uitvoering van haar/ zijn job al snel steeds op dezelfde nagel: de kunstorganisatie is een witte burcht. En je kunt hier moeilijk omheen, want de diversiteitswerker werd net aangeworven om de organisatie minder wit te maken. Al snel botst de diversiteitswerker tegen een muur, zij/hij legt door haar/ zijn werk steeds hetzelfde ‘probleem’ bloot, en wordt
 – doordat er niet meteen een ‘oplossing’ wordt gevonden – op den duur zelf als het probleem gezien.

Beyond the Binary © Eslem Akdag/KVS

Diversiteitswerkers met een migratieachtergrond zijn legio in de podiumkunsten. Een opsomming is hier niet wenselijk, de lijst is namelijk te lang. De lijst van mensen met een migratieachtergrond die binnen de kunstorganisaties mee mogen beslissen over wat kunst is, is echter veel korter. Dat is pijnlijk. Enkel de KVS en ARSENAAL / LAZARUS zorgden recent voor een mijlpaal in de geschiedenis van de podiumkunsten door dramaturgen met een andere canon aan te nemen.

“Diversiteitswerkers met een migratieachtergrond zijn legio in
de podiumkunsten. De lijst van mensen met een migratieachter- grond die mee mogen beslissen over wat kunst is, is veel korter.
Dat is pijnlijk.”

De grote kentering zal er niet komen vanuit de huidige kunstorganisaties. Het zijn de kunstenaars zelf die deze verandering zullen teweegbrengen. Ze organiseren zich meer en beter, creëren netwerken die steeds sterker worden en laten vaker de bestaande kunstorganisaties links liggen. Het zou goed zijn als die organisaties dat zouden zien. Want het jong, hedendaags, grootstedelijk publiek is immers op zoek naar een product waarin ze zich vertegenwoordigd zien. Het belang van diversiteit wordt ondertussen dan wel mee opgenomen in de missies, en ook de maatschappelijke relevantie ervan wordt misschien erkend. Maar veel organisaties scoren slecht als hen gevraagd wordt naar het eigenlijke waarom. Waarom maken ze van diversiteit een werkpunt? Wat betekent diversiteit voor hen? Waarom willen ze een gekleurd publiek in hun zalen? Krijgt diversiteit ook een plaats op hun podium of voldoet het product dan niet aan hun kwaliteitsvereisten? Wat zijn dan die vereisten? Is er ruime voor verschillende interpretaties van kwaliteit? Voor een pluraliteit aan kwaliteiten?

Het is belangrijk dat kunstorganisaties niet enkel blijven praten over hun missie, maar ook overgaan tot de uitvoering ervan. Ze moeten uit hun comfortzone stappen en andere oorden opzoeken dan de veilige, witte omgeving waarin ze zich nu bewegen. Ze dienen niet alleen te kijken naar wat zich buiten hun huizen afspeelt (ze zijn immers geen antropologen), maar ze dienen die kunstenaars en medewerkers ook binnen te halen en hen ruimte te geven, onvoorwaardelijk. Tenminste, als de wil tot verschil en inclusie er werkelijk is.

 

statement
Leestijd 4 — 7 minuten

een anoniem lid van Sectie MoFo

MoFo staat voor Moving Forward

statement