notallwhowanderarelost

notallwhowanderarelost

Onbemande poppenkast

Over dingen en mensen in het werk van Benjamin Verdonck en Louis Vanhaverbeke

Traditioneel poppentheater is steeds minder aanwezig op de hedendaagse scène. Wel wagen twee uitzonderlijke theatermakers zich aan een nieuwe variant. Benjamin Verdonck en Louis Vanhaverbeke gaan aan de slag met de basisingrediënten van het poppentheater – de relatie tussen de mens en object – maar bouwen er radicaal verschillende werelden mee.

De mens die heerst over de materie die hem omgeeft: het klassieke poppentheater huldigt een uitgesproken antropocentrisch wereldbeeld. Als subject manipuleert hij passieve objecten, die ook nog eens een menselijke gedaante hebben. Die suprematie is problematisch, want ze gaat voorbij aan de enorme impact van objecten op mensen en ze heeft geleid tot een onomkeerbare klimaatcatastrofe. Objectentheater lijkt de plek bij uitstek om die relatie tussen mens en voorwerp te herdenken. Louis Vanhaverbeke en Benjamin Verdonck gaan tijdens meerdere voorstellingen op zoek naar een beeldtaal waarin ze het kantiaanse onderscheid tussen subject en object in vraag stellen. Kunnen in het theater mensen op dezelfde manier bekeken worden als dingen? En hoe kunnen we objecten laten performen?

Gille leert lezen (2017) en one more thing (2014) van Verdonck zijn als kleine broertjes van zijn notallwhowanderarelost (2014). En Vanhaverbekes Multiverse (2016) bouwt duidelijk voort op zijn performance Kokokito (2015). In al die voorstellingen zien we een man, een aantal dingen en een fantasierijke zoektocht van die man naar een verhouding tot die dingen. Hoe vaak het werk van beide makers ook wordt vergeleken, en hoe gelijkaardig hun uitgangspunt ook mag zijn, de universa die ze creëren zijn opvallend verschillend.

Objecten aan zet

In Gille leert lezen, one more thing en notallwhowanderarelost is er enkel Verdonck zelf en een tafeltoneel: een soort poppenkast waarbij een tafel als podium fungeert. In notallwhowanderarelost is die heel groot, en vult Verdonck zijn tijd grotendeels door driehoeken heen en weer te trekken en plakkaatjes met zinnen erop neer te laten. Complete controle blijkt veraf, want buiten Verdoncks wil om doet een driehoek toch zijn ding, of moet de maker lopen om op tijd een volgende vorm op gang te trekken. Zo lijkt het alsof de constructie de mens bestuurt, en niet omgekeerd. Het tafereel ademt ambachtelijkheid: de driehoeken en de constructie vinden hun oorsprong niet in kapitalistische massaproductie, maar in de noeste arbeid van de theatermaker zelf. Ze hebben ook geen duidelijke functionaliteit, Verdonck gebruikt ze niet: hij gaat een relatie met ze aan, waarbij de focus meer op het object dan op hemzelf ligt.

In het klassieke poppentheater is er voor objecten pur sang in principe geen plaats. Poppen pretenderen immers mensen — en dus subjecten — te zijn. In notallwhowanderarelost daarentegen kijken we naar vormen die zonder antropomorf te zijn erin slagen de aandacht van het publiek vast te houden. Zo worden ze een volwaardige performer, die zelfs in staat is om empathie op te roepen. De mens zet de objecten in beweging, maar in tegenstelling tot het klassieke poppentheater blijft het daar niet bij, want op een bepaald moment beweegt een driehoekje uit zichzelf.

De evolutie van Verdoncks notallwhowanderarelost naar de twee kleinere werken toont dat de kunstenaar naar een minimum streeft. Gille leert lezen en one more thing nemen veel minder plaats en tijd in beslag: beide voorstellingen duren een goed kwartier, en de tafeltonelen — allemaal handgemaakt — passen in een grote rugzak. De ideologische basis voor die zoektocht naar een minimale en ambachtelijke esthetiek verwoordde Verdonck in zijn Handvest voor een actieve medewerking van de podiumkunsten aan een transitie naar rechtvaardige duurzaamheid (2011). Daarin vraagt hij de podium- kunstensector om het met minder te doen, om ecologische redenen. Verdoncks antwoord op de overvloed aan objecten en koopwaar is een verstilde wereld, waarin de mens aandacht en respect heeft voor objecten.

