tg STAN – Alleen

Een voorstelling als een noodgreep

Moeten we het hebben over het feit dat Fikry El Azzouzi een Belgische schrijver is van Marokkaanse origine? Moeten we het hebben over het feit dat Sara De Roo een blanke actrice is bij een gevestigd Vlaams theatergezelschap? Moeten we in een recensie over de monoloog Alleen de artistieke analyse maken van het kunstwerk, of ook de sociaal-morele evaluatie van een samenwerking die blijkbaar (door het expliciet benadrukken van het culturele ‘verschil’) in de media wordt ervaren als ‘bijzonder’? De vragen zo provocatief stellen is ze natuurlijk beantwoorden. In de context van een kunstkritisch artikel vind ik de afkomst van de makers relevant noch interessant. Hopla, dat hebben we dan – weliswaar met een mooie praeteritio – ook alweer gehad.

Maar wacht eens even. El Azzouzi en De Roo maken het ingewikkelder dan dat: ze thematiseren in Alleen niet alleen de culturele verschillen tussen twee personages, maar ook het maakproces van de voorstelling en zelfs hun culturele identiteit. De manier waarop een voorstelling ontstaat maakt natuurlijk als vanzelf deel uit van het eindresultaat, maar zelden wordt het proces expliciet naar boven gehaald als onderwerp. In Alleen verschijnt het maakproces echter als een ontdubbeling van de inhoudelijke thematiek. De artistieke maar ook onmiskenbaar interculturele worsteling tussen een Belgische schrijver van Marokkaanse origine en een blanke actrice bij een gevestigd Vlaams theatergezelschap spiegelt de interculturele liefdesworsteling van de personages. El Azzouzi schreef de tekst van dat liefdesverhaal op vraag van en voor Sara De Roo. Zij oordeelde dat het ‘een clichématig schoolopstel’ was. De mailconversatie die zich vervolgens tussen schrijver en actrice ontspon over de kwaliteit van de tekst – maar nog veel meer over de definitie van kwaliteit en de machtsverhoudingen die die definitie bepalen – kreeg een plek op scène. Tussen de verhalende scenes in leest De Roo voor uit de mails. Dat maakt Alleen niet ‘echter’ of ‘authentieker’ – ook de mails zijn gedramatiseerd – maar het plant het fictieve verhaal wel radicaal in een realiteit van nu.

Fikry El Azzouzi schreef een monoloog waarin een blanke, hoogopgeleide vrouw verliefd wordt op een laagopgeleide man met Marokkaanse roots. Liefde blijkt de grote gelijkmaker, want deze Eva zeilt vrij vlotjes langs haar eigen angsten en twijfels (die een prille liefde sowieso met zich meebrengt) rond de combinatie laagopgeleid + Marokkaan. De weerstand van haar directe omgeving (vrienden en ouders) lijkt op een aantal vinnige cafédiscussies met feministische vriendinnen na niet onoverkomelijk, en zelfs de gevreesde kennismaking met zijn moeder wordt met tragikomische moed doorstaan. Al bij al voel je: met deze mensen komt het goed. Tenminste: vanuit het standpunt van de blanke Eva is dat zo, maar zij is de enige stem in de tekst, dus we kunnen niet anders dan door haar ogen meekijken. Welke diepe littekens Ayoub eventueel meedraagt onder zijn humoristische, relativerende verschijning, daarover komen we weinig te weten. Tot zover het ‘clichématig schoolopstel’, of je zou kunnen zeggen: de naïeve droom-met-happy-end van zowel Eva als van Sara De Roo als van het ‘progressieve’, ‘linkse’, zelfverklaard openminded blanke gedeelte van de Vlaamse bevolking. Maar in de laatste tien minuten maakt El Azzouzi duidelijk dat zij, en dus ook wij, dansen op een slapende vulkaan. Eva en Ayoubs ‘weldenkende’ micro-wereld wordt gewelddadig opengebroken naar de grote wereld errond, en die blijkt in brand te staan – de lichte, badinerende toon van de tekst verdwijnt en de ons-kent-onsgezelligheid maakt plaats voor een apocalyptisch toneel van rassenrellen, geweld en haat. Komt het eigenlijk wel goed? Kan hun liefde ook in deze grote wereld overleven?

Door die laatste tien minuten krijgt het mailgesprek tussen de schrijver en de actrice met terugwerkende kracht een grote urgentie. Het geweld is de consequentie van een te grote afwezigheid van zo’n gesprek, hoe onbeholpen en ontmoedigend dat in Alleen ook aandoet. Want laat ons eerlijk zijn: het loopt niet van een leien dakje. De mails van De Roo en El Azzouzi zijn genadeloos, in hun zelfonderzoek, maar ook in hun ontmaskering van de ijdelheid, het zelfmedelijden, de vooroordelen of het superioriteitsgevoel van de ander. Toch blijft in wat toch vaak klinkt als een dovemansgesprek één vraag van De Roo resoneren: ‘Waarom zoek ik toch een weg naar de overkant?’ Het is de korte samenvatting van Alleen: een poging om naar de overkant de geraken, of ook: naar de andere kant, de buitenkant. En dan gaat het niet alleen over de voor de hand liggende brug tussen culturele identiteiten, maar ook over grenzen tussen man en vrouw, tussen het persoonlijke en het politieke, of over die tussen toneel en buitenwereld.

Scenograaf Jozef Wouters heeft dat schitterend gevat in zijn decorontwerp. De twee witte curves die hij aan weerszijden van de zaal installeerde, lijken tegelijkertijd podium (en dus spreekplek) als catwalk (van identiteiten) als skateramp (van waarop je je kan lanceren) als uiteinden van een brug – op een gegeven moment vormt De Roo met haar lichaam letterlijk het verbindingsstuk tussen de twee uiteinden. Net zoals ze op een ander moment met haar handen en haar hele lichaam de wanden van de toneelzaal afgaat – rondom rond, tastend naar de begrenzingen van het toneel, alsof ze de de wereld buiten die toneelwanden letterlijk naar binnen wil trekken. Wat vermag kunst, wat vermag toneel (maar) in deze kwesties, en is dat genoeg?

Alleen begint met een geloofsbelijdenis: “Ik getuig dat er geen god is behalve God en ik getuig dat Mohammed Zijn boodschapper is.” Het personage Eva spreekt deze woorden uit, niet omdat ze gelooft in de god van haar geliefde, maar omdat ze gelooft dat het uitspreken van de formule haar helpt om aan te sluiten bij de religieuze gemeenschap waarvan haar geliefde deel uitmaakt. Het is dus een noodgreep. De voorstelling Alleen is in haar geheel ook zo’n geloofsbelijdenis, zo’n noodgreep. Louter in de fictie zou de urgentie misschien veraf zijn gebleven (‘het is maar een verhaal’), maar doordat El Azzouzi en De Roo zichzelf als makers en mensen in de strijd gooien kan niet meer ontkend worden dat dit gaat over vandaag, en over het feit dat de ontmoeting tussen een Belgische schrijver van Marokkaanse origine en een blanke actrice bij een gevestigd Vlaams theatergezelschap een noodgreep van een voorstelling oplevert. Alles aan Alleen wil zo graag, is zo hartstochtelijk doordrongen van een bijna wanhopig geloof in een brug tussen verschillende culturen. Tegelijkertijd tekent alles aan Alleen haarscherp de vele obstakels die zo’n brug ontmoedigend wankel maken. Het hangt er dus maar vanaf hoe optimistisch je wilt kijken naar deze monoloog. Alleen bewijst dat het water erg diep is, maar de wil bijzonder groot. Alleen bewijst ook dat de wil erg groot is, maar het water bijzonder diep.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.