Chambres d’O, Aruan Ortiz © Ilse Philips

Charlotte De Somviele en Ciska Hoet

Leestijd 8 — 11 minuten

‘Een schisma tussen de cc’s en het kunstenveld is contraproductief’

Liv Laveyne over de nieuwe rol van het Vlaamse cultuurcentrum

Culturele centra zijn er om de banden tussen de lokale bevolking en cultuur te versterken. Maar daarnaast nemen ze ook steeds vaker taken over van kunstencentra of werkplaatsen en treden ze op als initiator, coproducent of werkplek. In ‘De zin en onzin van lokaal cultuurbeleid’ (Etcetera 151) oppert Evelyne Coussens dat de cc’s hierdoor de kunstencentra beconcurreren. Liv Laveyne, programmator bij cc De Grote Post in Oostende, een van de jongste in Vlaanderen, is het daar niet mee eens. Reden genoeg voor een gesprek over de rol van het culturele centrum.

ETC Klopt het dat een cc volgens jou veel meer kan bieden dan alleen spreiding en participatie?

Liv Laveyne Inderdaad. Op het vlak van ontwikkeling en productie kunnen we zelfs tegemoetkomen aan bepaalde noden waaraan gesubsidieerde organisaties onder het Kunstendecreet niet kunnen voldoen, onder andere omdat er te weinig middelen zijn. Natuurlijk gebeurt dat op een andere manier dan in de reguliere huizen, maar die aanvullende werking komt de kunstenaar alleen maar ten goede.

ETC Jouw punt is dat makers die elders geen plek vinden, bij jullie terechtkunnen. Betekent dit dat cc’s zich richten op niches waarvoor geen ruimte is binnen het Kunstendecreet?

L.L. De pot van het decreet is gewoon te klein en je merkt dat
er telkens bepaalde tendenzen of voorkeuren bovendrijven in de kunsthuizen. De leemten die daardoor ontstaan, kunnen wij enigszins opvullen. Momenteel vallen jeugd- en teksttheater bijvoorbeeld makkelijker uit de boot. De traditionele kunstencentra zetten immers vooral in op performancekunst. Evengoed zie je dat een bepaalde middengeneratie – die tussen de jonge makers en gevestigde waarden invalt – het moeilijk heeft om aan de bak te raken. Maar het hoeft geen of-ofverhaal te zijn waarbij we enkel mikken op wie elders niet terechtkan: sommige kunstenaars resideren zowel bij ons als in de kunstencentra, en dat is prima.

Ook de idee van concurrentie vind ik gek. Soms bewerkstelligen we zelfs het omgekeerde. Met C-mine en Antigone ondersteunen we jaarlijks samen één kunstenaar, die bij voorkeur nog niet structureel gesubsidieerd wordt. Elke partner legt een substantieel bedrag in en verbindt zich ertoe die maker een werk- en presentatieplek te bieden. Precies doordat we als cultureel centrum die rol opnemen, zorgen we ervoor dat er onrechtstreeks middelen terugstromen naar het Kunstendecreet. Dat is toch het omgekeerde van in elkaars vaarwater zitten?

ETC Die residentiewerking neemt natuurlijk wel een fikse hap uit je budget, waardoor je minder kunt programmeren en in die zin dus minder kunt tegemoetkomen aan spreiding, de historische kernfunctie van een cc.

L.L. Elk cultuurcentrum beschikt over een specifiek gebouw met specifieke mogelijkheden. De Grote Post heeft naast de drie volledig uitgeruste theaterzalen ook nog zeven atelierruimtes en een muziekstudio. We stellen die ruimten ter beschikking van kunstenaars omdat we ons verantwoordelijk voelen om het gebouw maximaal te benutten voor cultuur en kunsten.

We zouden de residentiewerking gratis kunnen houden door kunstenaars enkel infrastructuur aan te bieden, maar we vinden het cruciaal om hen correct te behandelen, naar analogie met hoe dat meestal in de kunstensector gebeurt. We voorzien dus niet alleen repetitieruimte, maar we dragen ook de kosten voor logies, transport en catering. Verder kunnen de residenten zelf aangeven wat ze nodig hebben: ondersteuning op dramaturgisch, zakelijk of communicatief vlak, of netwerking. Natuurlijk vraagt dat om een groot engagement van je personeel en zet het je budget onder druk. Jaarlijks maken we daarvoor 15.000 euro vrij en daarnaast reserveren 
we nog eens 7.500 euro om residenten – vooral jonge of onbekendere kunstenaars – ad hoc een plek te geven in onze programmatie van het komende seizoen. Dat betekent dat ik een zevental reguliere voorstellingen minder kan programmeren. Maar dat zijn keuzes die je maakt als je wilt inspelen op de noden die er zijn. Als cc moeten we hierin onze verantwoordelijkheid opnemen.

“Momenteel vallen bijvoorbeeld jeugd- en teksttheater makkelijker uit de boot bij de kunstencentra. Die leemten kunnen de culturele centra enigszins opvullen.”

Binnen dat kader moet trouwens vermeld worden dat het klassieke spreidingsmodel sowieso onder druk staat. De uitkoopsommen van theatergezelschappen zijn de laatste jaren dramatisch gestegen. Ik kan met hetzelfde budget veel minder programmeren dan vroeger. Sommige stadstheaters durven de kosten van hun tournees in Nederland al eens door te rekenen in hun uitkoopsommen. Helemaal problematisch is dat die sommen niet aan de capaciteit van je zaal worden aangepast. Onze grote zaal beschikt over aanzienlijk minder zitplaatsen dan andere grote zalen, waardoor we dus de facto minder ticketinkomsten kunnen genereren.11Lees meer over deze kwestie in het artikel ‘Spreiden doet lijden’ van Wouter Hillaert (Rekto:verso, 11 september 2017)

Open Huis, Anna Heuer Hansen & Alice Van der Wielen 
© Gunter Caus

ETC Het betrekken van de lokale bevolking is historisch een kernopdracht van culturele centra. Kunstenaars die iets bij jullie maken, moeten dan ook een zeker lokaal engagement aangaan. Ten aanzien van jullie residenten laat De Grote Post die eis vallen. Juist vanwege het gebrek aan couleur locale suggereert Evelyne Coussens dat de functies ontwikkeling en productie beter aan de kunstencentra worden overgelaten. Toch zijn die residenties voor jou ook een manier om aan publieksopbouw te doen?

L.L. Vooreerst zijn er de praktische zaken waardoor residenten wel degelijk in contact komen met de lokale bevolking. Denk maar aan de vrijwilligers die voor de catering zorgen en de Oostendse families bij wie residenten mogen overnachten. Daarnaast organiseren we naar het model van Kunstencentrum BUDA ook toonmomenten voor een testpubliek (de Kornuiten). Zo krijgt een niet-professioneel publiek niet alleen inzicht in een creatieproces, maar komt een kunstenaar ook uit de creatiebubbel waarin hij doorgaans belandt.

“Het klopt dat kleine cc’s vaak break-even moeten draaien en dat ze daarom niet altijd even gewaagd kunnen of mogen programmeren.”

Precies die omgang met het lokale veld en het publiek ter plekke zit in het DNA van de cc’s. Dat trekken we ook door als we creaties maken. In seizoen 2015-2016 hebben we bijvoorbeeld het theaterfestival VERS georganiseerd, waarvoor een aantal lokale amateurverenigingen aan de slag ging met teksten van Tom Lanoye. Lanoye coachte de gezelschappen bij hun tekstkeuze, en Sara Vanderieck (De Grote Post) en Hildegard De Vuyst (Les Ballets C de la B) stonden de gezelschappen dramaturgisch bij. Voor de amateur-makers was het bovendien een oefening in samenwerking: ze droegen zelf het hele festival, in samenwerking met De Grote Post, van productie tot communicatie en logistiek. De hele idee van ‘volksverheffing’ – de historische reden waarom de culturele centra zijn opgericht – heeft vandaag dus een veel bredere en actievere invulling gekregen, die ook de professionele kunstenaar zelf ten goede komt. De kiem voor Lanoyes heropvoering van Ten oorlog werd in Oostende gelegd.

