Etcetera Magazine. Tijdschrift voor podiumkunsten.

Johan Simons

Sébastien Hendrickx

Johan Simons ligt al even onder vuur, niet zozeer als regisseur maar als artistiek leider. In de State of the Union die criticus Wouter Hillaert enkele weken geleden uitsprak bij de opening van Het Theaterfestival, nam hij ’s mans schijnbaar astronomische loon en expansiedrift nog op de korrel. Simons combineert het artistiek leiderschap van NTGent en de Ruhrtriennale. In 2018 ruilt hij die toppositie bij het internationale festival voor het intendantschap van het Schauspielhaus Bochum. Zijn rol bij het grote fusieproject Theater Rotterdam werd door het opflakkerende protest een stuk kleiner dan gepland. En maar goed ook, teveel macht en middelen concentreren bij één speler blijkt zelden een gezonde zaak. Tussen neus en lippen door bazelt de verdediging nog iets over ‘peanuts’ en ‘monkeys’… Het meritocratische argument staat of valt natuurlijk met de kwaliteit van Simons’ artistieke werk. Is het nog zo goed als de aficionados beweren? 

Pieter T'Jonck

Alceste, een opera van Christoph Willibald Gluck in een regie van Johan Simons en onder de muzikale leiding van René Jacobs, mocht de Ruhrtriënnale van dit jaar (de tweede onder leiding van Simons) openen. Muzikaal was de voorstelling een schot in de roos, maar dramaturgisch leverde de inzet van indrukwekkende middelen teleurstellend weinig op. Misschien loont het gewoon niet om opera’s als deze te ensceneren zoals een grand opéra uit de 19e eeuw. Een concertante uitvoering zou minstens zo beklijvend kunnen zijn. 

Antithesis
Geert Opsomer en de redactie

De perceptie leeft dat jonge makers moeilijker dan vroeger doorstromen naar het grote podium. Minder transparant dan percepties zoals deze, zijn echter de vragen waarin dit debat wortelt. Ontbreekt het de jongste generatie makers aan ‘grote’ boodschappen? Wordt hen vanuit de opleidingen onvoldoende metier aangeleerd om een beeldtaal te ontwikkelen die gepast is voor een groot plateau? Gaat het niet zozeer om artistieke kwesties, maar om de logheid van de schouwburg als instituut waarin de kunstenaar die vandaag zijn praktijk ontwikkelt (met flexibiliteit als codewoord) zich niet meer thuis voelt? Of wordt de doorstroming aan banden gelegd door een ‘oververzadigd’ veld dat wegens financiële krapte geen risico’s meer durft nemen (lees: jonge makers kansen wil geven op de grote scène)?