Ayman Baalbaki (1975) Untitled, 2015. Courtesy of Ramzi & Saeda Dalloul Art Foundation

Teksten uit de Arabische wereld / De Arabische wereld bestaat niet

Gecureerd door Moussem Nomadisch Kunstencentrum

Twee jaar geleden organiseerde Moussem Nomadisch Kunstencentrum in samenwerking met Toneelhuis een driedaags festival rond de gevierde Syrische theaterauteur Saadallah Wannous. Tijdens een speech die de schrijver ooit gaf voor Unesco World Theater Day praat hij over ‘zijn dorst naar dialoog’. Het is een warm en idealistisch betoog over theater dat op verschillende manieren dialogen tot stand kan brengen. Volgens Wannous zal het theater, hoe het zich vormelijk ook ontwikkelt, altijd een ideaal forum zijn waar mensen hun historische en existentiële condities inzichtelijk kunnen maken.

In zijn visie geven theaterteksten bij uitstek een diepe inkijk in een samenleving of in het gevecht van het individu in zijn relatie tot sociale structuren. Het is opvallend dat veel theaterteksten uit de ‘Arabische wereld’ vaak politieke thema’s behandelen of existentiële vragen stellen over de sociale patronen in de omgeving. Een echt emanciperende rol uitdragen is door verschillende vormen van censuur allesbehalve evident, maar lijkt daardoor ook noodzakelijker.

Toen we twee jaar geleden de tekst Tuqus al-Isharat wa-l-Taha-wwulat van Wannous naar het Nederlands vertaalden, constateerden we dat dit de eerste oorspronkelijk in het Arabisch geschreven theatertekst was die vertaald en uitgegeven werd in het Nederlands. Onwerkelijk. Ons contact met de ‘Arabische wereld’ is onmetelijk, van het gedeeld verleden tot onze huidige economische en sociale verbondenheid en de dagelijkse familiale of culturele uitwisseling. Het is schrikbarend om te zien wat er zich van die gemeenschappelijkheid maar bestendigt en deel gaat uitmaken van de publieke culturele ruimte. Des te onwaarschijnlijker is het dat er in ons theaterlandschap nauwelijks kennis is van theaterteksten of theaterauteurs uit de ‘Arabische wereld’, hoewel die ‘Arabische wereld’ als dusdanig, als verzamelnaam voor verschillende landen, culturen en talen, natuurlijk niet bestaat.

Moussem werkt op verschillende manieren aan de ontsluiting van ‘Arabisch’ repertoire. Zo wil het kunstencentrum niet alleen teksten introduceren die behoren tot de Arabische canon, maar ook nieuw of jong werk dat huidige artistieke tendensen in de verschillende Arabische landen signaleert. Taal is niet meer zo plaatsgebonden als vroeger, maar het is wel nog vaak de deur naar de ander. ‘De dorst naar dialoog’ van Wannous benadrukt het belang van de openheid om werk toe te laten, teksten te lezen, te vertalen en te spelen.

Voor Etcetera selecteerde Moussem een fragment uit Tais-toi et creuse, de eerste theatertekst van de Libanese schrijfster Hala Moughanie (1980) die in 2015 de Prix Theatre RFI won. Zij woont en werkt in Beiroet, studeerde filosofie en literatuur aan de Sorbonne in Parijs en keerde in 2003 terug naar Libanon waar ze werkte als journalist en als consultant voor verschillende ngo’s. Naast de bijdrage van een scène uit haar theatertekst, schreef Moughanie een ‘non-manifest’ over identiteit en de ‘framing’ van zichzelf als schrijfster.

In haar werk herken je de typische hand van een jonge generatie kunstenaars uit Beiroet: hoogopgeleid, intelligent, maar met de voeten in de klei. Een geëngageerde generatie die de samenleving in Libanon wil helpen opbouwen. Het kan niet anders dan dat deze jonge mensen ontzettend getekend zijn door de burgeroorlog die ze als kind hebben meegemaakt. Een van de drijfveren om aan de tekst Tais-toi et creuse te werken, was juist het gebrek aan geschiedschrijving over die burgeroorlog. Het is opvallend dat het thema ‘archivering’ vaak terugkomt in het werk van deze generatie kunstenaars, en dan denken we aan onder anderen Sirine Fattouh, Raafat Majzoub, Chaghig Arzoumanian en Dictaphone Group. Bepalend voor haar schrijverschap noemt Moughanie als eerste haar moederschap, de verantwoordelijkheid voor haar kinderen, haar verschillende activiteiten en haar eerdere werk als journaliste. De complexiteit van een geëngageerd leven in Beiroet lijkt haar schrijverschap te voeden, evenals haar bewuste keuze om niet alleen daarvan te willen leven. Los van het feit of dat wel zou kunnen, wil ze er niet afhankelijk van zijn. Schrijven als noodzaak en ontlading.