ETC In een recent opiniestuk op Knack.be stelde theatermaker Stijn Devillé dat alle culturele centra ‘supermarkten’ zijn geworden. Daarin neemt hij niet alleen de vermarkting van de culturele sector en de gebrekkige spreiding op de korrel, maar ook de programmatie, waarin
‘het lichte entertainment’ zou overwegen. Strookt die kritiek met de realiteit?

L.L. De culturele centra hebben altijd een evenwicht gezocht tussen de presentatie van commercieel en gesubsidieerd werk. De hoogdagen van comedy in de schouwburgzalen zijn ook wat voorbij. Mensen kunnen die grote shows nu op televisie zien en de sommen – vaak partageregelingen – die je voor een comedian neertelt, zijn met de bekendheid ook sterk gestegen, waardoor je er niet zo gemakkelijk meer winst uithaalt. Maar het klopt dat vooral kleine cc’s vaak break-even moeten
draaien en dat ze daarom niet altijd even gewaagd kunnen of mogen programmeren. Maar voor evenveel andere cc’s geldt dat niet. Ik heb in ieder geval niet de indruk dat het publiek ‘banger’ is voor experimenteel werk dan vroeger. Voor dergelijk werk moet je als huis wel veel meer moeite doen om je publiek warm
te maken, want onbekend is vaak onbemind. Maar eens je ze over 
die drempel krijgt, zijn de reacties meestal zeer positief. Wel voel je dat het zogenaamde middenveldtheater, zoals de klassieke collectieven, onder druk staat en niet meer als vanzelfsprekend volle zalen trekt. Daarover moeten we eens de koppen bij elkaar steken.

Wat ik vooral betreur, is dat stukken als die van Coussens en Devillé een schisma veroorzaken tussen de culturele centra en het kunstenveld. Dat klimaat van twist, versterkt door de druk op de subsidies, is het laatste wat we vandaag nodig hebben. Ik wilde vooral reageren op het artikel van Coussens omdat ik geloof in de nood aan 
meer wisselwerking tussen beide werelden. Op het vlak van ontwikkeling en productie kunnen de 
cc’s bijvoorbeeld veel leren van de kunstensector. Hoe kun je kunstenaars het best begeleiden? Hoe kun je ze helpen bij het schrijven van een subsidiedossier? Wat houdt produceren precies in? Cc’s hebben dan weer veel expertise op het vlak van doelgroepenbeleid, publiekswerking en -werving waar de kunstensector mee gebaat zou zijn.

Chambres d’O, Brihang 
© Manu Debruyne

Onlangs had ik een gesprek met een kunstenaar voor wiens voorstelling we als coproducent optreden.
 In het kader daarvan hebben we
 een ontbijtgesprek georganiseerd 
in samenwerking met het FMDO (Federatie van sociaal-culturele verenigingen van mensen met een migratieachtergrond). Dat is een zeer effectieve manier om een publiek te betrekken. Die kunstenaar vertelde dat hij dit soort omkaderende initiatieven vaak mist bij de kunstencentra waar hij gewoonlijk speelt. Tot
 voor kort was er bijvoorbeeld geen publieksmedewerker bij Vooruit in Gent. Dat is toch opmerkelijk voor een huis met zo’n lange traditie? Natuurlijk kunnen veel kunstencentra in een stedelijke context op een 
vast publiek terugvallen, maar ook zij moeten hun toeschouwersbereik diversifiëren. Culturele centra zijn daar op dagelijkse basis mee bezig.

“Op het vlak van ontwikkeling en productie kunnen de cc’s veel leren van de kunstensector. Cc’s hebben dan weer veel expertise in doelgroepenbeleid, publiekswerking en -werving.”

Hoe kunnen we constructieve verbindingen tot stand brengen met elkaar? Met Veerle Van Schoelant (programmator van 30CC in Leuven) had ik het er onlangs over. Misschien moeten we in de toekomst ‘salons’ inrichten, waar professionals uit het culturele veld en de kunstensector elkaar kunnen ontmoeten om ervaringen uit te wisselen en naar oplossingen te zoeken. We moeten ook buiten de eigen sector durven kijken: in samenwerking met C-mine, BUDA, Vooruit, Kaaitheater, het tijdschrift H ART en Arteconomy is De Grote Post op dit moment bijvoorbeeld al bezig met een project om
 de economische en culturele sector beter met elkaar te verbinden via een website die bedrijven en kunstenaars met elkaar in contact brengt. Een beetje zoals Tinder dus. (lacht) We gaan nu een eerste testfase in
en hopen het platform dit najaar te lanceren. Ook op het vlak van de zoektocht naar alternatieve financiering staan culturele centra en de kunstensector voor gelijkaardige uitdagingen, dus waarom de handen niet in elkaar slaan?

