Superleuk, maar voortaan zonder mij – Wunderbaum

Je hoeft er geen oordeel over te hebben

Nergens wordt het verschil tussen mensen zo duidelijk als wanneer ze zich amuseren. Het spreekwoord ieder diertje zijn pleziertje betekent volgens Wikiquote: ‘iedereen vermaakt zich op zijn manier (je hoeft er geen oordeel over te hebben)’. Dat laatste is makkelijk gezegd, en dat ondervond ook David Foster Wallace toen hij op invitatie van Harper’s Magazine in 1995 deelnam aan een luxecruise van één week langs de Caraïben. Een centrale vraag in zijn werk – hoe kunnen we begrip opbrengen voor mensen, ook wanneer we op het eerste zicht niets met hen gemeen hebben? – stelt zich eveneens in deze tekst.

Samen met de naoorlogse boom van het grootschalige entertainment is de veronderstelde kritische blik op populaire bezigheden tot stand gekomen – in het werk van bijvoorbeeld filosofen als Adorno, die het nog opnam voor het in zijn ogen onophoudelijk bedrogen publiek, maar later eveneens in ironische, satirische of denigrerende televisiereportages, van bijvoorbeeld Louis Theroux of – in Vlaanderen – Man bijt hond.

Wallace publiceerde zijn essay in een tijdschrift dat de cruisende toeristen hoogstwaarschijnlijk ongelezen lieten. Hetzelfde probleem doet zich voor, maar dan anders, wanneer acteurscollectief Wunderbaum besluit om zijn tekst als basis te nemen voor een theatervoorstelling. Hoe kunnen zij een beeld schetsen, op scène, van het leven op een cruise, terwijl zowel de acteurs als het theaterpubliek een verblijf op een dergelijke plezierboot beschouwen als a supposedly fun thing they’ll never do, om naar de Engelse titel van Wallaces verslag te verwijzen? En vooral: hoe kunnen ze dat doen zonder reizigers te ridiculiseren, en zonder in cynisch uitlachtheater te voorzien? Wunderbaum slaagt erin de toeristen inderdaad als wonderlijk en komisch op te voeren, maar toont tegelijkertijd mededogen voor de tragische aspecten van hun bestaan.

De leden van het acteurscollectief zijn begin dit jaar ook op cruise geweest, en ze hebben het zichzelf niet makkelijk gemaakt door een Duitse variant te kiezen, en dus een minder glamoureuze en goedkopere reis te maken dan Wallace, langs weinig tot de verbeelding sprekende locaties zoals Southampton en Le Havre, in een nooit tropisch te noemen klimaat, en op een al bij al niet erg mooie boot. Het zijn mistroostige foto’s die Wunderbaum van bij aanvang toont op groot scherm centraal op scène, terwijl de beschrijvingen van Wallace – ook door zijn ongelooflijk precieze zinnen – altijd iets aantrekkelijks hebben, hoe pervers of decadent ook. De cruise die Wunderbaum presenteert, wordt nooit superleuk, en misschien heeft de keuze om op locatie te spelen – in een verlaten en ijskoude Antwerpse havenloods – daar mee te maken: de atmosfeer verwijst altijd slechts knullig naar de ervaring van een verondersteld comfortabele cruise. En het is niet makkelijk om een dergelijke omgeving realistisch na te bouwen, zeker niet in vergelijking met de vaak bovenmenselijke vermogens tot mimesis waarover Wallace kon beschikken.

“Wie heeft nog echt het idee, op een dergelijke cruise en in deze wereld, iets te doen dat niet eerst door een ander is voorgekauwd of opgelegd, in het kader van publieksgericht vermaak?”

Een ander verschil met de tekst is dat Wunderbaum geregeld de mens achter de toerist probeert te tonen, of – met gepast grote woorden – de authentieke ziel van de Westerse consument. Er is in het theaterstuk geen auteur aan het woord die in de ik-persoon zijn ervaringen, ideeën, angsten en indrukken reconstrueert, maar die naar de gevoelens en gedachten van anderen het raden heeft. Dat blijkt aan het begin van het stuk wanneer een jonge blonde vrouw, gespeeld door Maartje Remmers, het woord neemt. Ze heeft een exemplaar in de hand van Superleuk, maar voortaan zonder mij, en bubblegum kauwend presenteert ze cynisch zowel auteur als boek. Ze onthult dat ze een tafelgenote en dus een personage is in de tekst van Wallace, en ze leest de bewuste passage voor, in de vertaling van Iannis Goerlandt.