Op 19, 20 en 21/10/2017 staat er opnieuw een driedaags festival rond Arabisch repertoire op stapel i.s.m.Toneelhuis en deSingel. Voorafgaand, op 27 september, is er een avond in Bozar naar aanleiding van het boek ‘Ceci n’est pas une valise’, een verzameling verhalen van Arabische schrijvers over hun nieuwe vaderland België.

 

KOP DICHT EN GRAVEN

Synopsis: Op een vuilnisbelt scharrelen een vader, een moeder en hun zoon rond nabij een put. Ieder van hen vindt er wat hij of zij zoekt: spullen om door te verkopen, souvenirs of een gapend gemis.Tot er twee vertegenwoordigers van het gezag arriveren, die een familiaal evenwicht verstoren dat al precair was. Vanaf dan wordt alles handelswaar: de dingen, de plaatsen en de mensen.

Vertaald door Erwin Mortier

DE VADER: Ik laat jullie twee minuten alleen en kijk, weer twee minuten dat er niet gewerkt wordt.

DE MOEDER: De kleine zegt dat het rustig was vannacht.

DE ZOON: En zonder ontploffingen. Bizar. Ik was eraan gewend geraakt, de ontploffingen. Ze werken als een klok, de ontploffingen, maar een klok die haar uren voor zich houdt. Het zijn onze uren, tegenwoordig. Niet de uren die we kenden voor de oorlog uitbrak. Nee, dit zijn andere uren, uren die ontploffen om te laten voelen dat de tijd van de oorlog anders verloopt dan de tijd van de niet-oorlog.

DE MOEDER: Vreemd toch, er zijn geen ontploffingen vanavond.

DE ZOON: Spijtig, ik ben ervan gaan houden, van de ontploffingen. Als de boel ontploft, weet ik dat het land stabiel is, dat niemand mijn vertrouwde besognes zal verstoren en me mijn kleine gewoontes zal ontnemen. Het is goed om je eigen kleine gewoontes te hebben. Als de boel ontploft, zeg ik in mezelf dat we niet zomaar van de oorlog in de niet-oorlog zijn beland, niet zo terloops, zomaar, van de ene dag op de andere, als op de dag dat de niet-oorlog overging in de oorlog. Weet je nog? Een mooie dag was het niet echt, echt niet, die dag. De dag van de eerste ontploffing die me hier vanbinnen helemaal door elkaar heeft geschud.

DE MOEDER: Ik raak nooit in slaap als de boel niet ontploft. De hele nacht lig ik op de eerste ontploffing te wachten. Komt er niets, dan voel ik me onrustig, zo onrustig. Ik zeg in mezelf: het zal toch niet waar zijn? Ze zijn ons vergeten, ze zijn domweg vergeten ons te bombarderen… Ze zijn vergeten dat wij er ook nog zijn. Ofwel ben ik dood zonder het te weten en omdat ik dood ben hoor ik ze niet meer, de ontploffingen. Dan tast ik naar mijn hand, en dan naar mijn buik. Ik leg mijn hand op de lakens, gewoon om te weten dat ik ze echt kan voelen en dat ik niet dood ben.Tot ze beginnen te bombarderen. Als ze beginnen te bombarderen, dan is alles normaal. Ik voel me veilig en val in slaap.

DE VADER: Goed. Waar staan we intussen met het graafwerk?

DE ZOON: Daar!

DE VADER: Hoe bedoel je, daar?

DE ZOON: Ik ben aan het zoeken in dat gat, dat gat daar. Daar ben ik aan het zoeken.

DE MOEDER: Dat al lang geen gat meer is, meer een uitholling. Dat is geen gat meer.

DE VADER: Wat een verfijnde ideeën heb je toch, mijn hartendief, verlengstuk van mijn denken. Straks vind ik het nog geweldig dat ik met je getrouwd ben. En wat valt er zoal te vinden?

