Projecting [Space[ © Laura Vanseveren

Projecting [Space[ – Damaged Goods / Meg Stuart

Ook na meer dan een week piekeren blijft Projecting [Space[, een voorstelling van Meg Stuart in samenwerking met dramaturg Jeroen Peeters en scenograaf Jozef Wouters, een voorstelling waar ik moeilijk vat op krijg. Ze doet iets, zelfs heel veel, maar lijkt zich daarin te verzetten tegen precieze duiding. Alsof ze geen punt wou maken, maar slechts een fata morgana van een ander theater of een andere wereld wou oproepen. Aan de kijker om daarmee om te gaan.

Helaas, de voorstelling was slechts een paar keer te zien tijdens de Ruhrtriënnale 2017 en wordt wellicht ook niet snel hernomen, al zeker niet in dezelfde vorm. Daarvoor speelt de voorstelling te sterk in op de bijzonderheden van de locatie, een verlaten mijnsite in het ingeslapen stadje Dinslaken. Toch vertrekt de voorstelling niet vanuit die plek zelf, want een voorstudie ervan, Atelier III,  was eind maart al te zien in Jozef Wouters’ atelier in Molenbeek tijdens het Performatik festival.

Veel beelden en acties uit die voorstudie keren hier, soms letterlijk, terug. Wat zeker behouden bleef is het gevoel van een soort willekeur of onvoorspelbaarheid. Vaak lijkt het alsof de acht performers, soms bijgestaan door Stuart en Wouters (en in Brussel ook Peeters), min of meer spontaan dingen doen met de middelen die zich aandienen. Een regie lijkt daar niet aan te pas te komen, maar je zou ook kunnen zeggen dat de regie dan bestaat uit het aanbieden van een context waarin alles mogelijk is. Maar dat klopt dus niet: het materiaal is misschien wel ontstaan vanuit een collectief freewheelen met materiaal dat voorhanden was in het atelier of met beelden of verhalen dat de performers zelf aandroegen, maar op de Ruhrtriënnale kan dat onmogelijk op een willekeurige wijze overgedaan zijn. Wat we zien is dus een compositie met grotendeels ‘gevonden’ materiaal, die voor een onwetende toeschouwer vaak onzichtbaar blijft achter wat toevallige en spontane acties lijken. Pas later ontdek je dat alvast sommige secties van het werk wel precies uitgetekend en getimed zijn.

De ‘Zeche Lohberg’, een oude steenkoolmijn in Dinslaken, is nog slechts een schim van zijn vroegere glorie. De immense ‘Kohlenmishhalle’ waar Johan Simons vorig jaar nog Accattone presenteerde is half ontmanteld, maar domineert nog zozeer de ruimte dat oudere dienstgebouwen in baksteen in de verdrukking komen. Een bescheiden aanzet tot landschapsaanleg aan de straatzijde is geen partij voor  de immense grijzige steenvlakte die zich tussen de gebouwen uitstrekt. De aanblik is adembenemend in zijn troosteloosheid. De naburige saaie naoorlogse woonwijk verzinkt er in het niets bij.

Projecting [Space[ © Laura Van Severen

De voorstelling kiest echter net die steenvlakte als buitenlocatie voor de eerste twintig minuten van een ruim twee uur durende voorstelling. Een koppel, Roberto Martinez en Mariana Tengner Barros, maakt van hun auto een soort carnavalswagen. Kledingstukken en andere stukken stof worden tussen het chassis en de wijd openstaande deuren gemonteerd. Op de kap monteren ze een  microfoonstandaard die ze met bloemen en doeken transformeren tot een soort totem. Zelf proberen ze ook allerlei tenues uit. Een ander koppel, Jorge de Hoyos en Sonja Pregrad, draaien in badpak nogal lusteloos rondjes op te kleine terreinfietsen. Later belanden ze in strandstoelen met Renan Martins de Oliveira in een berenkostuum, maar zonder de kop. Twee mannen, waaronder Jozef Wouters, zijn in de verte in de weer met een vorkheftruck en een graafmachine. Wouters pikt een man op die er eerst voor dood bij ligt. Anderen hangen later aan of kruipen in de laadbak. Van alle kanten komen klanken, van dub reggae tot soundscapes of gewoon songs. In de verte volgen passanten dit onbestemde spektakel. Ze zien precies hetzelfde als de ‘echte’ toeschouwers: mensen die, uit balorigheid, verveling maar wat rotzooien. Of proberen ze vorm te geven aan iets wat vaagweg wat in hun hoofd speelt? Hoe dan ook, ze halen het nooit van de leegte rondom hen. Ze zijn incidenten in een gigantisch onverschillige ruimte.

