Redactioneel Etcetera 150

Tijd voor inzicht

Dit nummer is extra dik. Dat komt omdat dit zowaar de 150ste Etcetera is. Sinds 1983 proberen we een laag reflectie toe te voegen aan de podiumkunstensector. Die reflectie is een noodzakelijk onderdeel van de humus van een goedwerkend kunstenlandschap. Helaas staat die nood meer en meer onder druk. Niet alleen krijgen krantenrecensies steeds minder ruimte en worden de marges voor kritiek kleiner, ook raken projecten met een focus op reflectie maar moeilijk door de subsidiemolen. In dit nummer gaan we daarom traditiegetrouw voluit voor meer inzicht en we zijn vast van plan dat ook te blijven doen in de komende 150 edities.

Deze Etcetera gaat van start met een statement van theatermaker Stef Lernous om vervolgens in te zoomen op de problematiek rond institutionalisering. In een rondetafelgesprek buigen uiteenlopende protagonisten uit de sector zich over de kwestie van de Vlaamse Instellingen. Zijn ze terecht too big to fail of loert er dankzij hun aparte statuut vooral conservatisme om de hoek? Vervolgens geven we het woord aan de nieuwe artistieke leiding van NTGent en bieden we een grondige analyse van het werk van Mårten Spångberg die bewust kiest voor de grote zaal, om ten slotte stil te staan bij de positie van jonge makers onder institutionele vleugels via de professionaliseringstrajecten Montignards (Monty) en P.U.L.S. (Toneelhuis).

Verderop in dit nummer publiceren we een aantal bijdrages die zich buigen over de verhouding van theater tot de werkelijkheid. Zo analyseert Klaas Tindemans een aantal voorstellingen die zich spiegelen aan de rechtspraak en blikt de Libanese schrijfster Hala Moughanie in haar theatertekst Kop dicht en graven terug op de burgeroorlog in Libanon. Ook het vraagstuk rond nationalisme en collectiviteit in choreografie komt aan bod, net zoals het idee van een meervoudige geschiedenis en identiteit in het recente werk van Needcompany. Karel Vanhaesebrouck bijt daarmee de spits af van een artikelreeks over de recente ontwikkeling van de grote oeuvres in de Vlaamse podiumkunsten.

In een tweede rondetafel reflecteren we voorts over opera. Een reeks betrokken partijen denkt samen na over de toekomst van het genre. Dat gesprek vormt de aftrap van een jaar waarin Etcetera extra kritische aandacht zal besteden aan opera, onder andere via een recensietraject. Klopt het cliché dat opera moeite heeft om zich los te koppelen van de oude tijd en zijn elitaire statuut? Van een afstand lijkt het vooral een medium dat weinig kans biedt tot vernieuwing doordat de strakke productielogica zo ingebakken zit in de structuren. Idem dito voor het feit dat bepaalde muzikale standaarden hoog moeten worden gehouden. Inertie kan tot gevolg hebben dat iets lang overleeft, maar dat is niet per se wat men noemt ‘mooi oud worden’. Hoe kan opera een relevante positie opeisen in de 21ste eeuw?

Misschien wordt zo’n relevante positie in het podiumlandschap vandaag wel geclaimd door de reeks makers die bezig is met alternatieve manieren om kennis te ensceneren en te genereren. In een op kennis gebaseerde economie eist ook het theater zijn rol op. Het theater staat immers los van de te geformatteerde en geregulariseerde academische en journalistieke realiteit, en kan potentieel een plek bieden om de dingen radicaal te doordenken. Ook daarover meer in deze 150ste Etcetera.

Vergeet bovendien niet om helemaal aan het einde van dit nummer het handvest voor de podiumkunstenaar te raadplegen. Daarin staat solidariteit voorop. Uit verzet tegen onderbetaalde arbeid en te lage uitkoopsommen organiseert een groep kritische makers zich. Vanaf nu laten ze zich voor elke opdracht minimaal vergoeden volgens de cao Podiumkunsten en ze roepen iedereen op om hetzelfde te doen.

Tijd voor inzicht!

 

opinie
Leestijd 2 — 5 minuten

De redactie