Our times – Michiel Vandevelde

Ons denken als uitgeblust feest

Als denken een choreografie is, of toch in ieder geval beweging, dan zegt Michiel Vandevelde hier eigenlijk; we bewegen niet meer. Nienke Scholts over Our Times: een theatraal essay over de staat van ons denken.

In de eerste minuten van OUR TIMES vliegt er een taart in iemands gezicht, zweven enorme ballonnen rond, wordt er gehonkbald met zakken snoep, chips en popcorn en knallen confettikanonnen tot slot gouden snippers de ruimte in. Het resultaat is het beeld van een feest dat over z’n hoogtepunt heen is en waarin de laatste feestgangers onverschillig blijven rondhangen. Het publiek zit heel dichtbij en rondom de vloer op podiumdelen. Op twee tv-schermen zijn continue YouTube-videos te zien van mensen die zichzelf hebben gefilmd terwijl ze bijvoorbeeld de drijfbaarheid van hun donsjas testen in een zwembadje, of heel dicht bij de camera een glazuurtaartje eten. De performers doen al even ‘onzinnige’ handelingen die uit vergelijkbare filmpjes lijken te komen: rondslingeren op een boksbal, sensueel een ballon berijden, een sneaker vol met aardbeien en slagroom pletten… Alles is even plat, onverschillig, haast gewelddadig, zinloos, geestdodend, wanhopig, virtuoos onspectaculair.

Deze orgie is de intro van een theatraal essay over de staat van ons denken. De performers vallen languit neer op een matras en beginnen te spreken. Hun dialoog gaat over filosofie, of liever – over gedachten, over gedwongen worden echt te denken, over Heideggers claim dat we ‘nog niet denken’. Ik zie ons rond dit uitgebluste feestje zitten en denk; dus zo ziet ons collectieve gedachtegoed er uit. Het is vrijwel meteen hoorbaar dat de tekst, die sterk filosofisch en duidelijk geen spreektaal is, niet hun eigen woorden of gedachten zijn maar net als alles wat we tot nu toe gezien hebben citaten zijn. Later wordt duidelijk dat de dialogen gebaseerd zijn op ‘Wat doet ons denken?’, de in 2016 gepubliceerde briefwisseling tussen filosofen Jean-Luc Nancy en Daniel Tyradellis.

Met het verlaten feest als backdrop en versneden met hiphopmuziek en danspassen uit populaire muziekvideo’s , ontvouwt dit essay zich in vier (losse) delen. De dialogen gaan onder andere over de mate waarin de nieuwe technologieën het denken hebben veranderd, hoe de ene gedachte alleen in contrast met de andere kan bestaan, en hoe we de wereld niet meer als geheel, als Weltbild, kunnen zien. Ze spreken ook van een nieuwe wereld waarin er mogelijk een andere vorm van weten zou kunnen ontstaan, een fysieker en gemeenschappelijker denken. Het is onmogelijk om de complexe, theoretische teksten van A tot Z te horen, te begrijpen, in je op te nemen. Het wordt me niet volledig duidelijk of dat ook de inzet is. Wel worden er steeds weer andere ‘hapklare’ vormen ingezet om de inhoud over te brengen, zoals een toeschouwer van heel dichtbij aanspreken, de tekst rappen, of zingen in karaokestijl. Het doet aan de Duitse regisseur René Pollesch denken die in zijn vroege werk zijn actrices in razend tempo de meest complexe theorie liet opzeggen en hen dat dan op zichzelf liet betrekken, zodat er vervreemdende fricties ontstond tussen het denken en ‘wat dat met ons te maken heeft’.

Een vergelijkbare frictie is aanwezig in Vandeveldes poging om hedendaagse theorieën rond het denken en het fragmentarische van onze informatiecultuur samen te brengen. Soms werkt die cocktail: In een van de YouTube-video’s slentert een jongen in een Australian trainingspak rond bij een zwembad. Een schijnbaar nutteloze gabber. Terwijl een performer over counterthought spreekt, gaat hij op de rand zitten en hangt hij zijn Nike Air Max in het water. Het bevalt hem want even later staat hij er tot zijn middel in. Hij verrast zichzelf zichtbaar met zijn actie, ontdekt daarin iets nieuws, en voor mij wordt dit ineens een beeld van tegendraads denken. Ook de karaoke is spannend, als vorm, omdat het ‘voorkauwt’ wat je moet zingen; oftewel denken. Toch levert de bewuste botsing tussen filosofie en popcultuur vaker niet dan wel een nieuw soort chemie op. Ik ben niet thuis in de rap maar het lijkt me potentieel een vorm waar hoofd (gedachten) en hart (emotie) zouden kunnen samenkomen. Maar omdat geen van de drie performers (al dan niet expres) de vorm echt serieus neemt of goed uitvoert, is het al snel niet meer dan een cynische verwijzing. Tijdens het hoofdstuk ‘Common Thought’ gaat het licht op het publiek aan en spreken de performers van tussen de tribunes. Het geeft de schijn van een collectieve vergadering. Maar ze spreken niet over of met ons. We zijn geen deel van het feestje. Op al deze manieren maakt Vandevelde voelbaar dat de middelen, vormen en beelden waarmee we dagelijks in interactie zijn om kennis over te dragen en te ontvangen niet echt iets communiceren. Maar door de vorm van zijn performance samen te laten vallen met zijn kritiek, creëert hij tegelijkertijd het gevoel bij de toeschouwer dat er geen uitweg uit de situatie is. De gedachten die vanaf de vloer gezonden worden kunnen zij niet ontvangen. Daar keert de keuze voor deze clash zich onvermijdelijk ook tegen de werking van de performance. Toch geloof ik dat Vandeveldes zoektocht, die begon bij Antithesis, and the future of the image (2015), naar een nieuw soort theatrale vorm waarin theoretische of filosofische teksten een plek hebben – en de toeschouwer soms ook letterlijk een ‘lezer’ wordt – oprecht is. En zeker niet oninteressant.