“Wat we zien is een compositie met grotendeels ‘gevonden’ materiaal, die voor een onwetende toeschouwer vaak onzichtbaar blijft achter wat toevallige en spontane acties lijken.”

Tot de performers het publiek de ‘Zentralwerkstatt’ binnenloodsen met zaklampen in de hand. Dat licht vervallen maar kloeke bakstenen gebouw lijkt tot dan van buiten haast een detail in het landschap van steen. Pas binnen merk je hoe groot het werkelijk is. Er is veel meer ‘binnen’ dan het ‘buiten’ lijkt. Het gebouw is volgestouwd met materiaal. Bij de ingang zwiert een tractorband die geluid voortbrengt doelloos rond aan kettingen. Elders is met karton en plastic een ouderwets televisietoestel, of een miniatuur radiostudio in elkaar geknutseld. Het omhulsel is volgeplakt met prullaria van de performers. Zo is er nog heel veel meer. Teveel om te bevatten. De ‘werkstatt’ lijkt wel natte droom van kinderen die al wat hen fascineert naar hun hol sleepten. Maar wat vooral opvalt zijn de vele, stoere, metershoge rekken. In de eerste helft van het gebouw blijft er nauwelijks een meter tussen. Verderop vormen ze een half cirkelvormige tribune met daarnaast nog ruim plaats. Hier doet de opstelling denken aan het schip – de tribunes – en de zijbeuken van een kerk.

Als de bezoekers zich een weg banen tussen de eerste rekken, houden de performers, aangevuld met Meg Stuart zelf, ze op om door gebaren en aanrakingen contact te maken. Vaak wordt dat een imitatiespel: als iemand reageert beginnen de performers de bezoeker weer te imiteren. Stuart gaat soms verder, bijvoorbeeld als ze een oudere vrouw aanspoort om met haar armen over haar lichaam te wrijven als om het stof – of muizenissen – af te kloppen en er dan toe brengt om uitgelaten te dansen. Het publiek wordt zo even betrokken in het gebeuren, maar daarna gaan  de performers wel weer hun eigen gang. De fantasierijke kostuums van Sofie Durnez, duidelijk in elkaar geknutseld uit ‘gewone’ spullen, geven aan dat ze hun eigen ‘trip’ volgen. Het doet, qua sfeer, erg denken aan de verkleedpartijen in Sketches/Notebook (2014). Niet de perfectie, de complete illusie, telt hier maar de vrijheid van experimenteren met jezelf door je verschijning en je acties. De performers klauteren in de rekken, en maken daar allerlei gebaren zonder duidelijke betekenis. Soms lijken het tics of geheime codes, soms rituele gebaren en alles daar tussenin. Elk van hen doet zijn ding, ook als ze samen het publiek op sleeptouw nemen naar de half cirkelvormige tribune. Daar gaan ze door met hun gebarentaal. De intensiteit en snelheid ervan verhoogt als aanzwellende house muziek, die later omslaat in een soort gospelrock, hen opzweept. Ze lijken ook steeds geëmotioneerder, tot tranen toe bewogen zelfs. Tot de groep uit elkaar valt en Sigal Zouk alleen, zacht glimlachend, haar ritueel blijft volvoeren.