‘Mona is achttien. Al sinds haar vijfde nemen haar grootouders haar elk voorjaar mee op Luxecruise. Mona slaapt steevast tot na het ontbijt en de lunch en zit de hele nacht ofwel in het Mayfair Casino op de automaten te spelen, ofwel in Disco Scorpio. Ze is minstens 1m85. Volgende herfst gaat ze naar Penn State University want de afspraak was dat ze een auto met vierwielaandrijving zou krijgen als ze ergens naartoe zou gaan waar het sneeuwt. Ze geneerde zich niet om toe te geven dat dit het doorslaggevende selectiecriterium was geweest. Ze was een ongelofelijk veeleisende passagier, ook aan tafel, maar haar klachten over kleine esthetische en culinaire onvolkomenheden misten de oordeelkundigheid en integriteit van Trudy en Esther en klonken daardoor ronduit lomp. (…) Ook draaide ze met haar ogen bij ongeveer om het even wat ze zeiden, een gewoonte die me al snel de gordijnen in joeg. Ik merk dat ik me minder zorgen maak om mogelijk gemene dingen over Mona te zeggen (…).’

Meteen daarna – en dat is een belangrijk verschil met het essay van Wallace – lijkt Mona uit haar rol te vallen, en vraagt ze zich openlijk af of de auteur haar niet wat minder eenzijdig had kunnen portretteren. Ze was tijdens de cruise inderdaad een verwend nest, maar ook een onbegrepen tienermeisje dat zich alleen op de wereld voelde. Remmers houdt zich niet in, en barst in tranen uit, waardoor ze op enkele minuten tijd zowel cynische distantie, nauwkeurige observatie als ongeremde wanhoop belichaamt. Dat mechanisme werkt ook voor andere personages, zoals een filmende toerist of een rouwende weduwnaar, en het is tekenend voor deze voorstelling, die is opgebouwd uit gevoelsmatige maar ook theatrale contrasten, uit perspectiefwisselingen en wild mood swings die ervoor zorgen dat de voorstelling spannend blijft. De leden van Wunderbaum zingen, dansen, spelen muziek, spreken, lachen en kijken; ze wisselen soms op scène van kostuum of van pruik; en een personage – zoals een Filipijns kamermeisje – dat eerst onbarmhartig wordt uitgelachen, is enkele seconden later het onderwerp van terecht en bijna larmoyant medelijden. Voortdurend blijkt dat mensen op deze cruise een rol spelen, zonder dat ze nog kunnen uitmaken of ze daar voor hebben gekozen. Een komisch hoogtepunt zijn de scènes met de Griekse kapiteins – met alle leden van Wunderbaum in een zwart pak, inclusief Griekse snor en krullenpruik. Volgens Wallace zijn het nepkapiteins, die tegemoet komen aan het toeristische verlangen naar traditionele en herkenbare figuren, terwijl de boot door een computer wordt bestuurd. Wunderbaum werkt die licht paranoïde mogelijkheid verder uit, opnieuw door een inkijkje te gunnen in de gedachten van de Grieken, die trots zijn op wat ze beredeneerd en vakkundig verrichten, maar die er ook aan twijfelen of ze niet als inwisselbare slaven zijn ingescheept. Wie heeft nog echt het idee, op een dergelijke cruise en in deze wereld, iets te doen dat niet eerst door een ander is voorgekauwd of opgelegd, in het kader van publieksgericht vermaak?

Het mooiste en meest confronterende moment van de voorstelling doet zich daarom voor wanneer het theaterpubliek een cultureel pleziertje te zien krijgt waarop ook de cruisende toeristen getrakteerd werden. Wunderbaum toont een video-opname van het optreden dat ze mochten geven op de Duitse cruise – een glitterrijk maar vermoedelijk eerder bevreemdend cabaret dat – zo blijkt althans uit de reactie van de programmator – niet echt in de smaak is gevallen, en dat niet voor herhaling vatbaar wordt geacht. Terwijl de video loopt, performt Wunderbaum ook op scène, en Wine Dierickx zingt Eisbaer van Grauzone in de versie van Nouvelle Vague. Het publiek in de Antwerpse loods waant zich even op de plek van de reizigers op de Duitse boot, en het oordeel over andermans vermaak blijft als vraag achter, eerder dan als afwijzing of bevestiging.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

Christophe Van Gerrewey

Christoph Van Gerrewey is schrijver van essays, verhalen, romans. Hij is tevens onderzoeker, docent, en criticus in het domein van Architectuur en Stedenbouw.