TAAT workshop in KHOR II op Oerol 2015

Oerol 2015: De dwingende noodzaak tot gesprek

De dwingende noodzaak tot gesprek

Oerol is Nederlands grootste locatiefestival: 50.000 bezoekers komen jaarlijks naar het waddeneiland Terschelling om er in de duinen, bossen of op het strand theater te kijken. De omvang en variëteit aan bezoekers (jong en oud, randstedelijk of uit de provincies) en de gulle ontvankelijkheid van het festivalpubliek bieden theatermakers een uitgelezen kans tot  experiment. Wat opvalt in de editie van 2015 is de ruime vertegenwoordiging van voorstellingen die, elk op een eigen manier, op zoek gaan naar gesprek, interactie met of zelfs cocreatie door het publiek.

Het festival begon in de jaren 1980 bescheiden als ‘eilandse’ poot van het anarchistische Festival of Fools in Amsterdam en groeide in de daaropvolgende decennia uit tot een breed publieksevenement. Sinds een paar jaar wilartistiek leider Kees Lesuis expliciet inzetten op inhoudelijke verdieping en duurzame verbindingen tussen artiesten, publiek en eiland – dit na een periode waarin de het festival te zeer leek doorgeschoten naar een vrijblijvende grabbelton voor campingfuiven, animatieve concertjes en ‘leuke’ theatervoorstellingen.

De verdiepingsslag zit voor Lesuis op een aantal niveaus: het ‘upgraden’ van de ‘lichte’ programmatie (door bijvoorbeeld het losse straattheater te clusteren in de meer doordachte ‘Expedities’), het inzetten op onderzoek en ontwikkeling (van jong talent, van de potentie van landschapskunst), het uitbreiden van het aanbod aan publieksbemiddeling (debatten, nagesprekken). Daarnaast merkte Lesuis in De Morgen op dat er bij de makers zelf iets leek gekanteld. ‘Een aantal jaar geleden leek het te gaan over plezier maken, maar ik heb de indruk dat ze vandaag weer serieuze zaken durven beetpakken. We nodigen graag makers uit die niet alleen voorstellingen komen spelen, maar het eiland beschouwen als een plek waar ze in gesprek kunnen gaan met een publiek.’

Over dat gesprek valt inderdaad wel wat te zeggen. Het doorbreken van de vierde wand is al een paar decennia gemeengoed, maar dat historische sloopwerk lijkt vandaag bijlange niet meer te volstaan. De toeschouwer dient niet alleen rechtstreeks te worden aangesproken, maar ook lijfelijk door de vierde wand getrokken of zelfs als mede-maker direct betrokken bij het theatergebeuren. Maar wat schuilt er achter dat gebaar, en is de (artistieke, politieke) démarche wel altijd zinvol?

Vorig jaar zagen we Wijland van het Antwerpse Tuning People, waarin de hele toeschouwersgroep werd ingezet om samen een nieuwe stad te bouwen op een weiland. Het wat puberale work-in-progress bleef steken in het uitdelen van gekke hoedjes en het meetronen van het publiek in optochten en danssessies – nou ja. Veel gegronder was Building Conversation van Lotte van den Berg, een vijf uur durende ontmoeting – theater kan je het niet noemen – waarbij in kleine toeschouwersgroepjes gezocht werd naar een écht gesprek, als basisvorm van democratie. De jonge Emke Idema probeerde in haar slim doordachte theaterspel RULE met haar publiek een grondwet te formuleren – een confronterende en ontluisterende ervaring voor wie dacht dat hij evident tot het ‘progressieve’ kamp behoorde.

Dit jaar zet het collectief TAAT – een verbintenis tussen theatermaker Gert-Jan Stam en een architect Breg Horemans – op Oerol 2015 een gelijkaardig ‘spel’ op. KHOR II omvat drie fasen: het bouwen van een constructie van houten balken (BOUW), het spelen van een doe-het-zelf-theaterstuk (SPEEL) en het gezamenlijk bedenken van alternatieve invullingen voor de constructie (DEEL). Tijdens SPEEL krijgt elke individuele deelnemer een handleiding die hem door het spel gidst. SPEEL dient zich in volstrekte stilte te ontrollen.

De verbinding met de architectuur opent interessante denksporen. De houten ‘doorkijkwoning’ die door een vorig publiek werd opgetrokken – hij bestaat uit houten balken waartussen ruimte is vrijgelaten – bevat elementen die kunnen refereren aan Chantal Mouffes politieke theorieën rond een democratische organisatie van de samenleving. In dit metaforische ‘huis van de gemeenschap’ staat een arena met twee tegenover elkaar geplaatste tribunes centraal. Met elke omgeslagen bladzijde van de handleiding krijgt het proces van consensus en dissensus vorm. De handleiding daagt de deelnemer voortdurend uit om keuzes te maken die zijn positie binnen die gemeenschap bepalen. Vind je het individu belangrijker dan de gemeenschap? Is een maatschappij volgens jou gebaseerd op wetten of op verbeelding? Bij elk antwoord hoort een bepaalde ruimtelijke positie binnen of buiten de houten constructie, en zo vormen zich gaandeweg mini-groepjes toeschouwers die op een gelijkaardige (of tegengestelde) manier denken over de organisatie van de samenleving en hun burgerlijke verantwoordelijkheid.

Het spel zet aan het denken, het meest nog in zijn architecturaal-filosofische insteek:  SPEEL illustreert mooi hoe de manier waarop de mens zijn (discours)ruimte ontwikkelt hem vervolgens bepaalt – de mens creëert ruimtes maar veel nadrukkelijker nog vormen (fysieke en mentale) ruimtes zijn gemeenschap. Wie staat buiten de arena, wie krijgt wel gehoor? Wie staat in het centrum, wie houdt zich op in de periferie? (Het brengt spontaan Paul Pourveurs Plot Your City in gedachten, zoals onlangs nog door regisseur Simon de Vos verbeeld in de productie Mind The Gap: een architect bouwt de perfecte stad, maar vergeet één cruciaal element: een plein. De gemeenschap gaat ten onder in chaos.) Op het vlak van democratisch zelfinzicht kon SPEEL nog een stuk verder gaan: de keuzes die de toeschouwers voorgelegd worden zijn niet allemaal even scherp, waardoor de consequenties van de denkoefening uitblijven. Achteraf gezien gaat het ook allemaal wat te snel. Terwijl Van den Berg de ‘transitie’ van een arbitraire groep tot een hechte gemeenschap rustig kaderde met een wandeling vooraf en een gedeelde maaltijd achteraf blijft SPEEL een beetje gehaast steken op het niveau van het spelen zelf.

Het zoeken naar een gemeenschap – door die gemeenschap ook fysiek te proberen samenstellen – is ook het opzet van het NNT en Moeremans&Sons, het ‘geleid collectief’ (of ‘zelfgekozen familiebedrijf’) rond regisseur Sarah Moeremans. Zij bouwen op Terschelling TEMPOPIA: een tijdelijk utopia waar ze samen leven, koken, spelen en nadenken over de samenleving. ‘s Ochtends doet de groep ergens op het eiland aan sport, ‘s middags ontleden de Sons onder de noemer ‘Aardappelen schillen met…’ het werk van een denker (Nietzsche, Machiavelli, Sloterdijk, …) terwijl ze  samen de maaltijd bereiden voor het publiek, dat ‘s avonds tussen twee voorstellingen in (Shoot The Messenger en Crashtest Ibsen: Nora) aanschuift in hun tijdelijke verblijfplaats. Publiek en passanten zijn vriendelijk uitgenodigd om aan alle fases deel te nemen, maar alleen de voorstellingen en maaltijd zijn gecombineerd in een betalend kaartje.

Misschien is het daardoor dat de focus vanuit publieksstandpunt blijft liggen op theatervoorstellingen + maaltijd. De rest van TEMPOPIA voelt eerder aan als een ‘intern’ project, waarbij de te smeden gemeenschap in de eerste plaats die van de artistieke ploeg zelf lijkt. De publieksmaaltijd is ontegensprekelijk een gezellige en sympathieke bedoening, maar revolutionair is het idee natuurlijk niet – een gezelschap als Cie Marius doet het al jaren. Wat is de eigenlijke meerwaarde van deze TEMPOPIA voor het publiek? Op welke manier wordt het publiek uitgedaagd zich anders tot makers en medetoeschouwers te verhouden dan bij een ‘gewone’ theatervoorstelling? En is dit alles niet een beetje te mager om meteen een ‘tijdelijk utopia’ te gaan heten?

KHOR II en TEMPOPIA zijn maar twee varianten van een scala aan voorstellingen waarin door makers en theatergroepen expliciet gezocht wordt naar directe verbinding met en tussen het publiek. Er is bijvoorbeeld ook Erf van Boukje Schweigman, die met een massa aan lokale figuranten aan de slag gaat, en We doen het wel zelf van Wunderbaum, dat een aantal toeschouwers op de scène haalt in een kritische voorstelling rond burgerparticipatie – de voorstelling is trouwens onderdeel van The New Forest, een meerjarig onderzoeksproject waarin Wunderbaum met verschillende partners (waaronder ook het publiek) op zoek gaat naar de grote transitieprocessen van deze tijd.

Al deze projecten willen méér zijn dan een ‘gewone’ theatervoorstelling; ze willen een grote groep toeschouwers actief betrekken bij of zelfs engageren in de creatie zelf – zonder hun medewerking geen voorstelling.. Na het vallen van de vierde wand is de volgende stap klaarblijkelijk dat de toeschouwer deelnemer wordt, het publiek medemaker. Dat is een bijzonder interessante ontwikkeling, zolang ze vertrekt uit een authentieke impuls en niet uit een verlangen naar de tegenwoordig zo sterk gevalideerde politiek-correcte maatschappelijke relevantie – in dat geval vervalt de artistieke (of politieke) meerwaarde tot lege strategie. Makers als Lotte van den Berg leggen wat dat betreft de lat hoog, door hun praktijk ten volle over te leveren aan het publiek – Van den Berg keert de verhouding spreker-luisteraar radicaal om. Die radicaliteit is terecht. Wie grote woorden als ‘gemeenschap’ bezigt moet ze wel serieus nemen. Al de rest is window-dressing.

Persoonlijk kijk ik wat verwonderd naar die verwoede pogingen om het publiek ‘nabij’ te brengen in of tussen de voorstellingen. Is de mentale afstand tussen theater en zijn publiek dan zo groot geworden dat enkel nog deze lijfelijke noodgreep rest: kom hier, we houden jullie vast, we voeden jullie, we grijpen jullie, in de meest letterlijke zin van het woord… ? Daarin schuilt bijna iets wanhopigs, iets dat wijst op de onderschatting van de kracht van het medium in zijn, zeg maar, ‘traditionele’ vorm. Is het geloof in de impact van een ‘gewone’ vierdewandvoorstelling – van een verhaal, een vorm, van een illusie zelfs – dan zo klein geworden? Het ‘gedeelde hier en nu’ lijkt vandaag wel het nec plus ultra. Ik moet eerlijk bekennen dat ik er soms naar verlang veilig achter de vierde wand weg te kruipen, waar ik geen positie hoef in te nemen, geen brood hoef te snijden, niet over een veld hoef te rennen, geen mening hoef te verkondigen of aan een rad te draaien, maar me binnen mag laten leiden in de unieke verbeeldingswereld van een kunstenaar. Ook dat is politiek, geloof ik.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.