Scheppingsverhalen

Sinds notallwhowanderarelost schreeuwen Verdoncks esthetiek en ideologie ‘minder, minder, minder’. Vanhaverbeke is daarentegen op zoek naar veelheid.
 Ook hij is een soort poppenspeler, maar dan een die de touwtjes heeft doorgeknipt en zijn zwarte kledij heeft uitgedaan, zodat hij het publiek kan laten zien hoe objecten hem in beweging zetten. Hoewel hij zijn menselijke suprematie loslaat, wordt hij paradoxaal genoeg net zichtbaarder op scène. Vanhaverbeke is niet geïnteresseerd in de essentie van het object, maar in alle mogelijke en onvermoede functies die het bezit, en de ontelbare beelden en constructies waar het deel van kan uitmaken.

In Multiverse is geen enkel voorwerp wat het lijkt. De muziek — de combinatie van een platenspeler met de vrolijk rappende en zingende performer — stuwt de voorstelling vooruit. Het lijkt alsof de platen het hele universum meenemen in hun omwentelingen.

In tegenstelling tot de subtiele invloed die de objecten op het lichaam van Verdonck uitoefenen, lijken de platen Vanhaverbeke mee te sleuren in hun circulaire beweging. Hier ontstaat de dans, tussen de maker (de mens) en zijn objecten. Hij geeft daarbij steeds de aanzet, maar geeft soms ook de controle uit handen. Wanneer hij lopend in zijn cirkel een frisbee op zijn pad vindt en die rond zijn vinger laat draaien, beïnvloedt dat object ingrijpend zijn manier van lopen. Objecten transformeren het lichaam en dus de dans.

De bouwstenen van Louis Vanhaverbekes Kokokito en Multiverse zijn, anders dan Verdoncks ambachtelijke driehoeken, allesbehalve handgemaakt. In deze twee voorstellingen vinden we eenzelfde soort onbenullige gebruiksvoorwerpen terug. In Kokokito, een soort lecture-performance, benoemt en herschikt Vanhaverbeke al rappend de objecten. Multiverse lijkt op een nieuwe versie van dat werk, maar dan met een meer doorgedreven dramaturgie die mini-universa doet ontstaan. Op scène staat een kleurrijke verzameling dingetjes in een cirkel opgesteld. In tegenstelling tot Verdoncks geometrische vormen omarmt Vanhaverbeke massaconsumptieproducten. De trechter, de platenspeler en het skateboard hebben een duidelijke functionaliteit, maar Vanhaverbeke negeert die op speelse wijze om er knotsgekke, vaak zelfs bewegende constructies mee te bouwen. Of hij brengt ze in relatie tot zijn eigen lichaam door ze aan te doen, mee te nemen in een rondedans of ermee te bouwen. Zo ontstaan veel complexere relaties tussen de objecten onderling, en tot de mens. Ze worden een volwaardig onderdeel van een zelfbedacht systeem. Aan het begin van Multiverse rapt Vanhaverbeke scheppingsverhalen, waarna hij zelf aan het scheppen slaat. Zijn creaties lijken, in tegenstelling tot die van de God uit zijn verhalen, echter niet geschikt voor menselijk gebruik: het gaat om de daad van het scheppen zelf.

Dit citaat uit Genesis doet denken aan de relatie van de poppenspeler tot zijn pop: “En onderwerpt haar
(de aarde), en hebt heerschappij over de vissen der
 zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!” Vanhaverbeke gaat met zijn objecten een andere relatie aan: het is alsof hij afgedankte voorwerpen een tweede leven wil geven.
Zo worden ze in Multiverse deel van een kinderfeestje of van een raket. De mens is van die gehelen wel de maker, maar niet de gebruiker. De raket vliegt aan het einde dan ook onbemand de coulissen tegemoet. Ze is geen dode materie die alleen ten dienste van de mens staat, maar materiaal dat barst van de mogelijkheden. Iedereen weet dat platenspelers dienen om muziek af te spelen, maar waarom zou je er geen wereldbol mee rond zijn as laten draaien? En waarom zou je er geen pannenkoeken op kunnen bakken? De objecten hebben enkel de verbeelding van de maker en zijn publiek nodig om hun eendimensionale functionaliteit te overstijgen.

Taal aan touwtjes

Wat onderscheidt ons, mensen, van de objecten om ons heen? Taal zou weleens een sleutelwoord kunnen zijn: een mechanisme dat objectificatie toelaat en exclusief menselijk lijkt. Het traditionele poppentheater gebruikt taal om poppen een menselijke stem te geven: taal is essentieel om de illusie van een subject te wekken. Maar bij Vanhaverbeke en Verdonck krijgt de taal een andere functie.

In Vanhaverbekes Kokokito schept taal de mogelijkheid om een veelheid aan objecten behapbaar te maken. Maar in zijn spervuur aan pogingen, waarbij hij op een beat woorden herhaalt en voorwerpen herschikt, wordt duidelijk dat benoemen onmogelijk is. Door dat tekortschieten lijkt de taal aan twee kanten los te komen: van degene die ze gebruikt, en van datgene waaraan ze refereert. Er vindt dan een nivellering van de verhouding tussen mens en object plaats: enerzijds kan Vanhaverbeke via gesproken taal wel verbaal performen — zoals objecten dat niet kunnen — maar anderzijds schiet zijn taal tekort om de complexiteit van de voorwerpen te vatten.

Verdonck lijkt na notallwhowanderarelost voor een meer tekstuele vertelling te kiezen: terwijl tekst in die voorstelling maar een klein onderdeel van een verder vooral beeldende voorstelling was, zijn Gille leert lezen en one more thing allebei opgebouwd rond een zin die woord voor woord verschijnt. Hier verschijnt de taal (bijna) niet in gesproken maar in geschreven vorm: aan Verdoncks touwtjes zitten dus niet alleen vormen maar ook taal vast. Hij gebruikt de taal als object: woorden en zinsdelen komen al schuivend tevoorschijn in zijn poppenkast. Ze dienen niet als stem voor de objecten — en verwijzen ook niet per se naar objecten — maar zijn zelf voorwerpen geworden.

Zo lijkt het alsof niet Verdonck aan het woord is, maar wel de installatie. En zo schuift de mens nog wat meer op, weg uit het centrum en naar de periferie.

Benjamin Verdonck en Louis Vanhaverbeke delen dan wel hun voorliefde voor het object en een gelijkaardige, speelse manier van performen, hun beeldtaal heeft eigenlijk weinig met elkaar gemeen. De overvloed van Vanhaverbeke contrasteert fel met Verdoncks hang naar abstractie en schaarsheid. Vanhaverbeke staat midden in een chaotische wereld, propvol dingen die verwaarloosd worden in de wegwerpmaatschappij. Hij maakt fysiek duidelijk dat die objecten ons fundamenteel beïnvloeden, en stelt voor om op een inventievere manier met die voorwerpen om te gaan. Verdoncks utopie is een omgeving met veel minder objecten, beweging en een meer afwezige menselijke performer. Hij wijst het spektakel van de massaconsumptie volledig af, om het te vervangen door een nieuw milieu. Dat is pas compleet als met zorg gemaakte en bekeken objecten de aandacht opeisen en de mens zichzelf een nederige positie aanmeet.

Hun gemeenschappelijke keuze voor een esthetiek waarin objecten performen en zij zichzelf laten beïnvloeden, refereert nog wel aan het poppentheater, maar toont vooral hoe zowel in het theater als in de samenleving de verhouding tussen objecten en mensen herdacht kan worden. Dat gedeelde uitgangspunt resulteert in twee erg verschillende onderzoeken met een geheel eigen taal. Relevant werk in een tijd waarin we afhankelijk zijn van dingen en ondertussen koppig vasthouden aan de illusie erover te heersen. De eindzin op het plakkaatje dat notallwhowanderarelost afsluit, stemt dan ook tot nadenken: “In the end I asked K what more there is to do. ‘To withdraw gracefully’, he replied.”

essay
Leestijd 6 — 9 minuten

Vincent Focquet

Vincent Focquet is student podiumkunsten aan de Universiteit Gent en recenseert voor Etcetera.