© Eva Decaesstecker

Charlotte De Somviele (introductie), Mette Edvardsen, Bryana Fritz & Eva Decaesstecker (illustraties)

Leestijd 3 — 6 minuten

Tekst als choreografie

De beweging van het denken en het schrijven

Wat hebben dans en tekst met elkaar gemeen? Weinig, zou je intuïtief zeggen. Taal benoemt wat het lichaam niet gezegd krijgt, terwijl het lichaam een ervaring of fysieke kennis kan oproepen die de taal nooit helemaal kan bevatten. Toch, of misschien net daarom, hebben tekst en dans in de loop van de geschiedenis altijd al om elkaar heen gecirkeld.

Terwijl de danser in het klassieke ballet nog beschouwd werd als een stilzwijgende uitvoerder, emancipeerde hij zich aan het begin van de twintigste eeuw tot een auteur met spreekrecht. Dat gebeurde
 af en toe op scène, maar voornamelijk erbuiten. Zo schreven choreografen Mary Wigman en Isadora Duncan uitgebreid over hun visie op dans. Trisha Brown zette tekst in de jaren 1960 dan weer in als tool bij haar choreografische experimenten, en in het Tanztheater van Pina Bausch werden sprekende dansers de norm. Toen kwam Jérôme Bel, die onder invloed van het poststructuralisme het dansende lichaam inruilde voor een tekstueel, discursief lichaam. Il n’y a pas de hors-texte.

In deze postdisciplinaire tijden lijkt de relatie tussen dans en tekst inniger dan ooit. Tekst wordt niet alleen vaak als een raamwerk gebruikt voor choreografieën (denk recent aan Rosas’ Golden Hours, EVOL van Claire Croizé of het werk van de Noorse Janne-Camilla Lyster), de inzet ervan past ook in een veel bredere en langere omwenteling, waarbij hedendaagse choreografen zich op een hybride manier bedienen van velerlei media (beweging, beeld, video, geluid, nieuwe technologie en dus ook taal).

Daarbinnen nemen steeds meer choreografen 
ook zelf de pen ter hand. Kunstenaars zoals Mette Edvardsen, Louis Vanhaverbeke, Begüm Erciyas en Bryana Fritz ontwikkelen een choreografische schrijfpraktijk, die we kunnen begrijpen als een vorm van expanded choreography (een begrip gemunt door performance filosoof en choreograaf Mårten Spangberg om aan te geven dat choreografie zich niet alleen hoeft uit te drukken in beweging, maar ook in bijvoorbeeld literatuur, scores of stadsplanning). Hun werk uit zich als performatieve, visuele of muzikale poëzie, met een grote choreografische gevoeligheid.

© Eva Decaesstecker

Het is niet toevallig dat poëzie en choreografie veel raakvlakken hebben. Beide houden zich bezig met de organisatie van woorden, dan wel lichamen (of objecten) in tijd en ruimte. Dat die ruimte en tijd zowel concreet als imaginair kunnen zijn, tonen de volgende twee bijdragen van Mette Edvardsen en Bryana Fritz, die speciaal op vraag van Etcetera werden geschreven. Etcetera stelde de choreografen en schrijfsters een eenvoudige vraag: hoe kan een tekst choreografisch zijn? Beiden formuleerden een uniek en complex antwoord, dat een aantal aspecten over die choreografische benadering blootlegt. Zo zijn beweging en ritme de stuwende kracht in Edvardsens tekst. Niet alleen articuleert haar bijdrage de beweging van het denken, als een ‘continuous line of thought’ die nooit eindigt en aan het einde van de pagina ‘trails off into the distance’. Die beweging stuurt ook de leesdynamiek. Edvardsen speelt met de spanning tussen de meticuleuze, ‘choreografische’ compositie van woorden, die in hun specifieke cadans het lezen organiseren en bijna fysiek voortstuwen, en de betekenis van de woorden die door de afwezigheid van interpunctie steeds weer verschuift. Het choreografisch kader is strak en bepaald, maar daarbinnen danst de tekst. Ook opvallend is hoe de tekst speelt met temporaliteit door verschillende tijdslagen te evoceren (het hier en nu, maar ook toekomst en verleden) en zich bijzonder bewust blijkt van zijn eigen vergankelijkheid. Zou dat eigen zijn aan choreografische teksten?

Fritz, die graag gebruikmaakt van het vocabularium en de procedés van nieuwe media, focust dan weer sterk op de verruimtelijking van tekst, waarbij ze het computerscherm als een scène voorstelt. Het apparaat bepaalt hoe het lichaam van de tekst vorm krijgt. Fritz experimenteert met een multiperspectivistische manier van lezen, die niet-lineair maar fragmentarisch is, en speelt met de spanning tussen het zichtbare en het onzichtbare, het concrete en het virtuele. Door de lezer te vragen 
zich een aantal sneltoetsen in te beelden en in en uit te zoomen, verandert de tekst tijdens het lezen van vorm.

Beide teksten thematiseren ook de beweging van het schrijven zelf: de zwaartekracht van het potlood die de schrijvende hand naar beneden trekt bij Edvardsen, de handen die typen op het toetsenbord, ‘scripting
 their movements as they go’, constant onderhandelend tussen ‘touch and sight, moving and observing’ in het geval van Fritz. In die zin doen deze teksten in de etymologische zin van het woord aan choreografie denken: ze schrijven beweging. Niet toevallig eindigt geen van de bijdragen dan ook op een punt. De lijn blijft dansen.

Lees hier de bijdrage van Mette Edvardsen.

Lees hier de bijdrage van Bryana Fritz.

kunstenaarsbijdrage
Leestijd 3 — 6 minuten

Charlotte De Somviele (introductie), Mette Edvardsen, Bryana Fritz & Eva Decaesstecker (illustraties)

Mette Edvardsen is choreograaf en performer. Ze is tevens onderzoekster aan de Nationale Kunstacademie in Oslo. Bryana Fritz studeerde aan P.A.R.T.S. en danste in voorstellingen van o.a. Rosas. Daarnaast maakt ze haar eigen werk als performancekunstenares en schrijfster.
Charlotte De Somviele is lid van de kleine redactie van Etcetera.
Eva Decaesstecker studeerde Kunstwetenschappen. Ze schrijft onder meer voor rekto:verso en tekent graag.

kunstenaarsbijdrage