polequen II, stan – toneellhuis

Poquelin II – STAN

Veertien jaar na Poquelin maakte STAN samen met een groepje verwante spelers een vervolgvoorstelling op basis van het werk van Jean Baptiste de Poquelin. Die is beter bekend als Molière, de beroemde acteur en komedieschrijver onder Lodewijk XIV. Poquelin II slaagt er schijnbaar moeiteloos in om de Bourlaschouwburg tweeënhalf uur lang te doen schuddebuiken van het lachen met L’Avare en Le Bourgeois gentilhomme. Helpt de voorstelling ook om die 17e-eeuwse stukken een interessant licht te doen werpen op onze tijd?

In het auditorium, vlak voor het grote podium van de Bourla, staat een gammel ogend bouwsel met daarop een kleine planken vloer. De armoedige scenografie steekt samen met de bedoeld knullige kostuums van aaneen gestikte lakens en t-shirts af tegen de majestueus versierde schouwburgzaal. Je zou er een echo van de ambigue maatschappelijke positie van Molière en zijn theatertroep in kunnen zien: als protégés van de absolute vorst stonden ze dichtbij het centrum van de macht; tegelijk bevonden ze zich aan de rand van de samenleving. Poquelin nam net een andere naam aan omdat hij zijn welgestelde familie zoveel mogelijk schande wilde besparen – zo laag was het aanzien van de toneelspeler in een maatschappij die ondanks de macht en invloed van de koning nog diep in de schaduw lag van de kerktoren.

Anachronistisch repertoire

De eerste Poquelin, die in première ging op 21 mei 2003, kon je destijds moeilijk anders dan tegen de achtergrond van de Irakoorlog lezen. Drie weken ervoor liep de eerste fase ervan – van de invasie van de Coalition of the Willing tot de omverwerping van het regime van Saddam Hoessein – immers ten einde. Met een aantal kleine maar veelzeggende ingrepen thematiseerde STAN toen de slaafse afhankelijkheidsrelatie tussen de toneelspelers en de koning. Hoe dicht Molière en co ook om de Zonnekoning heen mochten cirkelen, zelf bezaten ze maar weinig macht. De Standaard-recensent Geert Sels interpreteerde Poquelin als een commentaar op het politieke onvermogen van de kritische kunstenaar: ‘De theatermaker heeft zijn failliet als klokkenluider ingezien. En verzaakt. In de tweeënhalf uur die volgen, houdt tg STAN zich van zijn gebruikelijke engagement en serveert het alleen maar blijspelen en dijenkletsers.’

In de omgang met het toneelrepertoire vermijdt het acteurscollectief doorgaans expliciete vormen van actualisering, soms op terloopse randopmerkingen na. Zo blijven de stukken hun anachronistische karakter behouden; ze distantiëren zich van onze eigen tijd en kunnen er in de beste gevallen interessante perspectieven op openen. Het is vooral de taak van de toeschouwers om die tijdskloof te overbruggen, al helpt STAN hen soms een handje door bepaalde facetten van het anachronisme te beklemtonen, zoals bijvoorbeeld de verhouding tussen Molière en Lodewijk XIV in de eerste Poquelin. En natuurlijk is ook de repertoirekeuze zelf van kapitaal belang: welke titel haal je wanneer uit de kast? De ene combinatie van een oud stuk met de eigen tijd slaat gensters, de andere niet. Hoe werkt die aanpak hier?

comédies de moeurs

In Poquelin II krijgen we achtereenvolgens L’Avare en Le Bourgeois gentilhomme voorgeschoteld. Het zijn schoolvoorbeelden van comédies de moeurs, blijspelen die de kleine kantjes van sociale klassen te kijk zetten. In deze twee gevallen richtte Molière zijn pijlen volop op de bourgeoisie. De vrek Harpagon (Willy Thomas) en de opgeblazen burgerman Meneer Jourdain (Damiaan De Schrijver) hebben beiden aanzienlijke rijkdommen vergaard. De eerste beschouwt zijn geld als een doel op zich dat hij angstvallig moet beschermen, zelfs tegen zijn eigen kinderen; voor de tweede is het dan weer een middel waarmee hij zich tevergeefs probeert op te werken tot de adellijke klasse. Jourdain hult zich in peperdure (maar om ter knulligste) kleren, volgt privélessen zang, dans, filosofie en schermkunst (met beperkt succes) en trekt op met een verarmde edelman (die zich voordoet als een vriend maar die hem ondertussen financieel uitzuigt).

Rondom de twee zielige protagonisten spon Molière de karakteristieke microkosmossen vol intriges, listen en misverstanden. Soms tracht een dapper personage de waan van een van hen te doorprikken met een zeldzaam parler vrai, zoals wanneer de koetsier (Damiaan De Schrijver) Harpagon botweg voor de voeten werpt: ‘iedereen lacht met u.’ Dergelijke uitspraken voeren de mannen echter niet tot enig dieper inzicht. Om iets van hen gedaan te krijgen neem je best de nodige omwegen, en dat doen hun kinderen dan ook volop om hun eigen doelen te bereiken. Tegen de wil van hun vaders in proberen ze liefdes- in plaats verstandshuwelijken af te sluiten.

Twee 17e-eeuwse verhaaltjes

In een wervelend tempo ontvouwen de twee vertellingen zich op en rond het houten podiumpje. De zeven spelers vertolken samen maar liefst 27 verschillende personages en de dubbelrollen zorgen af en toe voor de nodige verwarring en hilariteit. Tijdens L’Avare treedt Frank Vercruyssen ook nog eens op als een toneelmeester die bij de start van elke nieuwe scène met een meterslange stok tegen een hoog in het toneelzwerk bengelende cimbaal tikt. In Poquelin II zijn er geen coulissen. De acteurs en actrices die hun beurt afwachten, zitten op de rand van het grote podium of leunen tegen de pronkerige wanden van de schouwburgzaal. Dat ze als tijdelijke toeschouwers mee deel uitmaken van het publiek, creëert een sfeer van geborgenheid en compliciteit, wat erg bijzonder is in zo’n grote zaal als die van de Bourla. Op de planken spreken de spelers het publiek dan weer vaak direct aan, en ook dat vernauwt de afstand tussen podium en auditorium.

Wat zouden die twee 17e-eeuwse verhaaltjes ons anno 2017 kunnen vertellen? Dat het aan het hof van Lodewijk XIV populair was om de pretenties van de toenmalige bourgeoisie door de mangel te halen, hoeft niet te verbazen, maar wat zegt zoiets over onze eigen tijd? Zou het een vorm van zelfspot kunnen zijn? Zo ja, zou zo’n kritiek zou dan niet heel wat bijtender en specifieker kunnen? (Al hebben we het riedeltje van de welgestelde, blanke ‘culturo’ die zichzelf kastijdt omwille van de eigen privileges natuurlijk al erg vaak afgedraaid.) Als aanvallen op de burgerlijkheid zijn L’Avare en Le Bourgeois gentilhomme vandaag waarschijnlijk niet zo interessant.

Naast het klassenonderscheid lopen nog andere conflictlijnen door de beide stukken. Eén kleine opmerking die de dochter van Meneer Jourdain (Els Dottermans) zich laat ontvallen tijdens een hoog oplopende discussie met haar vader, legt de klemtoon op de genderverschillen. ‘Me too!’ sist ze hem vurig toe. Het is het enige moment waarop Poquelin II het werk van Molière expliciet confronteert met de actualiteit, en misschien hebben we hier wel te maken met zo’n ‘helpend handje’ waarvan hierboven al sprake was. Waar de uitspraak binnen het narratieve verloop van Le Bourgeois gentilhomme precies op slaat, is onduidelijk – niets wijst er immers op dat de dochter ten prooi viel aan ongewenste intimiteiten. Wel onderstreept ze de sterke positionering van de vrouwelijke personages, die volop de spot drijven met de oude, ziende blinde, mannelijke autoriteitsfiguren. Onvermijdelijk moet je aan de misogyne Trump denken – ook hij is zo’n personage dat in zijn eigen wanen gelooft, ook hij leidt aan hebzucht en eerzucht, ook zijn omgeving kan de lach soms maar moeilijk onderdrukken. ‘Moron,’ zo zou zijn eigen minister van Buitenlandse Zaken hem naar verluidt hebben genoemd.

STAN speelt STAN

STAN verbouwt Harpagon en Meneer Jourdain niet expliciet tot Donald Trumps, en net daarin schuilt nog steeds de sterkte van hun niet of nauwelijks actualiserende omgang met repertoire. Het spelerscollectief suggereert lezingen maar legt er geen op; de stukken zelf blijven daardoor openstaan voor verschillende interpretaties, tijdsbruggen en projecties. Alleen kan je je de vraag stellen of de repertoirekeuze in dit geval zo gelukkig was. Bezitten de twee stukken in combinatie met onze eigen tijd wel genoeg spankracht? Zelf geraak ik niet zoveel verder dan Trump-bashing, wat vandaag de meest gemakzuchtige komische effecten oplevert. Daarnaast klopt het dat hebzucht en eerzucht van alle tijden zijn, net zoals de verhoudingen tussen mannen en vrouwen, vaders en hun kinderen, waarschijnlijk nooit gespeend zullen zijn van enig conflict. Maar op welke manieren zijn deze fenomenen van onze tijd? Daarop opent STANs anachronistische enscenering dit keer weinig interessante perspectieven.

De komedie ‘werkt’ als komedie, dat zeker, in die zin dat Poquelin II je lachspieren gedurende de volle 150 minuten geen halve minuut rust gunt. Il faut le faire. Tegelijk stel je vast dat de eeuwige knorrigheid van Frank Vercruyssen, de eeuwig opgewekte naïviteit van Jolente De Keersmaeker, de eeuwig donderende verontwaardiging van Damiaan De Schrijver, etc, na al die jaren dreigen te verworden tot clichés. Zoals te verwachten telt de voorstelling ook de obligate meta-theatrale grappen en grollen, waarbij de spelers even uit hun rol stappen en het hier en nu van de toneelsituatie becommentariëren. Ongetwijfeld wortelden die ooit in een levendige visie op theater, maar vandaag kan je je de vraag stellen of de lichtvoetige versie van de brechtiaanse vervreemding niet verwaterd is tot een louter stijlkenmerk. In Poquelin II voelen de interventies in ieder geval aan als ingestudeerde en weinig noodzakelijke nummertjes. Het doorbreken van de scenische representatie lijkt anno 2017 zelf een beetje representatie geworden: STAN speelt STAN.

Hoe op een mooie manier ouder worden? Met het sprankelende, kwetsbare Alleen (2016) bewees het 25 jaar oude gezelschap dat het wel nog risico’s kan nemen en nieuwe oorden durft opzoeken.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

Sébastien Hendrickx

Sébastien Hendrickx is schrijver en freelance dramaturg. Hij maakt deel uit van de kleine redactie van Etcetera.