DE ZOON: Van alles. Maar niets voor jou. Voor mij wel, vooral voor mij.

DE MOEDER: Ah! Een stopcontact. Dat is voor jou, liefje.

DE ZOON: O! Een essenkurk. Die hou ik voor mezelf. En ook een ketting. Een etsenketting. Wel, die is voor jou, de etsenketting.

(Hij reikt de vader de ketting aan, die haar aanneemt.)

DE MOEDER: En hier, nog een stopcontact.

DE VADER: Amper genoeg om twee courgettes mee te kopen.

DE MOEDER: Het is toch een mooi begin?

DE VADER: Of een tragisch einde.

DE MOEDER: Hou je gesomber voor jezelf. Het doet me daveren tot in mijn maag.

DE VADER: De puinhoop is helemaal doorzocht. We zitten nu op straatniveau en er is niets meer te vinden. Hoe zou je willen dat ik niet ongerust ben?

DE MOEDER: We komen er wel uit.

DE VADER: O ja, hoe dan? Ja, als ze ons gebombardeerd hadden, en wij gekwetst of dood waren… De hele wereld had ons gezien. Zelfs de omroepen. Fotografen uit de hele wereld zouden zich over mijn kadaver hebben gebogen. Op elk scherm ter wereld zouden ze mijn kadaver hebben gezien. Parijs, Londen, Milaan… Echte roem! Maar we zijn allemaal min of meer gezond, niemand ziet ons, laat staan dat ze ons vertroetelen. Zelfs de hulporganisaties kijken niet naar ons om.

DE MOEDER: We zouden ons kunnen laten evacueren, de hulporganisaties zouden ons wel helpen als we weg moesten.

DE ZOON: Ik wil het niet, ik wil het echt niet. Ik wil het niet omdat ik al lang weg ben. Ja, ik ben al een vluchteling, hier vanbinnen. Want voor mij is de oorlog als een bom die me uiteengereten heeft, hier, vanbinnen, en sindsdien zit er een gat in mijn buik. Het gat dat dáár ligt, voor onze neus, heeft geluk. Het zit propvol. Het is tevreden met zijn vieze broeken, zijn plakkerige chocoladepapiertjes van tijdens de speeltijd, zijn plasticzakken van de kruidenier, zijn rotte rundsdarmen. Maar het mijne, het gat in mijn eigen buik, dat is niet gevuld, nee. Ik ben een open gat dankzij die bom, die in mijn buik is afgegaan en me vanbinnen helemaal door elkaar heeft gegooid. Dus ben ik dakloos in mezelf. Ik verschuil me in mijn eigen buik, gewoon om te kunnen zeggen dat er toch iets in mezelf zit. Alleen maar om te kunnen zeggen dat ik geen leeg gat ben, kruip ik weg in mijn eigen binnenste.

DE MOEDER: Je zou om hulp kunnen vragen.

DE ZOON: Vergeet het.

DE MOEDER: Waarom?

DE ZOON: Omdat dakloos in jezelf zijn volgens de internationale statuten niet bestaat.

Twee mannen in uniform komen op. Ze lijken niet bepaald enthousiast en houden een zak met gedroogde en gezouten meloenpitten in de hand. Ze kraken de pitten met hun voortanden voor ze de schillen weer uitspuwen.

DE VADER: Maar wie zijn jullie?

DE ENE: En jullie, wie zijn jullie?

DE ANDERE: Ja, wie? U daar en u en u, wie zijn jullie?

DE VADER: Doodnormale burgers.

DE ENE: Burgers van wat?

DE MOEDER: Van ons land natuurlijk.

DE ANDERE: Welk land?

DE MOEDER: Van het land waar we nu zijn.

DE ANDERE: En jij bent ook in je eigen land?

DE ZOON: Zeker.

DE ANDERE: Hoe weten jullie eigenlijk waar jullie zijn?

DE MOEDER: We zijn hier nooit weggeweest.

DE ANDERE : Dus?

DE MOEDER: Dus zijn we hier.

DE ZOON: Ik graaf hier, dus zou ik zeggen dat dit hier mijn land is.

DE VADER:  Goed dan, en jullie, wie zijn jullie?

DE ENE: Doodnormale burgers.

De MOEDER: Een van de onzen dus.

DE ANDERE: Ik zou het niet weten.

DE ZOON: Jullie zijn dus de anderen? Zou wel grappig zijn, jullie beiden, de anderen.

DE ANDERE: Wat bedoel je, de anderen?

DE MOEDER: Gewoon, de anderen.

DE ANDERE: De anderen…. Zijn dat ook burgers?

DE ZOON: Wie zal het zeggen?

DE ANDERE: Wij, wij zijn toch echt wel burgers, niet, Chef?

DE ENE: En wat dan nog?

DE ANDERE : Maar Chef, dan zou het kunnen dat de anderen, dat wij dat zijn!

DE MOEDER: Maar nee, als jullie burgers zijn, dan zijn jullie toch evengoed een van de onzen.

DE ZOON : Best mogelijk, het is best mogelijk.

DE ENE: Nee.

DE MOEDER: Hoezo, nee?

DE ENE: Het kan niet wij bij hen horen.

De MOEDER: ‘Bij hen’, wie zijn dat dan?

DE ENE: Hen, dat zijn jullie.

DE ANDERE: Ja, jullie.

DE MOEDER: En waarom dan, meneer, horen jullie niet bij ons?

DE ENE: Eerlijk gezegd, mevrouw, zijn jullie het, die niet bij ons horen.

DE MOEDER: Waarom niet?

DE ENE: Wij dragen uniformen.

DE MOEDER: Dus?

DE ANDERE: Hebben jullie dat, uniformen?

DE ZOON: Nee. Nee, ik heb geen uniform. Nee.

DE MOEDER: Ik heb ergens nog een oud carnavalspak op zolder.

DE ENE: Dat telt niet.

DE ANDERE: Nee, dat telt niet.

DE ENE: Kunt u ons de redenen voor uw aanwezigheid hier verklaren?

DE ZOON: Geef eerst maar jullie redenen. Jullie eerst.

DE ENE: Nee.

DE MOEDER: Waarom niet?

DE ENE: Wij zijn in uniform.

DE ZOON: Dus?

DE ANDERE: Dus moeten jullie eerst antwoord geven.

DE MOEDER: We zijn hier op eigen bodem.

DE ANDERE: Wie zegt dat die bodem van u is?

DE MOEDER: Mijn man.

DE ENE: Verklaar u nader, meneer.

De VADER: Nu meteen?

DE ENE: Ja, nu meteen.

DE VADER: U staat erop?

DE ENE: Vanaf nu stellen wij hier de vragen.

DE VADER: Waarom?

DE ENE: Omdat wij een uniform hebben.

DE ANDERE: Geef antwoord, meneer.

DE VADER: Mijne heren, we bevinden ons hier op onze werkplek.

DE ANDERE: Meneer, stel je voor, het is toch eigenaardig, wij zijn hier ook op onze werkplek.

DE MOEDER: Zijn jullie van de nachtronde?

DE VADER: Komaan, liefje. Je ziet toch aan hun kostuum….

DE ANDERE: Aan ons uniform.

DE VADER: Zeker, duizend excuses, aan hun uniform. Je ziet toch aan hun uniform dat ze niet het soort mannen zijn dat de nachtronde doet. Nee, deze heren zijn mannen met macht.

DE ENE: Macht, dat zeker… Ik… Het viel me op, mevrouw, dat ik u nog niet kon zien zonder het maanlicht. Je lijkt te schitteren en de maan, goed wetend dat ze vannacht niet veel omhanden zal hebben, lijkt zich te hebben verborgen om u te laten schijnen.

DE MOEDER: U komt goed uit uw woorden, meneer, in dat mooie uniform van u.

 

NON-MANIFEST

Vertaald door Martine Bom

‘U hebt de oorlog meegemaakt, nietwaar?
Hoe voelt het om er een vrouw te zijn?
… en in Beiroet, hoe is het daar?’

Je stelt mij voortdurend die vragen. Ik zie niet in waarom ze mij zouden aanbelangen. Ik ben er trouwens niet van overtuigd dat je een antwoord verwacht. Of toch niet van mij, want ik heb het gevoel dat je die vragen niet aan mij stelt, maar aan jezelf. Weet je dat als je zegt:
‘Ik heb een tekst van een Libanese schrijfster gelezen’, dat dat minder over mij zegt dan over jezelf? Dat als je mij verzekert: ‘Uw tekst bezit een universele dimensie’, je in mijn tekst probeert te achterhalen wat hij over jou zou kunnen zeggen, in plaats van te begrijpen wat hij over de wereld onthult? Je herleidt hem dan tot iets dat alleen de kleinste gemene delers uitdrukt van een betekenis die niet van mij afhangt, waarvan je denkt dat ze van jezelf uitgaat, maar die in werkelijkheid niemands verantwoordelijkheid is. En als je je beide verklaringen in dezelfde zin bevestigt, zie je niet in hoe absurd tegenstrijdig ze zijn.

