next day

Philippe Quesne / CAMPO: Next Day

Op vraag van CAMPO regisseerde Philippe Quesne Next Day,gespeeld door dertien Gentse kinderen van acht tot elf jaar oud. Oppervlakkig gezien biedt dit werk een romantisch beeld van de kindertijd. De inzet is echter hoger: het gaat om een andere representatie van hoe kinderen zijn en denken, en finaal ook om een andere vorm van theater.

Kinderen als bedreigde groep

Toen Jérôme Bel Disabled Theater creëerde met het Zurichse Theater Hora, een gezelschap van jongeren met een mentale handicap, koos hij niet voor een bestaande tekst. Dat was wellicht ook onmogelijk: die jongeren spreken ‘Schwyzerdütsch’, een taal die Bel niet beheerst. In plaats daarvan stelde hij hun via vertaalster Simone Truong een aantal vragen en droeg hij hun taken op die het publiek moest toelaten de groep te leren kennen. Het stuk is de letterlijke representatie van dat proces. De reacties op Disabled Theater waren sterk verdeeld. Veel kijkers waardeerden de onbemiddelde manier waarop deze jongeren zichzelf voorstelden, met hun gebreken en kwaliteiten. Anderzijds waren vooral de ouders van deze jongeren misnoegd dat ze enkel maar dat deden en geen ‘echt’ stuk brachten. Ze overstegen zichzelf dus niet door het bijna zo goed te doen als echte acteurs. Hun leek het spektakel daardoor meer op respectloos ‘aapjes kijken’.

Dit verschil in waardering is belangwekkend. Het wijst op een verschillende visie op wat de inzet van theater op dit ogenblik is. De ouders verlangden naar theater dat door tekst en enscenering een strikte scheiding instelt tussen podium en zaal. Zo verdwijnen de spelers achter hun rol. Bels theater daarentegen bevraagt met minimale – maar strikt bepaalde – middelen hoe onze samenleving jongeren met een mentale handicap representeert. Het publiek, inclusief de ouders van die jongeren, is daarbij zelf in het geding. Bel speelt het immers zo dat je merkt hoe sterk de inzichten en mogelijkheden van deze jongeren uiteenlopen. Net als ‘gewone’ mensen dus. Hij ontmaskert zo de categorie ‘mentale handicap’ als een strategie om een klasse mensen onnadenkend weg te zetten. De goedbedoelde poging om deze mensen boven zichzelf te laten uitstijgen krijgt een vreemde bijsmaak: het ontzegt hun hun spreekrecht en eigenheid.

Als je in het bovenstaande ‘jongeren met een mentale handicap’ vervangt door ‘kinderen tussen acht en elf jaar oud’, heb je meteen een idee van de vorm én de inzet van Philippe Quesne’s Next Day. Quesne geeft een groep kinderen een beperkt stramien van mogelijke acties, en voegt daar enkele favoriete gimmicks, zoals een rookmachine, aan toe. Vervolgens laat hij hun hun gang gaan, zonder veel tussen te komen. Ook hier was directe verbale communicatie met de kinderen trouwens moeilijk. Quesne heeft als Fransman slechts elementaire noties van Engels en spreekt uiteraard geen Nederlands. Omgekeerd verstaan de Gentse jongeren nauwelijks Frans (daar gaat die geroemde talenkennis van de Vlamingen).

