Etcetera Magazine. Tijdschrift voor podiumkunsten.

Oorsprong en vervolg

Ultima Thule, De Stroom © Thomas Dhanens

Oorsprong en vervolg

Evelyne Coussens

Oorsprong en vervolg

 

Ultima Thule toont met De Stroom dat er leven is na het overlijden van zijn bezieler

 

De Stroom is een feest van herkenning én vernieuwing. Als alles steeds in wording is, zoals de voorstelling aangeeft, dan in ieder geval ook dit
 Gentse figurentheatergezelschap,
 dat zich na de dood van zijn bezieler Wim De Wulf grondig moest herdenken. De Stroom bewijst dat dat gebeurd is met zorgzaam respect voor wat was, maar ook met een frisse blik op de toekomst.

 

In juli 2016 stierf Wim De Wulf: acteur, auteur, regisseur en artistiek leider van Ultima Thule. De eerste voortekenen van zijn ziekte waren opgedoken tijdens het creatieproces van LOOP! (2014): toen was De Wulf twee weken voor de première uitgevallen. Twee jaar later zouden zijn geliefden hem te rusten leggen in het schilderachtige Vloesberg. Een drama voor zijn familie, een verlies voor de vrienden en collega’s uit de Gentse theaterscene, maar ook een harde dobber voor ‘zijn’ figurentheatergezelschap.

 

De Wulf had de voorbije zestien jaar als artistiek leider, regisseur maar vooral als auteur zijn stempel gedrukt op de creaties van Ultima Thule. Hij had de gave om ‘kleine’ intermenselijke histories (conflicten tussen geliefden, tussen ouders en kinderen, ...) fijnzinnig te verweven met de bredere stroom van de geschiedenis (oorlog, sociale revolutie) én met existentiële thema’s zoals schuld of identiteit. In signatuurvoorstellingen als de GOMAAR-trilogie (2007-2008) maar ook Door de bomen het bos (2011) of de onderschatte solo Oosterlengte (2011) schitterde zijn talent als liefdevolle verteller van menselijke verhalen. Eigenlijk ging het in elke tekst van Wim De Wulf over opgroeien, niet zozeer over het opgroeien van kinderen maar over het groeien van elke mens, als mens.

 

Het minste dat je kunt zeggen van De Stroom (10+), is dat het die dewulfiaanse traditie van bildungsverhalen honoreert, zij het met een eigen insteek: De Stroom
 is een coming of age van de mensheid, van de mens als soort. En de geschiedenis van die soort begint, zoals geweten, bij de big bang. Het openingsbeeld van De Stroom is een grote, rechtopstaande rolband (zo eentje als in de supermarkt) waarop een stuk glinsterende, doorzichtige huishoudfolie meedraait. Of beter: meestroomt, want dit is de stroom, een begrip dat zowel in tijd als in ruimte kan worden begrepen: het verglijden van de eeuwen, maar ook het ruisen van het water waaruit alle leven zal ontspringen. ‘Audiomachinist’ en multi-instrumentalist Geert Jonkers voorziet de voorstelling van een kosmische soundscape en simuleert het geluid van een rekkend en krimpend heelal door plasticfolie te verfrommelen voor een microfoon. Kijk, daar zijn de eencelligen al: vastgezet op lange stokken zweven twee plastic zakjes door de speelruimte.

 

Zwartgallig

  

Wat verfrommelde folie, twee plastic zakjes: zo simpel kan het zijn, en zo simpel was het ook in de creaties van De Wulf, waar met minimale scenografische middelen werd gestreefd naar een maximale verbeelding. Meer nog dan het acteurstheater is het figurentheater een kwestie van suspension of disbelief, maar de inventiviteit en creativiteit van iemand als vaste Ultima Thule-technieker Rupert Defossez blijft onmisbaar. Voor De Stroom bedachten Defossez en Jonkers rolbanden van verschillende groottes die heen en weer rijdend ingezet worden als speelvlak voor een stad, fabriek, bed of wielerpiste. Met als basisvoorwaarde hun onophoudelijke, onverstoorbare verder rollen: soms wat sneller, soms wat trager, want ook de tijd is een subjectief gegeven. Zijn de amoeben nog nauwelijks uit het zicht verdwenen, dan verschijnt het volgende ogenblik al een klein, ineengedoken figuurtje, vastgeplakt onder het folie — je moet snel zijn om het te zien, voor de rubberen stroom het weer meeneemt.

 

In de creatie van het figuurtje (ontwerp: Evelyne Meersschaut) tekent zich een ingrijpend verschil af met de dewulfiaanse traditie. Dit witte popje is niet meer dan de schematische voorstelling van een mens. Het heeft een kop, een lijfje en twee armen en benen, maar geen geslacht, gezicht, huidskleur of andere onderscheidende kenmerken. Het is een mens zoals een kleuter die zou tekenen: abstracte stokjes met een bol op. Hoewel de poppen die De Wulf liet maken verschillende gradaties van realisme bezaten en één enkele keer naar het groteske neigden, waren ze nooit abstract: het bleven herkenbaar menselijke (jonge, oude, mannelijke, vrouwelijke) poppen, gemaakt van organische materies als hout of papier. Ze bewogen zich ook in decors gemaakt van warme, aardse materialen (hout, zand) en onder een belichting van vaak okerkleurige tinten.

 

De Stroom installeert een volstrekt andere atmosfeer. Niet alleen is met het witte figuurtje geen enkele anekdotische identificatie mogelijk, het is ook nog eens vervaardigd uit een synthetisch materiaal (velcro) en beweegt zich in een wereld met een behoorlijk industriële look. De duisternis op scène wordt enkel doorbroken door het kille, witte licht van neonlampen. Het gebruik van rubber, plastic en metaal primeert. Dat het hele decor opgetrokken werd uit recuperatiematerialen is een achtergrondweetje, maar het maakt De Stroom heel erg eigentijds, en bovendien spoort de keuze met de dramaturgie: de gedachte aan cyclische processen staat op één lijn met het gegeven ‘herbeginnen’ waar de voorstelling naartoe werkt. Je zou kunnen zeggen dat de materialen die in De Stroom worden gebruikt al op zichzelf betekenis dragen, eerder dan dat ze ten dienste staan van het talige verhaal van een auteur.

 

Het ontbreken van die taal is meteen de grootste verrassing van De Stroom: op twee ingelezen tekstfragmenten na is de voorstelling woordloos. Het eerste fragment kadert het biologische ontstaan van de mens, het tweede doet dat met zijn ‘tweede geboorte’ — zoals de joods-Duitse filosoof Hannah Arendt het zou noemen: zijn mentale ontwaken, het moment dat de mens bewust op zoek gaat naar zingeving. Want na de evolutie van aap naar rechtop lopende tweevoeter loodst Sven Ronsijn zijn witte figuurtje in sneltempo door de rollen van producent en consument, van zinzoeker, liefdeszoeker en oorlogsvoerder. De mens komt terecht in een ‘cultuur’ die doet denken aan de kapitalistische jaren 1980-1990: de glitter van valse roem, de verslaving aan het beeldscherm, de chaos en de stress van een jachtige stad die nooit slaapt. Alles wat deze elckerlyck overkomt, blijft hem letterlijk aan het lijf plakken — de mens(heid) krijgt maar vorm in de samenleving waarin hij groot wordt.

 

Die gedachte is zwartgalliger dan het donkerste van De Wulf. De mens ziet zich in de kolkende stroom van ‘vooruitgang’ van de ene situatie in de andere geslingerd zonder dat hij er macht over heeft. De verstandhouding tussen poppenspeler en pop, die bewust reageert op wat de manipulatoren met hem doen, was altijd al onderdeel van Ultima Thules speelcode, maar dan op een speelse manier. In De Stroom vervullen de manipulatoren een machtigere rol: ze zijn de incarnatie van God —
 of beter: het lot dat de kleine, passieve mens overvalt. Verwonderd kijkt het witte figuurtje naar de manier waarop het wordt gemanipuleerd, soms probeert het zich te verzetten. Tevergeefs, want tegen de grote machinaties van de geschiedenis is geen verzet mogelijk. Na de overmoed van het kapitalisme komt de val richting dit millennium, en dus komen de migranten, de vluchtelingen in bootjes, de oorlog die de stad verwoest.

 

Ontroerd door velcro

 

Het verlies van de artistiek leider, leidende regisseur en auteur had makkelijk de nekslag kunnen betekenen voor een klein gezelschap dat sowieso nog veel aan naamsbekendheid kan winnen. Aan opvolging werd binnen Ultima Thule lange tijd maar sporadisch gedacht. Dat veranderde noodgedwongen na 2014. Uit de vertrouwde kern aan acteurs, poppenspelers, muzikanten en ontwerpers rond De Wulf wierp Sven Ronsijn zich op. Hij had in 2013, onder coaching van De Wulf, het prachtige Nerf gemaakt voor de Zomer van Antwerpen. Ergens is het merkwaardig dat Nerf — toch echt geschreven en geregisseerd door Ronsijn — zo herkenbaar ‘De Wulf’ aanvoelde. Het meanderende, weemoedige verhaal over een koppel eeuwelingen dat terugkijkt op het leven had qua sfeer, stijl en tekst zo uit de koker van zijn voorganger kunnen komen.

 

Nu lijkt Ronsijn met De Stroom — en eigenlijk ook al met de interactieve installatie Dans me — een eigen weg te zijn ingeslagen. Terwijl De Wulf verteltheater maakte met figuren, staat Ronsijn voor zuiver figurentheater.
 En waar De Wulf zijn verhalen graag lardeerde met de muziek van een groep vertrouwde klassemuzikanten (violist Guido Schiffer, pianist Yves Meersschaert, ...) neigt De Stroom naar muziektheater: de score van Jonkers bouwt mee het verhaal, als volwaardige medespeler. Alles wijst op een shift richting post-dramatisch theater, waarin de alleenheerschappij van de tekst als voornaamste betekenisgever wordt uitgedaagd door beeldende kunsten, dans en muziek. Inhoudelijk maakt Ronsijn de omgekeerde beweging van De Wulf: bij
die laatste kon je vanuit het intieme en persoonlijke uitzoomen naar een universele dimensie, terwijl Ronsijn letterlijk vertrekt van de abstractie van het universum, en je toelaat daar je eigen reflectie in te projecteren.

 

De ontroering is er niet minder om. De melancholie van De Wulfs producties, gekristalliseerd in kleinmenselijke herkenbaarheid, is nog steeds tastbaar in De Stroom, zij het met een ‘kosmische’ dimensie. De mens is bij Ronsijn nog steeds alleen, niet enkel tussen zijn medemensen, maar vooral ook onder dat zwarte, zwijgende uitspansel. Het is nog steeds de tastende, vergissende mens waar het ook De Wulf om te doen was. Het witte figuurtje worstelt nog steeds met de betekenis van het bestaan, de zoektocht naar een soulmate. In De Stroom zit een intieme scène waarbij we moeten vaststellen te zitten snotteren om twee onnozele, witte velcrokopjes die uitsteken boven een wit laken — meer heeft de verbeelding van de liefde niet nodig. En wanneer Ronsijns mensje na het bombardement op zijn stad door het puin strompelt, gebeurt er iets vreemds: opeens valt het opnieuw op dat hij wit is, dat hij helemaal geen mens is, maar een abstracte figuur — alsof we dat in het voorgaande uur vergeten waren. Alsof die mens, ontdaan van alle materiële ballast die in de loop van zijn ontstaansgeschiedenis aan hem is gaan kleven, nu plots verschijnt als nieuw en we hem opnieuw zien: een wit canvas, net als ieder van ons.

 

Die naakte mens vindt, na lang zoeken, onder het puin datgene waarnaar hij zocht: zijn dode kind. Huilen kan dit figuurtje niet: het heeft geen ogen, geen mond. Het doet het enige waartoe Sven Ronsijn het in staat stelt, in een gebaar van mededogen: het geeft het kind mee aan De Stroom, laat het teder terugdrijven naar die kosmische oorsprong waar alle leven vandaan komt. Panta rhei, en rust zacht, Wim De Wulf.

 

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart.