De redactie

Leestijd 2 — 5 minuten

Redactioneel Etcetera 151

Import/export?

Tijdens de openingsavond van het Bâtard Festival, begin november, brachten twee voorstellingen twee realiteiten uit verschillende contexten binnen in de theaterzaal: de Zuid-Koreaanse theatermaker Jaha Koo reflecteerde over de politieke en economische situatie in zijn thuisland, en de Keniaanse verhalenverteller Ogutu Muraya onderzocht de link tussen Oost-Afrikaanse hardlopers en het ontstaan van een postkoloniaal identiteitsbesef. Die stap was helemaal niet zo vreemd, daar het koloniale verleden (en heden) van deze landen onmiskenbaar verbonden is met het Westen. Bovendien leven en werken beide makers in onze contreien en maken ze dus deel uit van de lokale scene.

Beide voorstellingen spraken hun publiek aan als kosmopolieten, als wereldburgers van een geglobaliseerde samenleving waarin een ‘wij’ niet langer van een ‘zij’ te onderscheiden valt. Dat doet denken aan een recente uitspraak van de voorzitter van de grootste Vlaamse partij, die vond dat ‘buitenlandse conflicten niet geïmporteerd mogen worden’ (zolang het natuurlijk geen separatistische projecten betreft). Die uitspraak, geopperd in de context van een conflict tussen Koerden en Turken in Antwerpen, staat haaks op de realiteit. Ze tracht te exporteren wat hier geworteld is en ook hier leeft.

Terwijl grenzen opnieuw gesloten worden en identiteitspolitiek niet enkel minderheden maar vooral populistische meerderheden aanspreekt, is de wereld allang zo divers geworden dat een conflict dat ver weg plaatsvindt, ook hier gevolgen heeft. Dat is niet alleen het resultaat van migratie, maar ook van een burgerschap dat, in superdiverse tijden, de lokale kring steeds meer overstijgt. Dat ‘glokale’ burgerschap is een eigenschap waar we te weinig op aangesproken worden, ook in de theaterzaal. Want niet enkel conflicten kunnen geïmporteerd worden, ook broodnodig inzicht over de geschiedenis én good practices.

Ook de kunsten zijn de voorbije veertig jaar danig geïnternationaliseerd. Theater, en zeker dans en performance bewegen voorbij allerhande grenzen.
En toch lijkt het alsof de diversiteit en meerstemmigheid van dat werk is afgenomen. De internationale kunstenaars die we op onze scènes te zien krijgen, lijken veelal te behoren tot een select clubje dat de hele wereld rondreist. Wordt er vandaag nog voldoende internationaal geprospecteerd, of vallen programmatoren vooral terug op de bestaande circuits en lopen ze achter dezelfde hypes aan? Speelt de gekrompen subsidiepot een rol in hoe kunstencentra en theaterhuizen al dan niet risico’s nemen door minder gekende namen uit te nodigen? Is de nieuwsgierigheid van een deel van het publiek afgenomen? En wordt er vanuit het beleid te veel nadruk gelegd op lokale verankering van kunstenaars?

Gezelschappen gefinancierd door het Vlaamse Kunstendecreet worden ijverig geëxporteerd. Maar blijven we, wanneer het op de ‘import’ aankomt, te vaak bij het gekende, of bij het exotische en daarom (voor de gemiddelde kijker) bij het ongevaarlijke? Hoe kunnen we de glokale diversiteit zinvol bespreken? Waar en wanneer worden we op een constructieve manier aangesproken op ons glokale burgerschap? Op onze capaciteit voor inzicht en empathie, zoals Esther Tuypens in dit nummer betoogt? Hoe de spanning tussen subjectieve esthetiek en culturele globalisatie als meerwaarde in de verf zetten, zoals Matthias Lilienthal, artistiek leider van de Münchner Kammerspiele, het een paar pagina’s verderop formuleert?

De artikels in dit nummer hebben het onder andere over identiteit, geschiedenis, populaire cultuur, inleving, dekolonisering, architecturale gemeenschap, een dialogische kunstpraktijk en lokaal kunstenbeleid. Deze Etcetera kijkt de glokale werkelijkheid gretig in de ogen, net als de politieke, ethische en artistieke problemen die ermee gepaard gaan.

opinie
Leestijd 2 — 5 minuten

De redactie

opinie