W a t e r w a s w a s s e r – Dounia Mahammed

Of hoe ook taal water kan worden

In haar vorige creatie en afstudeerproject ‘Salut Copain’ (2015) betrad Dounia Mahammed de scène met woorden en (on)zekerheid onder de arm, op zoek naar een talig evenwicht tussen absurditeit en realiteit, tussen verwondering en vertwijfeling. Haar tweede solovoorstelling, getiteld ‘W a t e r w a s w a s s e r’, lijkt verder te drijven op die veelvuldige stroom van formuleringen en gedachten. In samenspel met de livemuziek van pianist Alan van Rompuy stelt Mahammed de vraag naar onze fluïde werkelijkheid en de wijze waarop we in die werkelijkheid al dan niet kunnen (mee)delen.

Wanneer we de zaal binnendruppelen, bevindt Mahammed zich reeds op het toneel. In opperste concentratie neemt ze de stroom toeschouwers in zich op – haar bewegingen en blikken speels, maar scherp. De scène zelf oogt sober, maar symbolisch: op de voorgrond prijkt een verhoogde en vierkante constructie, gevormd uit een grijs-witte mengeling van maïzena en water. Afgezien van dit geboetseerde speelvlak, en enkele sporen van zetmeel daaromheen, doet de ruimte leeg en strak aan – een schril contrast met de charismatische aanwezigheid van Mahammed. Als iedereen zit en stilvalt, duwt ze met een kinderlijke naïviteit haar voeten in de vochtige substantie, wiebelt ludiek met haar tenen en kijkt vervolgens lichtjes vertwijfeld de zaal in. De druk die haar lichaam uitoefent op de kneedbare ondergrond laat tijdelijke vormen na en spiegelt de vluchtige manier waarop Mahammed het komende uur met ons zal communiceren. Op schijnbaar willekeurige wijze deelt ze allerlei filosofische hersenspinsels (‘leaves let go, they are not afraid of falling’), muzikale tips voor een betere gezondheid (‘ginger is good, thyme is fine’) en humoristische alliteraties (‘kreeften hebben ook kramp’).

In eerste instantie doet die uitgesproken tekst denken aan de onschuldige manier waarop we ons op onbewaakte momenten uitdrukken: niet in bedachtzame of vlotte volzinnen, maar in associatieve (her)formuleringen en onderbrekingen. Opmerkelijk is echter de aandacht voor meertaligheid en subtekst die in dit verbale spel ontstaat. Mahammed voorziet haar eigen uitlatingen voortdurend van reflectie en commentaar – en dit op meerdere niveaus: ze (her)denkt, herhaalt en annoteert onomwonden, associeert meermaals op basis van klankkleur of rijm en hopt gezwind van Engels naar Nederlands, Duits, Frans en terug. Dan weer brengt ze schichtig de handen naar haar mond of beweegt ze in staccato heen en weer, alsof ze haar lichaam intuïtief laat meedeinen op de woordenschat die etherisch over de scène rolt. De onvoorspelbare wijze waarop gedachten steeds opnieuw geframed en overgeheveld worden naar verschillende (talige) registers, installeert niet alleen een intrigerende spanning tussen teken en betekenis, maar schijnt ook elke mogelijkheid om tot standvastige inhoud te komen genadeloos te ontmantelen. De precisie waarmee Mahammed taal, ritmiek en geste op elkaar laat inwerken, illustreert bovenal hoe communicatie over onze werkelijkheid niet ontstaat in een transparant of stabiel vacuüm, maar wel in een ongrijpbare wisselwerking tussen menigvuldige en efemere actoren.

De voorstelling lijkt op die manier ook een belichaming te worden van het filosofische concept différance – het neologisme waarmee Jacques Derrida wilde duiden hoe de betekenis van woorden steevast tot stand komt in termen van verschil en uitstel: slechts in het onderscheid met de definitie van andere woorden en in een tijdelijke talige configuratie verkrijgt een woord zijn betekenis. Aangezien iedere taaluiting afhankelijk is van die inherente dynamiek is betekenisconstructie niet langer een objectief en statisch gegeven, maar een voortdurend proces van opschorting en (her)interpretatie. Met ‘W a t e r w a s w a s s e r’  alludeert Mahammed niet alleen op het verglijdende karakter van dit proces, maar laat ze ook ruimte voor de onzekerheid die daarmee gepaard gaat. Want als alles vloeibaar wordt, kunnen we elkaar dan nog wel (be)grijpen?

Dit spanningsveld tussen herkenbaarheid en ongrijpbaarheid wordt door het samenspel van associatie en vluchtigheid in ‘W a t e r w a s w a s s e r’ op vernuftige wijze op de spits gedreven, maar geeft de toeschouwer soms net te weinig ademruimte. Wanneer het ritme versnelt en de talige verbindingen steeds grilliger worden, dreigt de tekst niet alleen (te) letterlijk te worden, maar vooral erg hermetisch. Op die momenten dooft de verlokking om Mahammed te willen begrijpen in dit dansante taalspel, omdat er geen ruimte overblijft om met de woordenschat op scène in dialoog te gaan. De speelse frictie tussen wat wel en niet gezegd of bevat kan worden vervaagt en plaatst ons als toehoorders al te veel op een afstand. De voorstelling intrigeert dan ook het meest wanneer Mahammed balanceert op de dunne lijn tussen de tactiele omschrijving van haar gedachten en de liquide manier waarop ze die gedachten steeds weer (her)schikt en ontglipt – wanneer ze ons met haar kinderlijke verwondering en enigmatische bewegingen verleidt om samen met haar alsnog de werkelijkheid te ontraadselen, ook al lijkt ze verdomd goed te weten dat die poging tevergeefs is.

 

Gezien op 2 november 2017 in de Beursschouwburg – Bâtard Festival 2017

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

Lieze Roels

Lieze Roels studeerde in 2016 af als master in de theater- en filmwetenschap. Momenteel is ze verbonden aan de Universiteit Antwerpen, waar ze werkt aan een onderzoek over new materialism en performancekunst.