Projecting [Space[ © Laura Van Severen

Ondertussen bereidt Jorge De Hoyos zich voor op een poging om met een parachute op te stijgen in de ruimte door zo hard mogelijk te lopen. Iets wat natuurlijk niet lukt, maar er toch de schijn van heeft als het valscherm opbolt en de lucht in gaat. Hij kaart daar bij de ‘radiostudio’ nog lang over na met Tengner Barros. Vreemde, moeilijk te volgen gesprekken waarin woorden vallen als ‘desintegrerend lichaam’. Genoeg om je te laten beseffen dat er een enorme afstand gaapt tussen wat je zag en wat er ‘speelt’ in de hoofden. De gebeurtenissen beginnen vanaf nu steeds meer door elkaar te lopen. Jozef Wouters trekt een reusachtige voorhang, beschilderd met het zog van een onzichtbare boot, weg en sleept dingen zoals een fonteintje, en later ook een reusachtige, half opgeblazen ballon aan. In de zijbeuk licht een baldakijn van TL buizen op. Bassist Klaus Janek pakt zijn instrument ter hand en zet samen met Vincent Malstaf een indringend, slepend klankbeeld op. Renan Martins de Oliveira, Mor Demer en even later ook Sigal Zouk voeren op die klanken een trage dans van geheimzinnige gebaren quasi unisono uit. Wat later en verderop zijn Roberto Martinez, Marcio Kerber Canabarro en Sonja Pregrad in de weer met pigmenten, kruiden, en koffiepoeder waarmee ze runentekens op de vloer maken. De twee mannen verven elkaars lichaam uiteindelijk helemaal blauw met de pigmenten. Mor Demer loopt ondertussen plots naakt en nat tussen de toeschouwers. Nam ze een douche onder het fonteintje? Ik zag het in elk geval niet, maar het is dan ook quasi onmogelijk alles te volgen wat hier gebeurt.

Als je dit deel van de voorstelling met iets zou kunnen vergelijken, dan misschien nog wel het meest met happenings uit de sixties: een half spontane verkenning van ‘onderdrukte’ of primitieve krachten die vanuit het lichaam vertrekken. Met een idee van bevrijding van het individu en de groep daar bovenop. Altijd een lastig genre, omdat het gebrek aan begrenzing ook tot een gebrek aan precieze betekenis van het gebeuren kan voeren. Peter Brook had er een broertje dood aan, al erkende hij in The empy space de mystieke ‘drive’ en het potentieel van de vorm. Die implosie van betekenis ligt hier ook voortdurend op de loer. Je ziet het ook op de foto’s die Laura Van Severen maakte van de voorstelling: het publiek staat vaak wat beduusd te kijken naar wat er gebeurt.

Wat de zaak ‘redt’, is een dubbele finale. Het publiek wordt weer naar de halfronde tribune geloodst waar de performers een laatste ritueel opzetten. Alle middelen worden hier ingezet, van luide beats tot ronddraaiende megafoons of tenslotte een rookmachine. De groepsdans zelf is een merkwaardige combinatie van derwisj dansen en line dancing. De performers maken hun eigen ritme met bamboestokjes. Mariana Tengner Barros, in haar zilverkleurige pakje, is de MC van dienst. Niemand van de toeschouwers komt van zijn plaats. Het blijft toch een voorstelling. Toch kan ik me inbeelden dat een ander publiek wel zou mee dansen, zo sterk voelt deze finale aan als een viering van het samenzijn in een theater om de verbeelding ritueel de vrije loop te geven.

Dat verklaart ook de tweede finale. Als de muziek wegsterft nemen de performers het publiek terug mee naar buiten, naar de doodse vlakte waar het allemaal aarzelend en onbeslist begon. Nu brandt er een reusachtig kampvuur, een constructie van boomstronken en takken waar de vlammen hoog uit opflakkeren als de kijkers buiten komen. Als vanzelf scharen die zich meteen in een kring rond dat vuur. Zo worden ze uiteindelijk zelf de voorstelling. Plots lijkt het zo een futiele vraag te worden wat dit stuk nu precies wou zeggen. De betovering van het grote kampvuur is, als een tijdelijke constructie die slechts gebouwd werd om zichzelf onmiddellijk weer te verteren, het perfecte beeld van wat dit stuk wil zijn: een intense ervaring die verdwijnt met de bezoekers die er mee vorm aan gaven. Een mogelijke gemeenschap. Maar het is een dubbeltje op zijn kant of dat ook lukt, of die ervaring echte sporen laat.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis.