© Sara Mertens

Too big to fail?

Rondetafel over het statuut van de Vlaamse Kunstinstellingen

De zeven Vlaamse Kunstinstellingen zijn volgens minister van Cultuur Sven Gatz de Vincent Kompany’s van het kunstenveld. Ze fungeren als artistiek en organisatorisch voorbeeld voor de hele sector en moeten alle vijf functies binnen het Kunstendecreet vervullen. In ruil kunnen ze rekenen op een apart beoordelingstraject, een mooie som uit de staatsruif en zijn ze zeker van hun voortbestaan. Vanuit de kunstensector, die gebukt gaat onder opeenvolgende besparingsrondes, klinkt echter steeds meer gemor over het statuut van deze instellingen. Hoog tijd voor een gesprek.

Etcetera verzamelde negen spelers uit het veld om te peilen naar de problematiek. Rond de tafel zittenTom Bonte (algemeen directeur Beursschouwburg), Tijl Bossuyt (artistiek leider De Veerman), Els De Bodt (algemeen directeur hetpaleis), Delphine Hesters (hoofd podiumkunsten Kunstenpunt), Matthieu Goeury (artistiek coördinator en curator podiumkunsten Vooruit), Guy Gypens (algemeen directeur Kaaitheater), Luc Joosten (operadramaturg Kunsthuis), Karlien Meganck (programmatrice deSingel), Elsemieke Scholte (artistiek coördinator detheatermaker), Lies Vanborm (verantwoordelijke planning en realisatie Vooruit) en Theo Van Rompay (directeur P.A.R.T.S.).

Eerst enkele feiten op een rijtje: de zeven Vlaamse Kunstinstellingen (vanaf nu VKI’s), dat zijn AB, Vooruit, deSingel, deFilharmonie, Kunsthuis, Concertgebouw Brugge en het Vlaams Omroeporkest en Kamerkoor. Samen zijn ze goed voor 53.980.000 euro aan subsidies. De andere 207 kunstenorganisaties die werkingssubsidies krijgen binnen het Kunstendecreet, konden rekenen op een totaal van 84.763.400 euro. Voor de projectsubsidies werd in 2016 5.919.882 euro toegekend. In 2017 zou dat laatste bedrag stijgen tot 8 miljoen.

De financiële kloof is dus niet min.Tegelijk kunnen er vragen worden gesteld bij het statuut van de VKI’s. Is de definitie van een VKI niet erg vaag? En zijn er geen andere kunstenorganisaties die de voorbeeldfunctie beter vervullen? ‘Het grootste probleem is dat niemand weet op welke basis die instellingen hun statuut hebben gekregen’, bijt Theo Van Rompay de spits af. ‘Er is nergens een moment geweest in de geschiedenis waarop men heeft vastgelegd wat het betekent om een VKI te zijn, en waarom die organisaties een ander statuut krijgen binnen het Kunstendecreet. De invulling van die instellingen is nooit in het parlement besproken.’

Guy Gypens: De Vlaamse Gemeenschap heeft van bij haar creatie in de jaren 1970 een ingewikkelde relatie gehad tot haar culturele institutionalisering. Dat lag enerzijds aan de reeds bestaande grote instellingen die bijna allemaal ‘koninklijk’ waren en vooral lokaal – lees: stedelijk – ingebed. Maar het had zeker ook te maken met de succesvolle generatie kunstenaars en producenten, die weliswaar fel tekeer ging tegen de bestaande instellingen, maar zelf helemaal niet zo happig was om ze te gaan bewonen. Deze generatie wilde het liefst van al nieuwe organisaties die zo precies mogelijk waren afgesteld op de eigen productiebehoeftes, en die niet te veel voorwaarden van buitenaf werden opgelegd.

Zo ontstonden sterke, succesvolle en vrij grote kunstorganisaties in het zogenaamde ‘vrije veld’. De grote dansgezelschappen, de kunstencentra, enkele grotere theatergezelschappen, de musea voor hedendaagse kunst, de barokorkesten: ze waren eerder het resultaat van Vlaams cultureel ondernemerschap dan van een doordacht beleid. Het paste ook bij de Vlaamse economische ‘spirit’.

Ondertussen verbleven heel wat van de bestaande instellingen tientallen jaren in een soort niemandsland. De inspanningen van de vorige twee Vlaamse regeringen om ze uit dat niemandsland te halen en binnen het beleid te trekken, waren verdienstelijk. Maar tegelijk toonden ze vooral aan hoe smal de beleidsbasis en de visie wel was. Dat is met deze regering en de zeven VKI’s niet anders. Niemand schijnt echt een antwoord te willen formuleren op de vraag: waarom leggen we in de kunstensector bepaalde activiteiten voor een (heel) lange periode vast?

Theo Van Rompay: De VKI’s krijgen proportioneel het merendeel van de middelen. Ballet Vlaanderen bijvoorbeeld ontvangt ongeveer hetzelfde budget als alle andere gesubsidieerde dansorganisaties samen. Maar er is geen sprake van een helder, democratisch politiek proces. Dat is wraakroepend.

ETC Herkennen de VKI’s hier aan tafel dit?

Luc Joosten: Om eerlijk te zijn is die problematiek bij ons nogal op de achtergrond terechtgekomen. De fusie van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen en de Vlaamse opera tot Kunsthuis betekende een ongelooflijke ontwikkeling voor ons. We zijn de voorbije periode vooral daarmee bezig geweest.

Matthieu Goeury: Bij Vooruit zaten we ook met een hele erfenis. We hebben lang nagedacht over hoe we ons instituut van binnenuit kunnen veranderen. We hebben er bijvoorbeeld voor gekozen om geen directeurs meer aan te stellen, maar wel coördinatoren – en dat is meer dan alleen een titel.Toekomstige strategische beslissingen zullen in alle openheid bediscussieerd worden in strategische teams, die bestaan uit verschillende leden.

Lies Vanborm: Inderdaad, die transitie naar een meer collectieve en horizontale aanpak viel bij Vooruit samen met de overgang naar Kunstinstelling.

Karlien Meganck: In deSingel is er ook sprake van transitie: er is veel aan het veranderen van onderuit. Wij werken voor het invullen van de vijf verschillende functies samen met steeds meer partners en zij hebben echt invloed op wat er in huis gebeurt.

L.J. Wij hebben erg geworsteld met Kiosk (de webapplicatie die dient om subsidieaanvragen in te dienen, red.). Je kunt er maar een beperkt aantal zaken in kwijt. In ons geval hebben we twee grote gezelschappen samengevoegd, en is het moeilijk om onze artistieke en andere plannen terug te brengen tot zo’n beperkt format.

Tijl Bossuyt: Maar de VKI’s hebben wel het voordeel dat de beoordelaars er op bezoek gaan en een echt gesprek met hen voeren. Ik heb dat zelf gedaan voor Vooruit toen ik voorzitter was van hun commissie. Andere grote huizen krijgen geen bezoek. Zij moeten het stellen met het half uur dat per organisatie voorzien wordt om binnen de commissie hun dossier te bespreken. Dat is zeer unfair.

Els De Bodt: Het merendeel van de organisaties – de VKI’s, Kunstenpunt, Kunstenloket en Vlaams Architectuurinstituut uitgezonderd – krijgt niet de kans om zijn dossier mondeling te verdedigen. Dat vind ik zeer jammer. Volgens mij is dat iets dat we zouden moeten kunnen organiseren voor de hele sector.

ETC Loopt het dan ook mank op het vlak van de beoordeling?

T.V.R. Ik zie alleszins niet in waarom de beoordeling van de VKI’s door een andere commissie zou moeten gebeuren dan die van de ‘gewone’ gesubsidieerde organisaties.

E.D.B. Ik vind dat je het moet omdraaien. Voor de VKI’s wordt een commissie samengesteld met specialisten. Ik zou graag hebben dat iedereen dat krijgt. In de commissie podiumkunsten, waar Tijl voorzitter van was, moest een groepje van slechts zes mensen – van wie het merendeel geen ervaring had in een beoordelingscommissie en de sector onvoldoende kende – zowel Circuit X als NTGent beoordelen. Dat kun je toch bijna onmogelijk goed doen?

Ti.B. Commissieleden moeten inderdaad vertrouwd zijn met de werking van zo’n groot huis en begrijpen wat het betekent om bijvoorbeeld tachtig mensen in dienst te hebben. De commissie die ik voorzat, had hiervoor wel extra expertise kunnen gebruiken. Dat was zowel voor de organisaties als voor het beslissingsproces beter geweest.

“Niemand schijnt echt een antwoord te willen formuleren op de vraag: waarom leggen we in de kunstensector bepaalde activiteiten voor een lange periode vast?”

T.V.R. Akkoord, maar de VKI’s moeten door dezelfde commissie gaan. Het is een illusie dat beoordelen uitsluitend neerkomt op het toetsen van criteria. Er zijn natuurlijk wel criteria, maar je positioneert altijd de verschillende indieners tegenover elkaar en in het ruimere landschap. Dat is precies waaraan de VKI’s ontsnappen.

Ti.B. Alleszins is het duidelijk dat er iets schort aan de beoordeling binnen het Kunstendecreet. De vraag naar welk landschap we willen en welke functies er door welke organisaties ingevuld moeten worden, komt telkens opnieuw terug. Als commissie moet je ook kunnen nadenken over het veld als geheel: wat moet je zeker bewaren? Wat wil je stimuleren? Dat was nu een onmogelijk vraagstuk.

ETC Karlien noemde het daarnet al, maar de VKI’s moeten een dossier indienen op alle vijf functies (presentatie, productie, ontwikkeling, participatie en reflectie). Is dat een positieve evolutie?

Tom Bonte: Je kunt natuurlijk pas na vijf jaar evalueren wat dat betekent.

Ti.B. Eerlijk gezegd vind ik het niet nodig dat al die huizen dezelfde functies invullen. Een huis moet een profiel hebben en binnen een landschap passen, en we moeten ervoor zorgen dat dat landschap verschillende functies invult. Maar het is raar om dit te verplichten. Dat lijkt me toch ook voort te komen uit een non-beleid: we stellen een aantal criteria op en dat zal het beleid zijn. Een keuze voor een functie is een engagement met consequenties, geen keurslijf dat moet worden afgedwongen. Dat men participatie wil stimuleren is een goede zaak, daar middelen tegenover stellen ook, maar opdringen gaat te ver.

© Sara Mertens

To.B. Ik stel mij bovendien vragen bij het feit dat er vaak partners gezocht worden om binnen die functies te passen. Voor een stuk dreig je daarmee het gras voor de voeten van kleinere werkingen weg te maaien. Als je bijvoorbeeld met een goede participatieve organisatie in zee gaat, bestaat het risico dat jij daarmee scoort voor participatie. Terwijl het in principe die partner is die over de knowhow beschikt en voor jou de kastanjes uit het vuur haalt. Dat is tricky. Ik ben uiteraard voorstander van partnerschappen, maar niet als die kleine spelers vervolgens gebruikt worden.

M.G. We proberen er daarom altijd een uitwisseling van te maken; we steunen hen ook financieel. We willen niet evolueren naar een neoliberaal instituut dat alleen navelstaart. Tijdens Blauwdruk, ons festival waar het publiek mee kon nadenken over onze transitie tot VKI, was het een bewuste keuze om de openingslezing te laten geven door Agnes Quackels (artistiek leider Buda Kunstencentrum, red.), die een andere instelling representeert.

L.J. Er is ook een gebrek aan transparantie in de afweging van de functies. Je moet ze als VKI allemaal invullen, en vervolgens zelf aangeven welke voor jou het belangrijkste is, maar het blijft onduidelijk hoe die tegenover elkaar worden afgewogen. Puur op het vlak van dossier heeft alles hetzelfde gewicht.

E.D.B. Karlien, je zei eerder dat er veel voor deSingel in gang is gezet, zowel intern als voor buitenstaanders. Ik voel ook – al werk ik zelf nog maar een jaar in Antwerpen – dat het goed is wat er nu in deSingel gebeurt. Maar eigenlijk zijn er redelijk veel huizen die al heel lang op die manier samenwerkingen aangaan, zowel op het vlak van participatie als op andere vlakken. De VKI’s beginnen vaak nu pas met het uitbouwen van zulke samenwerkingen omdat ze nieuwe criteria moeten hanteren, terwijl je toch zou mogen verwachten dat ze het voortouw nemen.

G.G. Toen er van de functies nog geen sprake was, heeft deSingel heel erg op ‘reflectie’ ingezet, met de Kunstcampus. En op ‘presentatie’, want dat was jullie corebusiness. Welke invloed heeft het feit dat je, naast de functies waar je exemplarisch voor was, nu moet uitbreiden naar andere functies zoals ‘productie’? Heeft dat geen negatieve invloed op de delen van de werking waar je net sterk in bent?

K.M. We hebben nog tijd nodig om de nieuwe evoluties te evalueren. Het produceren is natuurlijk niet nieuw: deSingel is reeds sinds de jaren 1980 producent van architectuurtentoonstellingen en de Rode Zaal werd al vanaf de beginjaren van de programmering podiumkunsten af en toe ingezet voor creatieperiodes. Die werking is beduidend vermeerderd vanaf 2010, toen deTheaterstudio erbij kwam. De realiteit is inderdaad dat er nu nog intenser op alle functies, waaronder productie, wordt ingezet. Voor podiumkunsten is er een aantal nieuwe en structurele samenwerkingsverbanden met productiehuizen en gezelschappen.

Het is soms nog zoeken naar hoe die samenwerkingen best verlopen. We zijn geen productiehuis, maar stellen middelen en mensen ter beschikking aan artiesten en productiehuizen waarmee we werken. Zo waren we coproducent voor De parade van Thomas Verstraeten. Dat was een zwaar project, een uitdaging voor zowel de producent (d e t h e a t e r m a k e r) als voor ons. We moeten het doen met de mensen en middelen die we hebben. Daar zit volgens mij eerder het pijnpunt.

Elsemieke Scholte: Aansluiting zoeken bij andere organisaties met vergelijkbare functies zou je als een uitdaging kunnen beschouwen, als een avontuur dat je met makers wilt aangaan. Maar met een relatief klein team is dat niet evident. Persoonlijk vind ik het super om die uitdaging aan te gaan, maar als kleine structuur scheurt detheatermaker soms bijna zijn broek aan dergelijke samenwerkingen. Uiteraard denk ik soms ook: waar blijft de ruimte voor ontwikkeling? We gaan snel over naar aspecten die zichtbaar zijn, dus ook naar productie. Ontwikkeling schiet er dan bij in, omdat dat veel meer in de luwte gebeurt.

“De Vlaamse Kunstinstellingen hebben het voordeel dat de beoordelaars er op bezoek gaan en een echt gesprek met hen voeren. Andere grote huizen krijgen geen bezoek.”

Delphine Hesters: Heeft er eigenlijk een VKI gedacht: we geloven daar niet in, in dat model waarin wij zelf zouden kunnen excelleren in die vijf functies? Wij hebben een budget, we geven dat integraal door aan partners in het veld van wie we geloven dat ze een bepaalde functie goed invullen?

M.G. Wij hebben duidelijk uitgelegd dat we de functies zullen invullen in samenwerking met partners, want we hebben de middelen en de expertise niet om alles zelf te doen.

ETC We hadden het daarnet al over partnerschappen, maar hoe zit het meer algemeen met de solidariteit tussen de Vlaamse Kunstinstellingen en de andere gesubsidieerde kunstorganisaties?

L.J. Je probeert elkaar te ondersteunen. De ontwikkeling van het Opera21-festival, waarvoor grote instellingen en kleine instellingen jaarlijks samenwerken, is een vorm van solidariteit.

To.B. Ik denk dat solidariteit lange tijd afwezig is geweest, vooral op beleidsmatig niveau. Het was heel stil tijdens de besparingsronde in 2015, waarbij alle organisaties 7,5 procent van hun middelen moesten inleveren, terwijl dat voor de VKI’s slechts 2,5 procent was. Ik heb toen geen enkele VKI om solidariteit horen roepen. Solidariteit wordt verengd tot samenwerking. Maar alle organisaties in het Kunstendecreet werken toch samen? Het feit dat de VKI’s grote budgetten naar zich toe zuigen heeft bovendien de budgettering van het hele Kunstendecreet beïnvloed. Ik denk bijvoorbeeld aan de lagere bedragen voor de project- subsidies. De minister zal natuurlijk zeggen dat elders extra middelen zijn gezocht, maar het blijft een feit: geld dat naar de VKI’s schuift, gaat niet naar de projectenpot.

T.V.R. Op zo’n cruciaal moment is het natuurlijk aan de VKI’s om ongevraagd te zeggen: het kan niet dat er op een andere manier bespaard wordt voor wie geen apart statuut heeft binnen het Kunstendecreet. Wie anders kan die positie innemen?

E.S. Uiteindelijk is er ook recent wel een gebrek geweest aan solidariteit. We hebben nu allemaal misschien nog een jaar de tijd om aan te voelen: hoe passen we in ‘de nieuwe jas’? Maar de situatie is nijpend geworden voor alle waarde- volle projecten van kunstenaars die met het verminderen van de projectsubsidies niet toekomen met hun basisfinanciering.

M.G. Voor mij is solidariteit een probleem van het hele veld, en heeft dat niet alleen iets met het statuut van de VKI’s te maken.

ETC Is er onder druk van onder andere de zware besparingsrondes dan niks aan het veranderen op het vlak van solidariteit binnen het veld?

G.G. Binnen oKo is de werkgroep ‘Grootschalig’ opengetrokken naar andere organisaties, naast de klassieke grote instellingen. Toen binnen die groep over de problematiek van de projectsubsidies werd gesproken, maakte het toch een verschil dat er een aantal huizen inzaten die daar zelf rechtstreeks mee te maken krijgen. Dat zorgt voor een grotere bewustwording van de samenhang tussen en wederzijdse afhankelijkheid van groot en klein in de sector.

D.H. Het is wel frappant dat dat gesprek blijkbaar pas gevoerd wordt als het ook henzelf direct aanbelangt. Dat is dan toch moeilijk een teken van solidariteit te noemen. De instellingen worden verondersteld een rol te hebben ten aanzien van het veld als geheel.

G.G. De grote instellingen werden beleidsmatig lange tijd geïsoleerd en hebben zich vervolgens in dat isolement geïnstalleerd. Vooruit, als nieuwkomer, staat dichter bij de rest van het veld. Maar dat een operahuis niet op de hoogte is van de kwesties die we net bespraken, vind ik minder verrassend.

To.B. De kunstensector is toch niet zo groot? Je kunt je toch niet voorstellen dat niemand binnen die VKI’s iets weet over de precaire positie van de kunstenaar? Dat zou ik verontrustend vinden.

L.J. Ik ga niet in de verdediging treden, maar het is wel opvallend dat de problematiek rond solidariteit eigenlijk binnen een leemte van het beleid valt. Je zou je kunnen afvragen: is solidariteit in feite ook een functie die we moeten vervullen? Of is het een soort van moreel-ethische plicht? Geldt die dan alleen binnen de kunstensector of ook ten opzichte van andere sectoren? Je krijgt een verdeel-en-heerspolitiek. Ik hoef me hier niet altijd achter te verschuilen, maar er zijn recent natuurlijk ook andere grote discussies bij ons aan de gang geweest, onder andere rond de fusie van de orkesten. Dat bracht enorme consequenties met zich mee. Ik denk dat we op zo’n moment met onze eigen winkel bezig waren.

ETC Laten we ook even vooruitblikken en speculeren over een andere toekomst voor onze Vlaamse Kunstinstellingen. Welke criteria kunnen we zelf naar voren schuiven om zo’n uitzonderingspositie te verantwoorden?

T.V.R. Het statuut van VKI betekent dat de Vlaamse Gemeenschap bepaalde organisaties waardevol genoeg acht om te bewaren voor lange termijn, en dat hun infrastructuur garant staat voor een duurzame ontwikkeling van de kunsten. Ze overstijgen de conjunctuur. Schaal kan hier één van de mogelijke criteria zijn. Maar als de Vlaamse Gemeenschap dergelijke instellingen naar voren schuift, vind ik het niet meer dan logisch dat dit publieke organisaties worden, waarin de directiefuncties beperkt worden in de tijd. Die kunnen dan bijvoorbeeld maximaal één keer hernieuwd worden. Net dat zou het verschil maken met de private organisaties, zoals de structureel gesubsidieerden onder het Kunstendecreet.

“Aansluiting zoeken bij andere organisaties met vergelijkbare functies kun je als een uitdaging beschouwen, als een avontuur dat je met makers wilt aangaan. Maar met een relatief klein team is dat niet evident.”

L.J. Die transitie van mandaten is nu al ingezet. Aviel Cahn, intendant van de Vlaamse Opera sinds 2009, is de eerste die onder die regeling valt. (In 2019 wordt hij algemeen directeur van Le Grand Théâtre de Genève, red.)

D.H. Dat je als organisatie de conjunctuur overschrijdt, heeft toch niets te maken met jouw schaal? Dan stel je dat dit per definitie niet kan opgaan voor kleinere organisaties. Dat vind ik een gevaarlijk uitgangspunt.

G.G. Conjunctuuroverschrijdend werken is een subjectief criterium. Misschien moeten we ook nadenken over objectievere criteria. Infrastructuur is voor de hand liggend, maar misschien zijn er nog andere, zoals ensemblevorming. Toen ik vele jaren geleden opriep om de scheiding tussen ballet en hedendaagse dans qua subsidiëring op te heffen, argumenteerde Jeanne Brabants dat een bepaalde maat van een ensemble noodzakelijk was om het repertoire te kunnen dansen. Ze zei ook dat de klassieke danstaal een continue zorg en training met een vaste groep nodig had. Ik ben geneigd haar te volgen, maar dat moet dan ook van toepassing zijn op de hedendaagse ensembles. Anders zou je vandaag kunnen argumenteren dat de omvorming van het Ballet Vlaanderen naar een meer hedendaags of polyvalent ensemble door Sidi Larbi Cherkaoui een reden zou zijn om hen weg te halen bij de VKI’s. Ensemblevorming is lang niet de enige basis om theater, dans of muziek te maken, maar als je ervoor kiest, is het essentieel om op lange termijn te kunnen werken.

T.V.R. Inderdaad. Mijn kritiek heeft niet te maken met de evolutie van Brabants naar Cherkaoui, wel met het feit dat de gemeenschapsmiddelen voor dans in Vlaanderen nooit vanuit een totaalperspectief werden toegekend.

L.J. Organisatorisch blijft een duurzame structuur voor Kunsthuis echter wel onvermijdelijk. We hebben een zeer complexe planning die dag op dag tot 2020 vastligt. Daarbij komt ook nog eens het beheer van de drie gebouwen (Opera Antwerpen, Opera Gent en de studio’s op het Eilandje, red.). We kunnen niet op korte termijn werken. Als we ervoor kiezen om in ballet en opera te investeren en die op internationaal niveau te laten meetellen, stuit je onvermijdelijk op deze problematiek.

ETC Is patrimonium dan ook een mogelijk criterium om tot de groep van VKI’s te kunnen toetreden?

M.G. Het is alleszins zo dat het gebouw van Vooruit erg veel kost. De verwachtingen van Monumentenzorg zijn hoog. Als onze subsidie ingeperkt wordt, heeft dat onvermijdelijk repercussies voor het gebouw.

D.H. Ik vraag me af of er geen andere oplossingen zijn om met het gewicht van de infrastructuur om te gaan, en of we die problematiek zo uit de discussie over de Kunstinstellingen kunnen weren. Zijn er bijvoorbeeld denksporen mogelijk waarbij we de lokale overheden daarin meer kunnen betrekken?

“Met Vooruit steunen we onze partners ook financieel. We willen niet evolueren naar een neoliberaal instituut dat alleen navelstaart.”

G.G. Als je de meest inerte delen gaat isoleren, dan is het risico op bureaucratie reëel. Wenen is een goed voorbeeld. De grote holding van infrastructuren die ze daar hebben opgericht, is zeer budgetopslorpend.

D.H. Dat klopt, maar  dat algemene idee kan verschillende concrete uitwerkingen krijgen.

E.D.B. De problematiek rond de infrastructuren is urgent. STUK heeft jarenlang moeten bemiddelen om subsidies van Vlaanderen te krijgen voor de renovatie van zijn gebouw. (Sven Gatz heeft in mei 2017 bekendgemaakt dat de organisatie 2,4 miljoen euro krijgt van het Fonds voor Culturele Infrastructuur, maar voorheen moest STUK zijn artistieke subsidies aanwenden voor onderhoudswerken, red.). Iedereen die een te beheren infrastructuur heeft, weet hoe sterk de weerslag ervan is op je werking. Het is niet fair dat de VKI’s zich hier geen zorgen over moeten maken, en anderen wel. De overheid moet daar meer systematiek in brengen.

ETC In hoeverre speelt de regionale spreiding een rol in de benoeming? Het is een publiek geheim dat die overweging een rol heeft gespeeld in de keuze voor de twee nieuwe VKI’s: Vooruit in Gent en Concertgebouw in Brugge.

E.D.B. Tijdens een debat in Limburg gaf iemand van het kabinet onlangs aan dat ze nu volop bezig zijn met de voorbereiding van de transitie van Z33 tot VKI. Niet alleen was dat nieuwe informatie voor mij, toen ik navroeg op basis van welke criteria Z33 geselecteerd werd, bleek dat een zuiver regionale beslissing. Zo banaal wordt het dan. Ik kan het dus wel helemaal vergeten in Antwerpen. (lacht)

To.B. Je ziet dat we een weg zijn ingeslagen waarvan het einde nog lang niet in zicht is. Z33 dient zich nu aan, maar wie komt daarna? Als je er iemand bijhaalt, veranderen de criteria meteen. Dat is een straatje zonder einde.

ETC Stel dat we de VKI’s overboord gooien, kan het dan een optie zijn om de termijn voor subsidiëring binnen het Kunstendecreet uit te breiden, zodat continuïteit op lange termijn gegarandeerd blijft?

To.B. Zeker. Tot dusver is elk argument om een aparte categorie te rechtvaardigen, teleurstellend en artificieel. In die zin wil ik er bijna voor pleiten om het oude Kunstendecreet terug in te voeren. Aan de bestaande termijn van twee en vier jaar voegen we er één van acht jaar aan toe. Organisaties kunnen dat zelf bepalen en motiveren. De XL-termijn koppelen we aan directiemandaten, zoals Theo voorstelt. En laten we ook het principe van cultural governance terug invoeren: niet-gepolitiseerde raden van bestuur, representatie van diversiteit enzovoort. De overheid lijkt haast vergeten te zijn dat het die norm aan alle gesubsidieerde instellingen heeft opgelegd, maar niet aan de VKI’s.

Je kunt je serieuze vragen stellen bij het hele idee van too big too fail. Iedereen is misbaar. Als je je werk structureel niet meer goed doet en je jezelf uit de kunstmarkt hebt geprijsd, moet je vervangen kunnen worden. Al de rest is conservatisme en angst. Als Ballet Vlaanderen vandaag weet waarmee het bezig is en zijn waarde in het veld wordt gedeeld, dan zal het overleven en heeft het geen aparte categorie nodig. Zo optimistisch ben ik dan.

“Iedereen die een te beheren infrastructuur heeft, weet hoe sterk de weerslag ervan is op je werking. Het is niet fair dat de Vlaamse Kunstinstellingen zich hier geen zorgen over moeten maken, en anderen wel.”

T.V.R. Een andere behandeling in termen van termijn vind ik zeker verdedigbaar. Het is in elk geval belachelijk dat Alain Platel, Anne Teresa De Keersmaeker en Wim Vandekeybus zichzelf nog om de vijf jaar moeten bevestigen. Sowieso ben ik binnen het Kunstendecreet altijd voorstander geweest van een beoordeling op basis van de recente praktijk van kunstenaars, geëvalueerd over de voorbije zes jaar bijvoorbeeld, en niet op basis van de ingediende dossiers voor de toekomst.

G.G. Ik vind het problematisch om institutionalisering alleen te associëren met conservatisme en angst. Ik denk dat er vandaag vooral angst is om iets vast te leggen. Het citaat ‘politics without reference is a referendum’ zou je ook op de kunsten kunnen toepassen. Als het cultuurbeleid geen referenties creëert of daar niet aan werkt, wat heb je dan? De vraag blijft natuurlijk hoe die referenties er moeten uitzien. We denken misschien nog te veel in termen van ‘huizen’. Misschien bieden de vijf functies in het Kunstendecreet een aanknopingspunt. De achterliggende gedachte was om een steeds gespecialiseerder en gefragmenteerder veld opnieuw coherenter te maken en ‘een betere plek voor kunstenaars’ te laten zijn. Misschien moeten we onze institutionalisering meer koppelen aan het verankeren van knooppunten waar functies samenkomen, in plaats van de functies samen te proppen in grote instellingen. De organisaties die zulke knooppunten vormen en daarbinnen samenwerken, kunnen na verloop van tijd wel veranderen, maar niet de functies en de doelstellingen die je eraan koppelt.

gesprek
Leestijd 15 — 18 minuten

Charlotte De Somviele, Natalie Gielen en Ciska Hoet, m.m.v. Elke Huybrechts

Charlotte De Somviele, Natalie Gielen en Ciska Hoet maken deel uit van de kleine redactie van Etcetera.