Ik ken Vandevelde als een choreograaf en schrijver die de ruimte van het theater graag als negatief ziet van de overpositieve en performance-verslaafde[i] maatschappij buiten diens muren. Ik ken hem van zijn werk Annex (onderdeel van Jozef Wouters’ INFINI) waarin hij een soort doorgang doorheen de blackbox naar een andere wereld verbeeldde. Maar hier wordt alleen gesproken over nieuwe landschappen, over de vraag wat er achter het beeld of de verbeelding ligt; we krijgen het niet te zien. OUR TIMES toont de huidige tijd als een omgeving waarin denken wordt ontmoedigd, waarin ‘stommiteit’ het woord voert, en beeldcultuur voor een afvlakking van het publieke discours en diversiteit in denken heeft gezorgd. Omdat elk element van de performance een citaat is -  een herhaalde handeling of gedachte – is zij in feite leeg van gedachten. Er worden weliswaar gedachten opgevoerd, gedachten over het denken zelfs, maar het denken als handeling in het hier en nu vindt niet plaats. Er wordt hier niet gedacht. Vandevelde bekritiseert daarmee niet alleen wat er in de wereld gebeurt. Door in zijn voorstelling precies dat te doen wat hij bekritiseert, lijkt hij tevens te willen zeggen: hier in de kunst wordt ook niet (meer) gedacht.

Maar waar blijft de ruimte van het theater dan? Waartoe dient zij dan nog?

Bij de uitgang krijgen we een boekje in handen, waarin de tekst van de voorstelling tussen een aantal andere essays staat.[ii] Eigen en nieuwe gedachten lijken hierin pas ruimte en gestalte te krijgen. Waar ik de voorstelling toch vooral dystopisch vond, zijn de essays van Rita Natalio en Vandevelde zelf hoopvol. Ik besluit ze als onderdeel van het werk te zien. Vandevelde vraagt zich in zijn essay Thinking is not a performing art zelf ook opnieuw af waartoe de ruimte van het theater moet of kan dienen, zoekend naar een betere balans tussen gedachten en emoties (die nu vaak de overhand hebben). Door gedachten excessief op te voeren kunnen we het denken herwaarderen, schrijft hij. Het theater is de ultieme plek, vervolgt hij, om het denken performatief te maken. Ik ben helemaal mee met het belang van het denken als praktijk. Maar wat is een performatieve gedachte? Wat is denken als handeling? Gaat dat niet over een (gezamenlijk) denken in het ‘hier en nu’, in plaats van het opvoeren van andermans gedachten? Moeten we dan geen ruimtes ensceneren en vormen vinden waarin ‘echt eigen’ of autonome gedachten tot stand kunnen komen en zichtbaar worden; in woord, lijf en handeling? ‘Het’ denken in overdrive opvoeren is de niet onlogische strategie van OUR TIMES; de hoop is denk ik dat de gedachten uiteindelijk uit hun baan zullen vliegen (en een nieuwe dimensie vinden), net als de trommel van een zich kapot draaiende wasmachine in een van de YouTube-filmpjes. Maar dat gebeurt, zoals ik hierboven beschrijf, juist (nog) niet. Onder welke omstandigheden wordt het denken weer vloeibaar, en welke rol kan de kunst, en in Vandeveldes geval choreografie, daarin kan spelen? Dat blijft een belangrijke zoektocht.

Als denken een choreografie is, of toch in ieder geval beweging is, dan zegt Vandevelde hier eigenlijk; we bewegen niet meer – dus wat heb ik dan te choreograferen? Hij zet het bewegen – en zo dus ook het denken – stil. Op de vloer en langs de kant.

 


[i] De term performance addiction verwijst naar samenlevingen die zo doordrongen zijn geraakt van allerlei vormen van performance dat het constitutief is geworden voor de mens.

[ii] De essays worden afgewisseld met stils uit de YouTube-videos die door ontwerper Ward Heirweigh ‘getweaked’ zijn door ze als het ware digitaal te versnipperen en ze in scherm blauwe pantone inkt op zilverpapier af te drukken. Het resultaat is verrassend spannend. Via de abstractie toont zich een glimp van de (denk)wereld achter/voorbij de videoclip.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

Nienke Scholts