Het spijt me je te moeten melden dat:
Neen, ik mij niet in de marge bevind. Ik bevind mij ook niet in het middelpunt. Zoals elke mens bevind ik mij in het middelpunt van mijn eigen universum en, afhankelijk van het ogenblik, bevind jij je evenveel in mijn marge als in mijn middelpunt.
Neen, ik geen product van jouw verbeelding ben. Ik ben het product van mijn verbeelding die botst met mijn perceptie van de wereld.
Neen, ik niet in het Frans schrijf. Ik schrijf zoals iedereen die schrijft, dus geconfronteerd met het weerbarstige potentieel van woorden.
Neen, ik niet beperkt ben tot een land
tot een nationaliteit
tot een huidskleur
tot een geslacht
tot een millennium.
Neen, ik die hokjes niet erken.
‘Maar wat dan met uw identiteit?’
Hier moeten we even stoppen. Identiteit is een ernstige zaak (zegt men). .
.
.
Misschien.

Synoniemen van het woord ‘identiteit’: overeenstemming, samenvallen, bestendigheid, gelijkenis, familieband, particularisme, gemeenschap, eenheid van wezen, …

Antoniemen van het woord ‘identiteit’: verschil, verscheidenheid, ongelijkheid, anders-zijn, tegenstelling, onevenredigheid, …

Als ik het goed begrijp, vraag je je af en vraag je mij op wie anders dan mezelf ik lijk. Dezelfde gerechten met elkaar delen, dezelfde familienamen, dezelfde talen of eenzelfde gebied, of zelfs eenzelfde nationale geschiedenis, is geen afdoende maatstaf. Toevalligheden, zelfs meervoudige, volstaan niet om mensen te verenigen.

Ik blijf proberen, maar de term ‘identiteit’ verwijst naar niets in mij dat ik kan vatten. Voor mij refereert dat woord aan niets. Ik zou zelfs denken dat ik lijd aan het tegendeel van identiteit. Maar niet helemaal, want ik wil me het woord ‘toeval’ wel toe-eigenen. Ja, toeval als het aanvaarden van de toevallige aard van de wereld, van het ogenblik in het leven dat mij vastgrijpt en mij buiten alle verwachting maakt tot wie ik ben, en dat verbazing opwekt. Ik hoef geen identiteit. Ik heb ze niet nodig. Ze bestaat alleen voor jou, die probeert om mij een betekenis te geven tegenover de wereld om niet te moeten toegeven dat ik het niet ben die ontdaan is van betekenis, maar de wereld zelf. Dus baken je mij kunstmatig af, als was ik een aardrijkskundig gebied.

Jij bent het die de grens ziet, die de grens maakt.
Maar vanachter de grens is het onmogelijk de wereld als een raamverhaal te verkennen.
Ik heb beslist taal te zijn. Ik ben talen. Ik ben talen die de hoofdwegen van de wereld met evenveel woorden plaveien als ik ademhalingen waarneem. Talen die elk toeval inpalmen als voorwendsel voor een bestaan, en dus voor het schrijven. Talen die zich opbouwen tot welig tierende wouden die mijn enige woonomgeving worden, die ik schep terwijl ik mij erin vestig en die vorm krijgen naargelang hun contacten met de wereld. En net zoals de talen de adem van de wereld volgen, rek ik mij uit, plooi ik mij terug, vermeng ik mij, stort ik mij te pletter, laat ik mij herboren worden.

Ik besta niet buiten de woorden om.
En de woorden beslissen me te doen wortelen waar zij dat wensen, maar ze kunnen ook beslissen me niet te doen wortelen.

kunstenaarsbijdrage
Leestijd 10 — 13 minuten

Hala Moughanie (tekst) en Cees Vossen (inleiding)

Hala Moughanie is een Libanese schrijfster die in 2015 de Prix Theatre RF won. Ze woont en werkt in Beiroet.
Cees Vossen is bij Moussem Nomadisch Kunstencentrum verantwoordelijk voor het programma podiumkunsten.