ETC Tot slot: er is al veel over geschreven, maar hoe ervaar jij de overheveling van de middelen voor cultuur naar het Gemeentefonds? In haar artikel ziet Evelyne Coussens naast opportuniteiten ook veel risico’s. Voel jij dat ook zo aan?

L.L. De positieve kant van het verhaal is dat je als cc veel meer
 in dialoog moet gaan met je stad en vice versa. Hetzelfde geldt 
voor de andere cc’s uit je regio. Bovenlokale samenwerking wordt de sleutel, zeker om het huidige spreidingsprobleem aan te pakken. Het nadeel is dat je weet dat politici vaak niet veel verder denken dan de volgende kiestermijn. Dat verlies van een langetermijnbeleid is een reëel gevaar, terwijl sectoren zoals cultuur, onderwijs, ontwikkelingssamenwerking – maar ook initiatieven met betrekking tot kansarmoede en integratie – dat juist nodig hebben. Daarnaast blijft het problematisch dat deze kwetsbare sectoren zonder die oormerking plotseling tegen elkaar worden afgewogen.

Je voelt ook dat politici liever inzetten op tijdelijke projecten met prestige, dan op werkingen. De 
Grote Post is niet toevallig vijf jaar geleden opgericht in aanloop naar de verkiezingen. We werden als het paradepaardje gepresenteerd, de nieuwe ‘Mercedes’ van de Oostendse politiek, maar toen was al duidelijk dat er te weinig benzine was om die auto kilometers te laten rijden. Vergeet niet dat De Grote Post qua infrastructuur vergelijkbaar is met Vooruit. Dat is een hele uitdaging.

“Een klimaat van twist, versterkt door de druk op de subsidies, is het laatste wat we vandaag nodig hebben.”

Voorts is er natuurlijk het risico op politieke bemoeienis. Zeker in verkiezingstijd wil elke partij zich profileren, ook op het vlak van wat volgens hen cultuur moet zijn. En
het is niet omdat je tijdens deze legislatuur goed samenwerkt met 
het beleid, dat je werking ook bij een nieuw bestuur in de smaak zal vallen. Er zijn dus wel wat onzekere factoren.

Chambres d’O, Benjamin Verdonck 
© Manu Debruyne

ETC Wat kunnen we, los van het Decreet voor Regionaal Cultuurbeleid dat minister van Cultuur Sven Gatz momenteel voorbereidt, doen om die risico’s te minimaliseren?

L.L. Ik vind het zinvol dat elk cc voor de verkiezingen een charter aangaat met zijn lokale overheid, dat het cc autonomie en zelfbeschikkingsrecht garandeert en via structurele financiering de continuïteit van de werking verzekert. Noem het een mandaat van vertrouwen om met de toegekende middelen zelf te kunnen beslissen wat de inhoudelijke en zakelijke keuzes zijn. Daarnaast is het wenselijk om de gepolitiseerde raden van bestuur van cc’s op zijn minst aan te vullen met onafhankelijke experts op zakelijk en artistiek vlak. Veel lokale bestuursleden zijn onvoldoende vertrouwd met cultuur. Zo kunnen we binnen deze nieuwe situatie een langetermijnperspectief ontwikkelen, wat onontbeerlijk is voor een duurzame werking. Ook de monitoring die vanuit Vlaanderen beloofd was na de beslissing rond de inkanteling in de gemeentefondsen blijft ons inziens een noodzakelijk meetinstrument.

interview
Leestijd 8 — 11 minuten

Charlotte De Somviele en Ciska Hoet

Charlotte De Somviele en Ciska Hoet zijn leden van de kleine redactie van Etcetera.

interview