Kinderen voor kinderen

Het verschil met andere CAMPO-producties met kindacteurs voor een volwassen publiek is opvallend. CAMPO heeft stilaan een traditie van dergelijke voorstellingen. Die ving aan met Übung van Josse De Pauw in 2001, later volgden creaties van Tim Etchells en Gob Squad. Übung vertrok van een prachtige vondst: De Pauw liet kinderen de klankband van een zwart-witfilm dubben. De film toont vijf acteurs die met elkaar in de clinch liggen. Het stuk gaat zo als vanzelf over volwassen worden als een proces waarin kinderen zich via imitatie gaandeweg identificeren met ouderen. Het verschil tussen Übung en Next Day is treffend. De Pauw sloot zijn kindacteurs op in een strikt keurslijf van tekst en beeld. Dat reveleerde veel, bijvoorbeeld hoe weinig kinderen begrijpen van volwassen gedrag maar ook hoe ze dit via imitatie de baas worden. Hoe de kinderen zich hun wereld buiten het voorbeeld of het toezicht van volwassenen om voorstellen, kwam echter niet echt aan bod. Next Day doet het omgekeerde. De voorstelling is opgezet als een proefopstelling, een laboratorium om het uniek individuele van elk kind op het spoor te komen. Quesne gaf zijn kinderen slechts een beperkt stramien van mogelijke acties mee, en liet hun vervolgens hun gang gaan.

Daarmee gaat hij dwars in tegen de tijdgeest. Ouders monitoren hun kinderen dwangmatig om in strak geformatteerde activiteiten ‘rendabel’ gedrag te vertonen, verveling wordt te allen prijze bestreden. Of ze eisen om bijna live foto’s en berichten van hun schat op kamp te ontvangen. Dat gedrag lijkt een karikatuur van de beeldvorming van kinderen die in de Verlichting opgang maakte. Plots waren kinderen niet langer volwassenen in het klein, met min of meer dezelfde capaciteiten en eigenaardigheden, maar een aparte soort, de mens in onbedorven staat, vol van beloften. Dat ideaal moeten kinderen nu maar waarmaken.

Next Day weigert dat. Kinderen worden hier niet opgevoerd als ‘kinderen in het algemeen’, als ‘soort’, maar als individuen met hun eigen, bijzondere handel- en denkwijze. Die blijkt inderdaad ‘anders’: minder handig, efficiënt, gedisciplineerd of rationeel, af en toe vol zotte fantasie. Maar kinderen verschillen onderling net zoveel als volwassenen, en ze hebben er ook veel mee gemeen. Quesne weerde nadrukkelijk ouderlijke interventies tijdens het maakproces. De ouders mochten de repetities niet volgen en werden er niet over ingelicht. Bij de première op Theater der Welt werd hun slechts een ‘meet and greet’ met de kinderen toegestaan. Verder kwamen ze de kinderwereld niet binnen.

Swamp Club

Deze scherpe ideologische keuze spoort met de thema’s in Quesne’s eerdere werk. Sinds hij zo’n tien jaar geleden Vivarium Studio oprichtte, creëerde hij in elke voorstelling een besloten wereld, een terrarium om de mens te bestuderen. Een bont allegaartje performers waart daarin rond. In een besneeuwd landschap, een kaal appartement of een kunstmatige poel. Kunstenaars op de dool, verloren in een wereld die geen oog heeft voor hun quasi futiele, maar ontroerende pogingen om zin te verlenen aan hun omgeving. De gelijkenis tussen Next Day en zijn vorige creatie Swamp Club is opvallend. In Swamp Club voert hij een bedreigde kunstenaarskolonie op, als een sprookjesversie van onze kunstenwerkplaatsen. De Swamp Club is een plaats waar mensen geduldig, in samenspraak, zoeken naar… schoonheid, zin? Het is een parabel over kunstenaars die in het moeras van een ondoorgrondelijke, van winst bezeten wereld een plek zoeken voor hun vragen, tegen beter weten in.

Dat streven kleurt ook Quesne’s beleid in het roemruchte Théâtre des Amandiers in Nanterre, dat hij sinds een jaar leidt. ‘De nombreux spectacles porteront sur scène des communautés et des groupes de citoyens dans le désir des créateurs de trouver par la parole, le mouvement, le chant une façon de réinvestir le théâtre comme une agora’. Het gaat er hem dus echt om theater in te zetten als middel om de diversiteit van de samenleving te representeren en het gesprek daarover aan te wakkeren. Daarbij  geeft hij de voorkeur aan wie niet of ondergerepresenteerd wordt, zoals dus kinderen. Quesne was trouwens al lang in de weer met de kindacteurs van Next Day toen hij ze meetroonde naar Swamp Club. Waar ouders en CAMPO-medewerkers vreesden dat de kinderen de voorstelling niet zouden vatten, bleken zij het stuk net enorm te smaken. Zij kozen Swamp Club als voorbeeld, het werd hun niet opgelegd.

