Valentijn Dhaenens / SKaGeN: DeKleineOorlog

In DeKleineOorlog pikt Valentijn Dhaenens de draad op waar hij die had achtergelaten in DegrotemonD. In 2009 bracht hij een compilatie van historische redevoeringen van sprekers die de massa in beweging probeerden te brengen. Vijf jaar later staat hij in de DeKleineOorlog stil bij de gevolgen voor hen die de daad bij het woord voegden. Het verhaal van de Grote Oorlog, gezien door de ogen van de kleine man.

De voorstelling speelt zich niet op maar naast het slagveld af. Dhaenens zoomt in op de standpunten van passanten in een veldhospitaal. Met behulp van videoprojecties kruipt hij in de huid van zowel gewonde soldaten als zorgverleners. In het eenvoudig decor staat enkel een groot projectiescherm. Dhaenens komt als verpleegster het podium op. Hij duwt het bed voort van een verminkte soldaat, die aanwezig is door middel van een televisiescherm. De soldaat heeft armen noch benen en leeft zonder zicht, smaakzin of gehoor. Alleen zijn hersenen doen het nog. Hij zit opgesloten in zichzelf en zijn eigen gedachtewereld, net als alle andere personages die nog zullen voorkomen in DeKleineOorlog.

Om de haverklap rinkelt een telefoon, die staat afgebeeld op het grote projectiescherm. Dan ontdubbelt de verminkte man zich tot een nieuw personage op het scherm, die kan opstaan en de oproep beantwoordt. Via de telefoonlijn horen we de stemmen van de afwezigen: ouders en geliefden, zij die wachten en genoodzaakt zijn voort te leven aan het thuisfront. Door de telefoongesprekken ontdekken we de verhalen van de bewoners van het hospitaal: hun thuissituatie, waarom ze ten oorlog zijn getrokken, hun twijfels en angsten.

Eén ding hebben ze allen gemeen: het zijn slachtoffers. Een vaststelling die wordt onderstreept door de melancholische liederen van Dhaenens. Ze worden live door hem gezongen en fungeren als een soundtrack die de diverse verhalen met elkaar verbindt. Naast de persoonlijke verhalen laat hij ook kleine, soms vergeten feiten van de oorlog aan bod komen: artsen die van de ‘vrijheid’ gebruik maken om te experimenteren, ongeletterde soldaten die rekenen op verpleegsters om hun brieven voor te lezen, vrouwen aan het thuisfront die niet langer kunnen wachten op hun man.

Dhaenens raakt complexe thema’s aan: de confrontatie van de mens met de dood, de eenzame en eindeloze wachttijd aan het front, de onverklaarbare maar onvermijdelijke drang van de mens om te doden. Daarvoor inspireerde hij zich op verschillende bronnen: romans, brieven van soldaten aan het front en documentairebeelden. De fragmenten die hem het meest raakten, heeft hij in de voorstelling verzameld en met elkaar verbonden via het scherm, de telefoon en het gezang. Deze constructie komt echter artificieel over, waardoor het stuk aan geloofwaardigheid inboet. Het geheel blijft relatief afstandelijk en – haast letterlijk – klinisch. Zelfs sterke beelden, zoals een scène waarin Dhaenens zichzelf levend opsluit in een lijkzak of de aanblik van de hulpeloze, verminkte man op het veldbed, verliezen zo hun slagkracht. Ondanks de emotioneel geladen thematieken slaagt de voorstelling er niet in om te ontroeren.

Het trage tempo van het stuk is nadelig voor de spanningsboog. De minutieus getimede dialogen tussen de personages op het scherm en op het podium maken het eindresultaat star. Door het technologisch hoogstaand spel tussen het virtuele en het reële hoeft de acteur op het podium weinig tot geen risico’s meer te nemen. Waar in DegrotemonD alles afhing van de liveprestaties van Dhaenens, kan hij door het grote aandeel van de projecties in DeKleineOorlog amper nog falen.

De voorstelling laat ook weinig ruimte voor interpretatie: in de verschillende fragmenten weerklinkt een duidelijke mening over ‘het volk’, dat zich laat meeslepen door geloofsopvattingen en machtswellustige leiders, en dat daar ten slotte aan ten onder gaat. In de voorgelezen brief van een soldaat aan zijn jongere broer klinkt het expliciet: ‘Laat u nooit verleiden door het oorlogsvoeren.’ Dhaenens richt zijn raad voornamelijk tot de jongere generatie: de jeugdige mannen die ten strijde strekken (‘omdat de oude mannen op het huishouden moeten letten’) en die de verpleegster in de openingsscène aanduidt als ‘de toekomst’.

De parallellen met het nu zijn duidelijk: ook vandaag trekken tal van jongeren weg om ver van huis oorlog te voeren voor een hoger doel, dat hun vaak wordt ingefluisterd door welsprekende gezaghebbers. Enerzijds lijkt Dhaenens een universeel en tijdloos verhaal te willen vertellen. Zo spreekt hij ook over Atilla de Hun en diens veroveringsdrang. Anderzijds zijn er zo veel verwijzingen naar de modder, de loopgraven, de deserteurs en de telegrammen van de Grote Oorlog, dat het stuk er niet helemaal in slaagt de particuliere context van 14-18 te overstijgen.

De vragen die de voorstelling oproept zijn relevant. Worden we doorheen de geschiedenis écht beschaafder? Vanwaar komt die verdomde drift om ten oorlog trekken? Wat bezielt de mens om zich op te offeren voor een ideaal of geloof? Jammer genoeg komt Dhaenens niet verder dan deze vragen en vindt hij niet de nodige ruimte om ze in de diepte door te denken.

Eén vraag weerklinkt bij alle personages: ‘Hoe ben ik hier in godsnaam in verzeild geraakt?’ Als we Dhaenens mogen geloven, werden ze overtuigd, verleid of meegesleept door de grote monden van deze wereld. Het beeld dat na DeKleineOorlog achterblijft, is dat van de onderdrukte kleine man die amper over zijn eigen lot beslist. De oorlog wordt zo herleid tot iets eenduidigs: er bestaan enkel slachtoffers. Juist. Maar hebben we dan echt geen schijn van kans om aan al die massabeïnvloeding te ontkomen? En is dat niet net de les die we de jeugd van vandaag willen meegeven: dat er – ondanks alles – altijd kansen zijn om aan de onderdrukking te ontsnappen?

Gezien op 21 november 2013 in het STUK. De voorstelling is nog te zien op 26 en 27 november en op 6 en 7 februari in deSingel.

www.skagen.be

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Anne Watthee