Ieder gaat zijn gangetje

Een close reading van Next Day bewijst dat het Quesne inderdaad om de empowerment van de kinderen gaat. Het ‘verhaal’ gaat over een groep kinderen die op eigen houtje, bij wijze van themavakantie, een trainingskamp voor toekomstige superhelden organiseren. Als het publiek binnenkomt zitten ze rond een overheadprojector, zonder acht te slaan op de bezoekers. Hun aandacht gaat naar samen tekeningen maken van een gevecht tussen verzonnen aliens. Tot een grote bolle lamp oplicht, rook van tussen schuimblokken het podium op rolt en de Trollendans uit Griegs Peer Gynt-suite uit de boxen loeit. Uitgelaten takelen de kinderen een bord omhoog met in fluorescerende letters Next Day op. Ze dansen eromheen. Hun ‘saga’ is begonnen.

Een achterdoek suggereert dat die zich afspeelt op een braakliggend terrein naast sjofele flatgebouwen. De kinderen hebben er het rijk voor zich. Ze slepen instrumenten aan voor hun eerste collectieve actie: een concert waarin ze ijverig Also sprach Zarathustra van Richard Strauss verminken. Toch klopt die keuze: net als in 2001: A Space Odyssey kondigt de muziek een groots nieuw begin aan. Mona De Broe dirigeert alsof ze nooit anders deed. Eén jongen doet niet mee: hij droomt liever weg bij een boek over de mooiste kastelen van België. Niet alle jongens zijn superheld op dezelfde manier

Een projectie deelt mee dat dit het eerste item was van de training. Vervolgens wordt ook het verdere programma, twaalf onderdelen in totaal, netjes afgewerkt. Geen suspense dus, maar totale voorspelbaarheid, zelfs in de keuze van de items: fictieve reclamespots, een lunch, een middagdutje, een aanval van buitenaardse wezens, de wederopbouw van de wereld the next day… Er valt zelfs geen spoortje onenigheid of geweld tussen de kinderen te bespeuren dat de actie zou kruiden.

Kan dat wel? Kinderen die zichzelf organiseren en dat volhouden? Anders dan in William Goldings Lord of the Flies breekt geen anomie uit, noch psychologische suspense. De kinderen houden zich aan hun zelf verzonnen programma, maar geven er allen een eigen draai aan. In tegenstelling tot Golding gelooft Quesne in kinderen. En zij in elkaar. Zo ontstaan de wonderlijkste ideeën. Zoals Flo Pauwels op het einde van het stuk zomaar – en elke avond anders – improviseert over zijn toekomst als volleerde superheld, dat doet geen acteur hem na.

Het stuk onthult zo bijna terloops, maar steeds treffend, de realiteit van kinderen. Hoe hun groei hun precaire zelfvertrouwen tekent bijvoorbeeld. Net na de aanval van aliens, bij de ‘wederopbouw’, bakt Mona Debroe, de kleinste, samen met Marthe Bollaert, die met kop en schouders boven de anderen uitsteekt, pannenkoeken voor de werkers. De oudste bemoedert de kleinste wat, maar blijkt toch minder zelfzeker. De kleinste moet immers nog niet afrekenen met een lijf dat plots zijn eigen gang gaat en nog wat onwennig aanvoelt.

In Next Day leven de kinderen zich ver van het toeziend oog van volwassenen en netjes aangeharkte speelpleinen uit. Die situatie is zeldzaam geworden, laat staan dat men ze tolereert. Het kan niet proper genoeg, al is de wereld dan bijna om zeep. Next Day stelt zo bijna terloops de vraag met welke wereld we onze kinderen opzadelden. Is hun fantasie verzet? Of kunst? Of verzetskunst?

De voorstelling gaat in Belgische première in CAMPO op 25 september en toert daarna door Vlaanderen. Info en speeldata op www.campo.nu.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis.